Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO0278

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
05/801035-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt een 27 jarige militair tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van twee jaren, een werkstraf voor de duur van 200 uren en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk wegens overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Promis II

Parketnummer : 05/801035-09

Datum zitting : 27 september 2010

Datum uitspraak : 11 oktober 2010

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

Rang/rnr : Kannonnier der eerste klasse, [nummer]

Ingedeeld bij : [standplaats].

Raadsman: mr B.K.M Fritz, advocaat te Haarlem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 april 2009, te Amsterdam,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(motorfiets) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande

weg, Dolingadreef, met een snelheid van minimaal 84 kilometer per uur tot

maximaal 88 kilometer per uur, in ieder geval met een hogere snelheid dan de

aldaar voor hem, verdachte maximum toegestane snelheid van 50 kilometer per

uur, zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam,

een Voetgangers Oversteek Plaats (VOP) is genaderd en/of opgereden en/of

overgereden, terwijl voor die VOP een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd

bord LO2 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

1990, inhoudende: Voetgangersoversteekplaats, was aangebracht en/of terwijl

zich op die VOP (een) (overstekende) voetganger(s) bevonden en/of die

overstekende voetganger(s) (die doende was/waren, gezien zijn, verdachtes,

rijrichting, van de linker- naar de rechterkant van de weg over te steken)

niet heeft laten voorgaan en/of zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat

hij, verdachte, zijn motorrijtuig (motorfiets) tot stilstand te brengen binnen

de afstand waarover hij, verdachte, de weg en/of de VOP kon overzien en/of

waarover deze vrij was en/of is hij, verdachte, vlak voor de overstekende

voetganger(s) langs gereden en/of zijn motorrijtuig gebotst, althans

aangereden tegen een (overstekende) voetgangster en aldus zich zodanig heeft

gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden, waardoor aan V.R. [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd

toegebracht;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 13 april 2009, te Amsterdam,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(motorfiets) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande

weg, Dolingadreef, met een snelheid van minimaal 84 kilometer per uur tot

maximaal 88 kilometer per uur, in ieder geval met een hogere snelheid dan de

aldaar voor hem, verdachte maximum toegestane snelheid van 50 kilometer per

uur, een Voetgangers Oversteek Plaats (VOP) is genaderd en/of opgereden en/of

overgereden, terwijl voor die VOP een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd

bord LO2 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

1990, inhoudende: Voetgangersoversteekplaats, was aangebracht en/of terwijl

zich op die VOP (een) (overstekende) voetganger(s) bevonden en/of die

overstekende voetganger(s) (die doende was/waren, gezien zijn, verdachtes,

rijrichting, van de linker- naar de rechterkant van de weg over te steken)

niet heeft laten voorgaan en/of zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat

hij, verdachte, zijn motorrijtuig (motorfiets) tot stilstand te brengen binnen

de afstand waarover hij, verdachte, de weg en/of de VOP kon overzien en/of

waarover deze vrij was en/of is hij, verdachte, vlak voor de overstekende

voetganger(s) langs gereden en/of zijn motorrijtuig gebotst, althans

aangereden tegen een (overstekende) voetgangster,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 27 september 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. B.K.M Fritz, advocaat te Haarlem.

De officier van justitie, mr. H.G. Velders, heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 maanden.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte op 13 april 2009, te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Dolingadreef, een Voetgangers Oversteek Plaats (VOP) is genaderd en opgereden en overgereden, terwijl voor die VOP een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd bord LO2 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: Voetgangersoversteekplaats, was aangebracht en terwijl zich op die VOP (een) (overstekende) voetganger bevond en die overstekende voetganger (die doende was gezien zijn, verdachtes, rijrichting, van de linker- naar de rechterkant van de weg over te steken) niet heeft laten voorgaan en zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, zijn motorrijtuig (motorfiets) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg en de VOP kon overzien en waarover deze vrij was en is hij, verdachte, vlak voor de overstekende voetganger langs gereden en zijn motorrijtuig gebotst, tegen een (overstekende) voetgangster, V.R. [slachtoffer].

V.R. [slachtoffer] heeft tengevolge van het verkeersongeval letsel opgelopen.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde, te weten overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, maar aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet ( hierna WVW 1994). De raadsman verwijst daartoe en sluit zich aan bij de uitspraak van de Hoge Raad van 1 juni 2004 ( LJN A05822) welke – samengevat - luidt : “bij de beoordeling of schuld aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet valt in zijn algemeenheid aan te geven of een verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid en dus de schuld ex artikel 6 WVW 1994. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in voren bedoelde zin” De raadsman heeft aangevoerd dat niet onomstotelijk vast staat dat verdachte harder dan 50 kilometer per uur heeft gereden. Wel staat vast dat verdachte op een zebrapad een meisje heeft aangereden en hem kan dan ook verweten worden dat hij onvoorzichtig heeft gereden, dan wel onvoldoende geanticipeerd heeft op een eventueel gedrag van een voetganger die oversteekt. De raadsman is van oordeel dat dit gedrag niet oplevert overtreding van artikel 6 WVW 1994, maar dat verdachte door zijn gedrag een kans heeft genomen dat hij een ongeluk zou kunnen veroorzaken. De raadsman is van mening dat dit gedrag wordt beoogd met artikel 5 WVW 1994 dat stelt dat het gevaar is gelegen in een reële kans op een ongeval waarbij een zekere mate van concreet gevaarscheppend gedrag als minimumeis wordt gesteld.

