Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN8196

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
24-09-2010
Zaaknummer
09/2864
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak in de procedure AWB 09/2864, zie ook LJN: BN8197 voor de einduitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/2864

tussenuitspraak ingevolge artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 20 mei 2010.

inzake

[Eisers], eisers,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. E.R. Koster, gemachtigde,

tegen

het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Rivierenland, verweerder,

alsmede

de besloten vennootschap Bouwfonds Ontwikkeling B.V., partij ex artikel 8:26 van de Awb,

gevestigd te Hoevelaken, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 2 juni 2009, verzonden op 12 juni 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2008 heeft verweerder, onder het stellen van voorschriften, aan Bouwfonds MAB Ontwikkeling B.V. (in de beroepsfase opgevolgd door Bouwfonds Ontwikkeling B.V., verder: ontheffinghouder) ontheffing verleend van de in de Keur voor waterkeringen en wateren van waterschap Rivierenland (hierna: de Keur) gestelde verbodsbepalingen voor het bouwrijp maken van het uitbreidingsplan Ringkade te Beneden-Leeuwen (verder: het plan Ringkade).

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder – voor zover thans van belang – het daartegen door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit in zoverre gehandhaafd.

Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.

Naar de door partijen ingebrachte stukken, waaronder het verweerschrift, wordt hier kortheidshalve verwezen.

Bij schrijven van 4 augustus 2009 heeft ontheffinghouder zich gesteld als partij in het geding.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 29 maart 2010. Namens eisers is aldaar verschenen [naam], bijgestaan door mr. Koster voornoemd, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.G.P.M. van de Mortel, H. Stok en C. Joosten, allen werkzaam bij verweerders waterschap. Namens ontheffinghouder is verschenen mr. Ellerman voornoemd.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank op grond van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek heropend.

3. Overwegingen

Standpunten van partijen

3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aan ontheffinghouder verleende ontheffing van de verbodsbepalingen in de Keur voor

- het lozen van hemelwater van nieuw verhard oppervlak en ter compensatie het aanleggen van twee wadi’s;

- het dempen van een C-watergang en ter vervanging daarvan het aanleggen van een grindkoffer met drain;

- het graven van een nieuwe A-watergang;

- het plaatsen van een duikerconstructie tussen de nieuw te graven A-watergang en aan te leggen wadi;

- het plaatsen van een infrastructurele duiker tussen de twee nieuw te graven wadi’s;

- het leggen van drainage, leidingen, kabel, rioleringen, cunetten, ophogingen en andere bijbehorende werken binnen de beschermingszone van de waterkering en watergangen ter plaatse van de Ringkade, Oosterpas en Waalbanddijk te Beneden-Leeuwen,

gehandhaafd (hierna: de ontheffing).

Aan het bestreden besluit is onder meer ten grondslag gelegd dat het plan Ringkade waterbalansneutraal wordt aangelegd, hetgeen betekent dat de toekomstige waterafvoer vanuit het plangebied op het watersysteem overeenkomt met de afvoernorm voor landelijk gebied, te weten 1,5 liter per seconde per hectare. Verweerder heeft hierbij verwezen naar zijn vigerende beleid. De van de ontheffing deel uitmakende grindkoffer met drain heeft tot doel de opvang van afstromend hemelwater, alsmede de opvang en afvoer van het grondwater, dat via het dijklichaam ondergronds naar de te dempen C-watergang wegloopt. Volgens verweerder is de grindkoffer dusdanig ontworpen dat er geen verslechtering ten opzichte van de huidige situatie zal ontstaan.

3.2 Eisers kunnen zich met het bestreden besluit niet verenigen. Op de door hen daartoe aangevoerde gronden zal de rechtbank hierna, waar nodig, nader ingaan.

Wettelijk kader

3.3 De rechtbank stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Keur, zoals die luidde ten tijde van belang.

3.4 Ingevolge artikel 15, aanhef en onder a en b, van de Keur is het, tenzij anders door verweerder is bepaald, verboden:

in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken werkzaamheden te verrichten;

in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken werken of (opgaande hout-) beplantingen aan te brengen, of te hebben.

