Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN9627

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
05/702126-10 en 702581-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummers : 05/702126-10, 05/702581-10

Datum zitting : 22 september 2010

Datum uitspraak : 6 oktober 2010

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum],

adres :[adres]

plaats : [woonplaats].

Raadsvrouw : mr. E.R.T. Tromp, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Ten aanzien van 05/702126-10

hij in of omstreeks de nacht van 19 op 20 juni 2010 te Nijmegen aan een

persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (wonden in

het gezicht), heeft toegebracht, door deze opzettelijk een (bier)glas in/tegen

het gezicht te drukken/gooien/geslagen;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de nacht van 19 op 20 juni 2010 te Nijmegen,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer 1]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [slachtoffer 1]

een (bier)glas in/tegen het gezicht heeft gedrukt/gegooid/geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van 05/702581-10

hij op of omstreeks 15 juni 2010 te Nijmegen aan een persoon genaamd [slachtoffer 2]

, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel ((een)( snij)wond(en) in/op het

gezicht/hoofd en/of een scheur in de schedel), heeft toegebracht, door deze

opzettelijk met een fles op/tegen het hoofd/gezicht te slaan;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 15 juni 2010 te Nijmegen,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer 2]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die[slachtoffer 2]

met een fles op/tegen het hoofd/gezicht heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaken zijn op 22 september 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. E.R.T. Tromp, advocaat te Nijmegen.

Ter terechtzitting zijn de zaken van de officier van justitie in het arron¬dissement Arnhem, onder bovenstaande parketnummers bij afzonderlijke dagvaardingen aanhangig gemaakt, gevoegd.

Als benadeelde partij heeft [slachtoffer 1] zich schriftelijk in het geding gevoegd. De benadeelde partij is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.H.D. van Onna.

De officier van justitie, mr. A. van Veen, heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 05/702126-10 subsidiair en het onder 05/702581-10 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 275 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met de bijzondere voorwaarde zoals geformuleerd in het reclasseringsrapport, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht alsmede tot het verrichten van 180 uren werkstraf subsidiair 90 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 2.658,- wordt toegewezen en gevorderd dat een schade¬vergoe¬dings¬maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 36 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de bena¬deelde partij niet-ontvanke¬lijk zal worden verklaard in de vordering.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

05/702126-10

De feiten.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de nacht van 18 op 19 juni 2010 is [slachtoffer 1], in café [naam cafe] te Nijmegen met een bierglas in zijn gezicht geslagen. Direct nadat [slachtoffer 1] het glas in zijn gezicht kreeg had [slachtoffer 1] bloedende verwondingen in zijn gezicht nabij zijn linkeroog.

Verdachte bevond zich in de nacht van 18 op 19 juni 2010 in café [naam cafe] te Nijmegen.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de verklaring van aangever [slachtoffer 1] en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Op grond van deze verklaringen kan volgens de officier van justitie bewezen worden dat verdachte degene was die het feit heeft gepleegd.

Standpunt verdediging

Verdachte heeft ontkend degene te zijn geweest die aangever [slachtoffer 1] met een glas in het gezicht heeft geslagen.

De raadsvrouw van verdachte heeft het verweer gevoerd dat verdachte vrijgesproken moet worden van het tenlastegelegde nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die het feit heeft gepleegd. Alleen getuige [getuige 1] heeft verklaard het gebeuren gezien te hebben, maar zij noemt niet de naam van verdachte. Daar komt bij dat zowel verdachte als aangever heeft verklaard dat er die avond nog een andere Somalische man in het café aanwezig was.

Beoordeling rechtbank

Aangever [slachtoffer 1] heeft tijdens een spiegelconfrontatie verdachte herkend als degene die hem mishandeld heeft. Aangever heeft verklaard dat hij er honderd procent van overtuigd is dat verdachte de persoon is die hem heeft mishandeld omdat aangever verdachte al 10 jaar kent.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij die nacht van 18 op 19 juni 2010 werkte als barmedewerkster bij café [naam cafe] te Nijmegen. Ze zag twee Somalische mannen aan de bar zitten. Eén van hen was een vaste klant genaamd [verdachte]. [verdachte] had een glas in zijn hand. Ongeveer 2 tot 3 minuten later hoorde zij glas uit elkaar spatten. Toen ze meteen in de richting van het geluid keek zag ze dat de andere Somalische man bloed aan de linkerkant van zijn gezicht had en dat [verdachte] geen glas meer in zijn hand had. Er stond op dat moment geen ander persoon bij of tussen.