Beoordeling van de standpunten

Verdachte heeft verklaard dat hij linksaf geslagen was en de Dolingadreef op reed terwijl hij naar de tweede versnelling schakelde. Verdachte wist niet hoe snel hij op dat moment reed, maar hij schatte ongeveer 60 à 70 kilometer per uur. Getuige [getuige1] schatte de snelheid van verdachte ongeveer 70 kilometer per uur. De militaire kamer is van oordeel dat, op basis van de verkeersongevalsanyalsye, geconcludeerd kan worden dat verdachte zeker harder heeft gereden dan 68 kilometer per uur en dat hij daarbij de ter plaatse toegestane maximale snelheid van 50 kilometer per uur heeft overschreden. Verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens een voetgangersoversteekplaats naderde waar hij een meisje vanuit de richting van de Alexander Dumaslaan naar die oversteekplaats zag lopen richting de Charlotte Brontéstraat. Verdachte heeft verklaard dat op het moment dat hij het meisje de voetgangersoversteekplaats zag naderen zijn afstand tot haar ongeveer 200 tot 250 meter was. Verdachte heeft toen een snelle berekening gemaakt. Hij heeft verklaard: “Ik dacht dat als ik zo zou blijven rijden, dat het meisje dan al overgestoken moest zijn. Ik heb mijn gashendel vastgezet.” Verdachte heeft verklaard daarmee te bedoelen dat hij het gas vanaf dat moment constant heeft gehouden. Verdachte heeft verklaard dat hij ter hoogte van de uitrit van de Charlotte Brontéstraat was toen hij het meisje zich om zag draaien en het zebrapad op zag rennen. Hij was toen ter hoogte van de uitrit van de Charlotte Brontéstraat. Verdachte heeft verklaard: “Ik dacht shit en begon meteen te remmen.””Ik remde met volle kracht met de voorrem en achterrem, daardoor blokkeerden de remmen”. “Ik probeerde het meisje te ontwijken door links weg te sturen”. Getuige K.[getuige2] heeft echter verklaard dat hij het meisje niet heeft zien terugrennen over het zebrapad. Hij heeft verklaard dat hij toen hij over de Dolingadreef reed vanuit de richting van het metrostation Vensepoort in de richting van de Amsterdamsepoort, drie kinderen zag die vanuit de Alexander Dumaslaan in de richting van de Charlotte Brontéstraat wilden lopen. Tevens heeft hij verklaard vóór het zebrapad gestopt te zijn en gezien te hebben dat de meisjes het zebrapad overstaken en dat één meisje voorop liep en twee meisjes naast elkaar achter dat meisje liepen. De verdachte heeft echter verklaard op dat moment geen andere personen en of kinderen gezien te hebben.

De militaire kamer is van oordeel dat verdachte op de Dolingadreef niet alleen veel sneller reed dan de maximum toegestane snelheid, maar dat hij ook de verkeerssituatie verkeerd heeft ingeschat en verkeerd op de situatie heeft geanticipeerd. Immers, het is een feit van algemene bekendheid dat bij een voetgangers oversteekplaats mensen kunnen oversteken en daarnaast is het ook een feit van algemene bekendheid dat kinderen onverwacht gedrag kunnen vertonen. Van een verkeersdeelnemer wordt verwacht dat hij indien hij een bijzondere verkeerssituatie nadert, zoals een voetgangers oversteekplaats, of indien hij kinderen nadert, de nodige voorzichtigheid en oplettendheid hanteert en zijn snelheid dusdanig reguleert dat hij in de omstandigheid is om tijdig dan wel te stoppen dan wel uit te wijken. Verdachte is met hoge onverminderde snelheid op een voetgangersoversteekplaats af gereden terwijl hij ruimschoots voordien zag dat daar een kind aan het oversteken was. Verdachte heeft daarbij een niet voor de hand liggende berekening gemaakt dat het hem allemaal wel zou lukken om een aanrijding met dat kind te vermijden en daarmee de mogelijke gevolgenvan zijn handelen als het ware voor lief genomen. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat hij zich onvoorzichtig en onachtzaam heeft gedragen en daarbij een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid heeft getoond waarbij het derhalve aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor aan V.R. [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Het verweer van de raadsman faalt dan ook.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 13 april 2009, te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder

van een motorrijtuig (motorfiets) daarmede rijdende over de voor het openbaar

verkeer openstaande weg, Dolingadreef, met een hogere snelheid dan de

aldaar voor hem, verdachte maximum toegestane snelheid van 50 kilometer per

uur, zeer, onvoorzichtig en onachtzaam, een Voetgangers Oversteek Plaats (VOP) is

genaderd en opgereden en overgereden, terwijl voor die VOP een in zijn, verdachtes,