Ingevolge artikel 15a van de Keur is het verboden waterkeringen en wateren (met inbegrip van de daarin gelegen en daartoe ten dienste staande kunstwerken) te graven of aan te leggen met als oogmerk deze te verbinden met bestaande waterstaatswerken.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Keur, kan – voor zover hier van belang – van deze verbodsbepalingen vrijstelling dan wel ontheffing verleend worden.

Ingevolge artikel 19a van de Keur is het verboden, zonder ontheffing, hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak op een water te lozen.

Procesbelang

3.5 Ontheffinghouder heeft gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 september 2009 waarbij het beroep tegen goedkeuring van het bestemmingsplan dat de bouw van het plan Ringkade mogelijk maakt, ongegrond is verklaard. Ontheffinghouder heeft betoogd dat, nu in deze uitspraak onder meer is overwogen dat de bestemmingen in elk geval een adequate waterhuishouding mogelijk maken, niet valt in te zien dat eisers nog belang hebben bij een rechterlijke beoordeling van het onderhavige beroep.

De rechtbank volgt ontheffinghouder hierin niet, reeds omdat in die procedure niet de thans in geding zijnde ontheffing van de keur is getoetst, doch uitsluitend of op voorhand vaststaat dat de Keur aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat.

Beoordeling van de beroepsgronden

3.6 De rechtbank stelt voorop dat verweerder is belast met de waterstaatkundige verzorging van zijn beheersgebied en dat hem bij het verlenen van ontheffing van de Keur een grote mate van beleidsvrijheid toekomt. De toepasselijke bepalingen van de Keur beogen het bestaande waterstaatkundige systeem in stand te houden en te beschermen. Verbetering van de waterhuishouding is geen criterium waaraan de aanvraag om ontheffing moest worden getoetst.

Ophoging van de tuin

3.7 Eisers hebben gesteld dat door ontheffinghouder is voorgesteld hun tuin op te hogen. Zij hebben aangevoerd dat daarbij niet kan worden volstaan met het enkel storten van aarde in de tuin, maar dat aangesloten dient te worden bij de door een hovenier voorgestelde oplossing voor de situatie in de tuin.

De rechtbank overweegt dat verweerder de ophoging van de bestaande tuinen van omwonenden niet als waterhuishoudkundige eis voor de ontheffing heeft gesteld. Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden betoogd dat verweerder de ontheffing niet had mogen verlenen zonder ophoging van de tuin van eisers daarbij als voorwaarde te stellen. Niet gebleken is dat het ontbreken van een dergelijke voorwaarde in de ontheffing meebrengt dat door de geplande werken het plan Ringkade niet waterbalansneutraal wordt aangelegd.

Uit het vorenstaande volgt dat het voorstel van ontheffinghouder in dit verband niet meer is dan een onverplicht aanbod.

Grindkoffer

3.8 Onderdeel van de ontheffing vormt de aanleg van een grindkoffer met drain. De rechtbank stelt vast dat in de ontheffing geen voorschriften zijn opgenomen met betrekking tot de feitelijke uitvoering van de grindkoffer.

De rechtbank ziet aanleiding het door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) uitgebrachte deskundigenbericht van 10 maart 2009 op dit punt bij haar beoordeling te betrekken. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de bovenkant van de grindkoffer hoger zal komen te liggen dan het laagste punt van het perceel van eisers, zodat zonder ophoging van het perceel van eisers het water op hun perceel uitsluitend zal worden afgevoerd indien dit aan de zijkant in de grindkoffer kan infiltreren. Volgens de deskundige van de StAB is infiltratie van water aan de zijkant van de grindkoffer mogelijk als deze kant doorlatend en niet gesloten wordt uitgevoerd. De van de ontheffing deel uitmakende kaarten van de grindkoffer en de inrichting ervan geven geen inzicht in de uiteindelijke uitvoering van de grindkoffer, aldus de deskundige.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten specifieke voorschriften omtrent de uitvoering van de grindkoffer te verbinden aan de ontheffing. Uit het deskundigenbericht blijkt immers dat door het genoemde hoogteverschil de feitelijke uitvoering van de grindkoffer bepalend is of met name ten aanzien van het perceel van eisers geen meer dan te dulden verslechtering ten opzichte van de huidige situatie zal ontstaan.

