Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN7349

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
20-09-2010
Zaaknummer
193105
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 217 Rv. kan een ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding vorderen zich daarin te mogen voegen. De Gemeente Beuningen heeft een dergelijk belang vanwege de mogelijkheid dat de beslissing in de hoofdzaak gevolgen heeft voor het oordeel van de bestuursrechter over de vraag of de Gemeente Beuningen gehouden is tot vergoeding van planschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/417

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 193105 / HA ZA 09-2156

Vonnis in incident tot voeging van 18 augustus 2010

in de zaak van

[eisers],

eisers in conventie in de hoofdzaak,

verweerders in reconventie in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. J.W.H.M. Koers te Weurt,

tegen

[gedaagden],

gedaagden in conventie in de hoofdzaak,

eisers in reconventie in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. H.J. van Kaauwen te Beuningen

en

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BEUNINGEN,

zetelend te Beuningen,

eiseres in het incident,

advocaat mr. T.E.P.A. Lam te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] en [eiser sub 2], [gedaagde sub 1] en haar vennoten en [gemeente] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 28 april 2010, waarin een comparitie is gelast die niet is doorgegaan

- de incidentele conclusie tot voeging

- de incidentele conclusie van antwoord van [eiser sub 1] en [eiser sub 2]

- de incidentele conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] en haar vennoten

- de akte houdende overlegging van een productie van de zijde van de [gemeente].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat [eiser sub 1] op 9 april 2010 is overleden. Nu het geding niet is geschorst, zal het worden voortgezet op naam van mr. [eiser sub 1] (artikel 225 Rv. leden 1 en 2).

2.2. De [gemeente] heeft gevorderd dat haar wordt toegestaan zich in de hoofdzaak aan de zijde van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te voegen. Zij heeft daartoe het volgende gesteld.

2.2.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en [gedaagde sub 1] en haar vennoten zijn buren. Zij hebben een geschil over de exploitatie van [eiser sub 1]. Dat geschil gaat over geluidsoverlast en in verband daarmee over het gebruik van ‘de deel’ van [eiser sub 1] als feestzaal. Na bestuursrechtelijke procedures heeft de [gemeente] het ‘bestemmingsplan buitengebied herziening [gedaagde sub 1] d.d. 2 november 2004’ opgesteld. Daarin heeft de deel een horecabestemming gekregen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben daartegen bezwaar gemaakt.

2.2.2. De partijen in de hoofdzaak zijn in overleg getreden en hebben in juni 2005 een oplossing voor hun geschil bereikt. Deze is vastgelegd in een overeenkomst, door partijen ‘convenant’ genoemd. De [gemeente] is geen partij bij het convenant, maar het is wel met medeweten van de [gemeente] opgesteld. De partijen zijn overeengekomen dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hun bezwaar tegen het bestemmingsplan intrekken en dat [gedaagde sub 1] en haar vennoten niet alleen maatregelen nemen om geluidsoverlast voor [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te beperken, maar bovendien ‘bij wijze van niet nader te motiveren tegemoetkoming’ een perceel gelegen te [woonplaats] groot 1.11.42 ha, tegen betaling van € 15.000,- kosten koper aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] overdragen. Het bedrag van € 15.000,- ligt ver beneden de marktprijs.

2.2.3. Op 9 december 2008 heeft [eiser sub 1] bij de [gemeente] een aanvraag tot vergoeding van planschade ingediend van € 50.000,- in verband met het bestemmingsplan van 2 november 2004. De [gemeente] heeft die aanvraag afgewezen en het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Daartoe heeft de [gemeente] overwogen dat vergoeding van eventuele planschade ‘anderszins is verzekerd’ in de zin van artikel 49 WRO (oud) omdat [eiser sub 1] aanspraak kan maken op levering van het perceel van [gedaagde sub 1] en haar vennoten voor een bedrag van € 15.000,-. [eiser sub 1] is van die beslissing op bezwaar in beroep gegaan bij de bestuursrechter.