Verdachte heeft verklaard [getuige 2] te kennen.

De hiervoor genoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen hiervoor is weergegeven omtrent de vaststaande feiten acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die het bierglas in het gezicht van aangever heeft geslagen.

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen dat aangever hierdoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en zal verdachte derhalve van het primair tenlastegelegde vrijspreken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij omstreeks 19 juni 2010 te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [slachtoffer 1]

een (bier)glas in/tegen het gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

05/702581-10

De feiten.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte bevond zich op 15 juni 2010 op een parkeerplaats in Nijmegen in de aanwezigheid van [slachtoffer 2]. Verdachte had een fles bij zich.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op de verklaring van aangever die wordt ondersteund door twee getuigenverklaringen. Bovendien past de verklaring van verdachte niet bij het letsel dat bij aangever is geconstateerd.

Standpunt verdediging

Verdachte heeft verklaard dat hij de wijnfles die hij in de binnenzak van zijn jas had zitten, liet zien aan aangever, als een soort uitnodiging om dat samen te gaan drinken. Aangever bevond zich toen op de bestuurdersstoel van zijn auto en verdachte stond daarnaast in de deuropening. Volgens verdachte heeft aangever toen de fles aan de onderkant vastgepakt en heeft verdachte, die de fles bij de hals vasthad, de fles toen uit zijn handen getrokken. Als gevolg van die beweging heeft de fles aangever geraakt. De fles is toen kapot gegaan. Het betrof derhalve een ongeluk. Er stonden verder geen mensen bij het gebeuren. Op 10 meter afstand stonden wel mensen maar die hebben niet kunnen zien wat er gebeurd is omdat verdachte tussen aangever en die mensen in stond. Aangever en getuigen, die allemaal van eenzelfde Somalische stam afstammen, hebben hun verklaringen op elkaar afgestemd ten nadele van verdachte.

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken nu geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.

De raadsvrouw heeft ook ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde vrijspraak betoogd nu niet bewezen kan worden dat sprake was van voorwaardelijk opzet bij verdachte. Er was, gelet op de aannemelijke verklaring van verdachte, sprake van een ongeluk.

Beoordeling

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 15 juni 2010 met zijn auto naar een parkeerplaats aan de Neerbosscheweg in Nijmegen is gereden waar elke dag een aantal mannen van Somalische afkomst elkaar treft. Daar aangekomen is aangever uitgestapt en kwam [verdachte] naar hem toe. Plotseling stak [verdachte] zijn hand in een zak van zijn kleding en trok daar een fles uit. [verdachte] tilde de fles hoog boven zijn hoofd en sloeg aangever met kracht op zijn hoofd. Tien minuten later kwam aangever bij bewustzijn en zag de drie mannen die hij eerder op de parkeerplaats had zien staan, rond hem staan. Die drie mannen hebben alles zien gebeuren.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij op 15 juni 2010 op de parkeerplaats aan de Neerbosscheweg zat. Hij zat daar met nog 2 personen en op een gegeven moment kwam er nog een Somalische jongen aan die hij kent als [verdachte]. [slachtoffer 2] kwam aan met zijn auto, stapte uit en liep naar hen toe. Vervolgens liep [verdachte] naar [slachtoffer 2] en sloeg zonder aanleiding met een fles rode wijn op het hoofd van [slachtoffer 2].

Getuige[getuige 4]heeft verklaard dat hij op 15 juni 2010 op de plaats van de gebeurtenis was met nog twee Somalische mannen. Het slachtoffer wilde uitstappen uit zijn auto en Abdulkader pakte een fles en sloeg het slachtoffer op zijn hoofd.