3.9 De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen voor het dempen van de C-watergang en het ter vervanging daarvan aanleggen van een grindkoffer met drain. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende deugdelijk gemotiveerd en om die reden genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dat namens ontheffinghouder ter zitting van de rechtbank is verklaard dat – ondanks het ontbreken van voorschriften omtrent de uitvoering – in de opdracht aan de aannemer voor de aanleg van de grindkoffer rekening is gehouden met de hierboven aangehaalde bevindingen van het deskundigenbericht doet daar niet aan af, reeds omdat eisers belang hebben bij handhaving van de ontheffing.

3.10 In de ontheffing is opgenomen dat de gemeente verantwoordelijk is voor het onderhoud aan de grindkoffer. De stelling van eisers dat de gemeente deze verantwoordelijkheid afwijst, wat daar ook van zij, kan niet afdoen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Indien het onderhoud onvoldoende zou worden uitgevoerd, kunnen eisers om handhaving van de ontheffing verzoeken bij verweerder.

De stelling dat de grindkoffer niet slechts ten behoeve van het perceel van eisers wordt aangelegd – hetgeen door verweerder ook wordt erkend – kan evenmin afdoen aan het bestreden besluit.

Schade

3.11 Eisers hebben voorts gesteld dat verweerder niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, daar er door de grindkoffer schade aan de bomen en planten in hun tuin zal ontstaan.

Verweerder heeft dit niet aannemelijk geacht. In het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt ingenomen dat klei water vasthoudt, terwijl grind dat niet kan en daarom grind in drogere tijden geen aanzuigende werking zal hebben ten nadele van de bomen en planten van eisers.

Eisers hebben dit niet bestreden met een deskundig tegenadvies. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat eisers hun stelling dat zij evenwel schade zullen leiden onvoldoende hebben onderbouwd, zodat hierin geen grond is gelegen het bestreden besluit voor onjuist te houden. Dit geldt evenzeer voor de door eisers gestelde schade die zou kunnen ontstaan aan de fundering van hun huis.

Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat eventuele schade die tijdens de uitvoering van de werkzaamheden ontstaat privaatrechtelijk van aard is.

Bestuurlijke lus

3.12 Ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Zoals in 3.9 is overwogen, kleeft naar het oordeel van de rechtbank aan het bestreden besluit een gebrek.

3.13 De rechtbank ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding verweerder onder toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen bovengenoemde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Concreet betekent dit dat verweerder dient te motiveren welke specifieke voorschriften omtrent de uitvoering van de grindkoffer worden verbonden aan de ontheffing.

De rechtbank zal de termijn waarbinnen verweerder in de gelegenheid wordt gesteld om het aan het bestreden besluit klevende gebrek te herstellen bepalen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

Indien verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen of de termijn die daarvoor is bepaald ongebruikt is verstreken, zal de rechtbank met inachtneming van artikel 8:57, tweede lid, van de Awb, het onderzoek sluiten en uitspraak doen zonder nadere zitting. In de overige in dit artikel genoemde gevallen kan de rechtbank bepalen dat een nadere zitting achterwege blijft.

De rechtbank neemt thans geen beslissing over de vergoeding van het betaalde griffierecht en de gemaakte proceskosten. Zij wacht hiermee tot de einduitspraak op het beroep.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak te motiveren welke specifieke voorschriften omtrent de uitvoering van de grindkoffer worden verbonden aan de ontheffing;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven door mrs. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, als voorzitter, S.W. van Osch-Leysma en J.A. van Schagen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 20 mei 2010.

Hoger beroep tegen deze tussenuitspraak kan alleen tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de einduitspraak worden ingesteld.

Verzonden op: 20 mei 2010.