2.2.4. [gedaagde sub 1] en haar vennoten hebben het perceel tot op heden niet aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] overgedragen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen in de hoofdzaak nakoming van de afspraak tot overdracht van het perceel. De [gemeente] betoogt nu dat zij belang heeft bij toewijzing van deze vordering van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] omdat zij bij afwijzing daarvan alsnog aanspraak zouden kunnen maken op vergoeding van planschade.

2.3. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

2.4. [gedaagde sub 1] en haar vennoten hebben zich tegen voeging verzet. Daartoe hebben zij het volgende aangevoerd. Bij afwijzing van de vordering van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de hoofdzaak wordt de [gemeente] niet benadeeld en zij verliest daardoor niet een haar toekomend recht. Volgens [gedaagde sub 1] en haar vennoten heeft de [gemeente] zelf planschade veroorzaakt door de deel een horecabestemming te geven, wetende dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aanspraak op vergoeding daarvan zouden kunnen maken. Daarom wordt de [gemeente] volgens [gedaagde sub 1] en haar vennoten bij afwijzing van de vordering in de hoofdzaak niet benadeeld, maar loopt zij in dat geval hooguit een voordeel mis. Bovendien staat volgens [gedaagde sub 1] en haar vennoten niet vast dat de bestuursrechter de [gemeente] tot vergoeding van planschade zal veroordelen. [gedaagde sub 1] en haar vennoten betogen voorts dat de afspraak over de overdracht van de grond was bedoeld als vergoeding van toen reeds geleden schade en dus niet van in de toekomst te lijden planschade. Ten slotte betogen zij meer in het algemeen dat interventie slechts een ordemaatregel is uit overwegingen van doelmatigheid, die in het onderhavige geval door voeging niet wordt bevorderd.

2.5. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op grond van artikel 217 Rv. kan een ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding vorderen zich daarin te mogen voegen. De [gemeente] heeft een dergelijk belang vanwege de mogelijkheid dat de beslissing in de hoofdzaak gevolgen heeft voor het oordeel van de bestuursrechter over de vraag of de [gemeente] gehouden is tot vergoeding van planschade aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2]. Dat er in het geheel geen planschade was ontstaan als de [gemeente] de deel van [eiser sub 1] geen horecabestemming had gegeven, kan daar niet aan afdoen. In het onderhavige incident kan voorts niet worden beoordeeld hoe de partijen bij het convenant de afspraak tot overdracht van het perceel hebben bedoeld en evenmin welke betekenis de bestuursrechter in het kader van de beroepsprocedure aan die afspraak zou moeten toekennen. De conclusie is dat de vordering tot voeging zal worden toegewezen.

2.6. De [gemeente] heeft in haar incidentele conclusie tot voeging de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in conventie en die van [gedaagde sub 1] en haar vennoten in reconventie inhoudelijk behandeld. [gedaagde sub 1] en haar vennoten zullen in de gelegenheid worden gesteld daarop bij akte te reageren. Zij moeten die akte uiterlijk twee weken voor aanvang van de comparitie toezenden aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2], aan de [gemeente] en aan de rechtbank.

2.7. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3. De beoordeling in de hoofdzaak

3.1. De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

3.2. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben de gelegenheid de conclusie van antwoord in reconventie ter comparitie te nemen. Zij moeten een schriftelijke conclusie uiterlijk twee weken voor aanvang van de comparitie toezenden. Na de comparitie kan deze conclusie niet meer genomen worden.

3.3. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

3.4. De partijen wordt verzocht de stukken waarop zij tijdens de comparitie een beroep willen doen, uiterlijk twee weken tevoren in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toe te zenden.

3.5. De partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1. staat de [gemeente] toe zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van [eiser sub 1] en [eiser sub 2],

4.2. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak

4.3. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. S.C.P. Giesen in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op vrijdag 5 november 2010 van 12:00 tot 14:00 uur,

4.4. bepaalt dat [eiser sub 2], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat [gedaagde sub 1] en [gemeente] dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

4.5. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl) - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen op vrijdagen in de drie maanden volgend op de datum waarop nadere dag- en uurbepaling wordt verzocht;

4.6. bepaalt dat de in de overwegingen genoemde stukken uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en aan de wederpartijen moeten zijn toegestuurd,

4.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2010.

coll.: CLB