De geneeskundige verklaring die is opgemaakt ten aanzien van het letsel van aangever vermeldt onder meer een snijwond op het voorhoofd van aangever.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat het letsel dat bij aangever is geconstateerd niet te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel en zal verdachte derhalve van het primair tenlastegelegde vrijspreken.

De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde, gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen. De verklaring van aangever wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen. De lezing die verdachte heeft gegeven van het gebeurde, acht de rechtbank onaannemelijk.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 15 juni 2010 te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die[slachtoffer 2]

met een fles op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van 05/702126-10 subsidiair en 05/702581-10 subsidiair, telkens:

Poging zware mishandeling

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 7 september 2010;

• een beknopt reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 13 augustus 2010, betreffende verdachte, en

• een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 7 september 2010, betreffende verdachte.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft aan zijn eis ten grondslag gelegd dat sprake is geweest van twee forse incidenten. Daarnaast heeft hij rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten alsook met de inhoud van het reclasseringsrapport van 7 september 2010.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte gelijk is aan de duur van het voorarrest met de bijzondere voorwaarde zoals genoemd in het reclasseringsrapport en verdachte daarnaast een voorwaardelijke werkstraf op te leggen. De verdediging heeft daarbij gewezen op het positieve beeld van verdachte zoals dat uit het reclasseringsrapport naar voren komt.

Beoordeling rechtbank

Verdachte heeft op twee dagen, kort na elkaar, twee mannen ogenschijnlijk zonder enige aanleiding mishandeld. Bij de één heeft verdachte volledig onverwacht een glas in het gezicht geslagen waardoor het slachtoffer snijwonden in zijn gezicht heeft opgelopen. De snijwonden bevinden zich net onder het oog van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft hierdoor niet alleen littekens opgelopen maar is sindsdien ook bang om alleen de stad in te gaan.

Verdachte heeft het andere slachtoffer volkomen onverwacht met een fles op het hoofd geslagen.

De rechtbank acht dit ernstige feiten met name nu deze kennelijk zonder enige aanleiding hebben plaats gevonden, zodat ook voor herhaling gevreesd moet worden.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke delicten.

In het reclasseringsrapport staat vermeld dat het beeld dat verdachte oproept, niet te rijmen is met de tenlasteleggingen. De reclassering heeft de situatie en persoon van verdachte besproken in aanwezigheid van een ervaren psycholoog en daarop een plan van aanpak gebaseerd. Dit houdt niet alleen in een verplichting voor de verdachte om vanaf 23 september 2010 deel te nemen aan de Woon- en Werktraining van Groot Batelaar maar ook een verplichting voor verdachte om zich te blijven melden bij de reclassering. De reclassering zal er op toezien dat verdachte de aanwijzingen van de Woon- en Werktraining opvolgt.

Gelet op dit gedegen plan van aanpak en het feit dat verdachte vanaf 23 september 2010 deel kon nemen aan de Woon- en Werktraining, heeft de rechtbank met ingang van die datum de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst. Hoewel het ernstige feiten betreft die in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigen is het onwenselijk om het ingezette traject thans te onderbreken. De rechtbank zal verdachte derhalve thans geen hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Al het voorgaande in aanmerking genomen acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden, met dien verstande dat het door de rechtbank berekende aantal door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen hoger uitkomt.

De rechtbank zal aan de voorwaarde¬lijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclasse¬ring en zal (blijven) deelnemen aan de Woon- en Werktraining van Groot Batelaar. Ook zal de rechtbank een meldingsgebod opnemen als bijzondere voorwaarde.

6a. De beoordeling van de civiele vorde¬ring, alsmede de gevor¬derde op¬legging van de schadevergoedings¬maat¬regel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vorde¬ring, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een bedrag van € 2.758,-.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen met uitzondering van het gevorderde bedrag betreffende schade aan kleding nu onduidelijk is of het bloed op de kleding het rechtstreekse gevolg is van het tenlastegelegde feit.