rijrichting gekeerd bord LO2 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990, inhoudende: Voetgangersoversteekplaats, was aangebracht

en terwijl zich op die VOP (een) (overstekende) voetganger bevond en die

overstekende voetganger (die doende was, gezien zijn, verdachtes

rijrichting, van de linker- naar de rechterkant van de weg over te steken)

niet heeft laten voorgaan en zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat

hij, verdachte, zijn motorrijtuig (motorfiets) tot stilstand te brengen binnen

de afstand waarover hij, verdachte, de weg en de VOP kon overzien en

waarover deze vrij was en is hij, verdachte, vlak voor de overstekende

voetganger langs gereden en zijn motorrijtuig gebotst, tegen een (overstekende)

voetgangster en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te

wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan V.R. [slachtoffer] zwaar

lichamelijk letsel werd toegebracht;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 2 augustus 2010;

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur 12 maanden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging wijst in de eerste plaats op de consequenties die het handelen van zijn cliënt al hebben gehad voor wat betreft zijn werk. Cliënt is als gevolg van hetgeen er op 13 april 2009 is gebeurd niet op uitzending naar Afghanistan geweest omdat hij het geestelijk erg zwaar had. De raadsman draagt daarnaast aan dat een ontzegging van de rijbevoegdheid voor zijn cliënt grote gevolgen zal hebben voor zijn werk omdat hij werkzaam is als chauffeur. Door een ontzegging van de rijbevoegdheid zal hij dan ook zijn dagelijkse werkzaamheden niet kunnen uitoefenen. De verdediging verzoekt de rechtbank daarom een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

Beoordeling van de standpunten

Verdachte is met zijn motor, met een snelheid die hoger lag dan de toegestane maximumsnelheid, een voetgangersoversteek plaats genaderd en is aldaar met een overstekend meisje in botsing gekomen ten gevolge waarvan het meisje ernstig letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft binnen de bebouwde kom, op klaarlichte dag terwijl de weersomstandigheden goed waren te hard gereden. Daardoor heeft hij de omgevingssituatie niet goed en niet voldoende tijdig kunnen waarnemen. Daarnaast heeft hij een grove beoordelingsfout gemaakt door terwijl hij een voetgangersoversteek plaats naderde geen snelheid te minderen. Verdachte heeft daardoor te laat het overstekende meisje waargenomen en was gezien zijn snelheid op dat moment niet meer tijdig in staat om een botsing met haar te voorkomen. Dit is een ernstig feit.

Het slachtoffer, een vijf jarig meisje, heeft ernstig hersenletsel opgelopen waardoor zij mogelijk de rest van haar leven de gevolgen van het ongeluk zal blijven ondervinden. Ook haar familie, zal moeten leren leven met de wellicht blijvende gevolgen voor het meisje. Verdachte heeft blijk gegeven spijt te hebben van hetgeen hij heeft veroorzaakt en heeft ook geprobeerd deze spijt richting de familie te betuigen. Deze stelde daar echter geen prijs op. .

Verdachte had zijn motorrijbewijs nog niet zo lang en had twee weken voor het ongeval zijn nieuwe motor opgehaald. Verdachte had derhalve nog niet veel ervaring als motorrijder en was nog niet vertrouwd met de eigenschappen van zijn motor. Juist daarom rekent de militaire kamer verdachte zijn onverantwoorde rijgedrag en de gevolgen daarvan ernstig aan.

Verdachte had immers, juist vanuit zijn uitgangspositie, de nodige voorzichtigheid moeten betrachten, vooral als het gaat om het naderen van bijzondere verkeerssituaties, zoals bij een voetgangersoversteekplaats.

Gelet op de ernst van het feit, en de afdoening in soortgelijke zaken acht de militaire kamer een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende sanctie.

De militaire kamer is ervan op de hoogte dat indien het rijbewijs van verdachte wordt ingevorderd hij zijn werkzaamheden als militair chauffeur tijdelijk niet meer kan verrichten. Desalniettemin is de ernst van het feit dusdanig dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte daar niet tegen opwegen. Daarnaast houdt de militaire kamer rekening met de strafrechtelijke documentatie van verdachte waaruit blijkt dat verdachte in 2007 nog een forse geldboete heeft kregen voor een aanzienlijke overtreding van de maximumsnelheid.

De militaire kamer acht het derhalve noodzakelijk naast de taakstraf en de voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte een deels onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen van na te melden duur. Daarnaast zal de militaire kamer verdachten een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op leggen van na te melden duur met een proeftijd van 2 jaren.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 175, 176, 178, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

A. een gevangenisstraf voor de duur van 2( twee) maanden

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit

B. het verrichten van een werkstraf gedurende 200 ( tweehonderd) uren

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 100 (honderd) dagen.

C. Een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 ( achttien maanden)

Bepaalt dat van deze ontzegging 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. A.T.M. Vrijhoeven, rechter, als voorzitter,

mr. Mr. T.P.E.E. van Groeningen, rechter,

kolonel mr. B.F.M. Klappe, militair lid,

in tegenwoordigheid van M.H van de Pol, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 oktober 2010.