De verdediging heeft verzocht de vordering van de benadeelde ten aanzien van de immateriële schade als niet eenvoudig te beschouwen nu de benadeelde partij verdachte in elkaar heeft geslagen en er derhalve sprake is van eigen schuld. Ten aanzien van de schade aan de kleding heeft de verdediging zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

De raadsvrouw van de benadeelde heeft gepersisteerd bij de vordering. De raadsvrouw heeft aangegeven dat zich ten aanzien van de gevorderde schade aan de kleding in het dossier voldoende verklaringen bevinden die aangeven dat de wond van de benadeelde meteen na het handelen van verdachte bloedde. Uit de medische verklaring van verdachte blijkt niet dat verdachte gebloed heeft als gevolg van hetgeen er daarna is gebeurd.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw van de benadeelde aangegeven dat geen sprake is van eigen schuld. Het letsel van de benadeelde is ontstaan door een handelen van verdachte dat plaatsvond in het café. Dat er daarná buiten nog iets is gebeurd, staat daar los van.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade oordeelt de rechtbank als volgt.

Vast staat dat de benadeelde als gevolg van het handelen van verdachte snijwonden in het gezicht heeft opgelopen. Dit gebeurde binnen, in het café. Dat er daarna, buiten het café, nog een schermutseling tussen beiden heeft plaats gevonden, staat daar los van. Het verweer van de verdediging ten aanzien van eigen schuld wordt derhalve verworpen.

De rechtbank acht voldoende bewezen dat de benadeelde door hetgeen hem is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat hij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. Gelet op het letsel dat bij hem is ontstaan en de gevolgen die dit nog steeds voor hem heeft, acht de rechtbank de gevorderde immateriële schade van € 2.500,- toewijsbaar.

Ten aanzien van het bedrag dat wordt gevorderd ten behoeve van kleding waar bloed op is gekomen oordeelt de rechtbank als volgt.

Uit het dossier volgt dat de snijwonden die de benadeelde door het handelen van verdachte heeft opgelopen, bloedden. In het dossier bevindt zich ook een medische verklaring over het letsel van de verdachte dat hij daarná heeft opgelopen. Daarin wordt niet vermeld dat de verdachte als gevolg daarvan heeft gebloed. Evenmin blijkt dit uit enige getuigenverklaring.

Derhalve oordeelt de rechtbank dat dit deel van de vordering rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde. De vordering is voldoende onderbouwd en de rechtbank zal deze voor het gevorderde bedrag van € 100,- toewijzen.

De gevorderde eigen bijdrage van € 158,- ten aanzien van kosten rechtsbijstand is niet betwist, voldoende met stukken onderbouwd en gegrond en zal de rechtbank derhalve in zijn geheel toewijzen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de onder 05/702126-10 primair en de onder 05/702581-10 primair tenlastegelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 277 (tweehonderdzevenenzeventig) dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 180 (honderdtachtig) dagen niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

- Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en

aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven;

- Veroordeelde dient deel te nemen aan de Woon- en Werktraining van Groot Batelaar te Ede, zo lang de reclassering dat in overleg met de Woon- en Werktraining nodig acht;

- Veroordeelde dient zich binnen 14 dagen na de uitspraak te melden bij de reclassering van het Leger des Heils te Arnhem, Frombergstraat 1, tel. 026-4430146. Hierna dient veroordeelde zich gedurende door de reclassering Leger des Heils bepaalde perioden te blijven melden zo frequent als zij dat gedurende deze perioden nodig acht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer¬legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

En voorts tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 180 (honderdtachtig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 90 (negentig) dagen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 1] te betalen € 2.758,- (zegge tweeduizendzevenhonderdachtenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2010.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 2.758,-, subsidiair 37 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen € 2.758,- (zegge tweeduizendzevenhonderdachtenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2010, bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 37 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Heft op het, inmiddels geschorste, bevel tot voorlopige hechtenis van veroordeelde voornoemd.

Aldus gewezen door:

mr. M.A.E. Somsen, rechter als voorzitter,

mr. J.M. Hamaker, rechter,

mr. P.C. Quak, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 oktober 2010.