Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN6890

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-08-2010
Datum publicatie
14-09-2010
Zaaknummer
202750
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil tussen in echtscheiding verwikkelde echtelieden over hun maatschapovereenkomst.

Vraag is op welk bedrag per maand ten laste van het exploitatieresultaat eiseres ingevolge afspraak recht heeft. Precieze afspraken tussen partijen niet in kort geding vast te stellen. Wel wordt voor de toekomst een maandelijks voorschot op het winstaandeel van eiseres vastgesteld, totdat maatschap is beëindigd en vereffend, dan wel tot alimentatieplicht gedaagde in rechte is vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7A
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1670
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/87

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 202750 / KG ZA 10-450

Vonnis in kort geding van 6 augustus 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. L.M.M. van der Weerden te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. H.E. Meijwes te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de producties van [gedaagde]

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres], tevens houdende wijziging van eis

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] en [gedaagde] zijn op 12 september 1986 te Ede met elkaar gehuwd. Zij zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden, in hoofdlijnen inhoudende een koude uitsluiting met een periodiek verrekenbeding en een wettelijk deelgenootschap op grond waarvan partijen aan het einde van het huwelijk moeten afrekenen alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd.

2.2. Op 5 juni 1997 zijn [eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst van maatschap aangegaan, ingaande op 1 januari 1997. In deze maatschap wordt een huisartsenpraktijk uitgeoefend, waarbij [gedaagde] de werkzaamheden behorende tot die van huisarts verricht en [eiseres] alle bijkomende en ondersteunende werkzaamheden verricht. In de overeenkomst van maatschap is onder meer het volgende bepaald:

Doel

Artikel 1

De maatschap heeft ten doel het gezamenlijk en voor gemeenschappelijke rekening uitoefenen van een huisartsenpraktijk met al hetgeen daartoe in de ruimste zin behoort.

Winstverdeling

Artikel 8

1. Van het exploitatieresultaat, zoals dat is behaald blijkens de balans en winst- en verliesrekening, opgemaakt volgens artikel 7, wordt aan elk van de vennoten allereerst een jaarlijks vast te stellen rentepercentage vergoed, respectievelijk in rekening gebracht, over het positieve, respectievelijk negatieve saldo van zijn kapitaalrekening per de aanvang van het desbetreffende boekjaar. Vervolgens wordt van het in dit lid genoemde exploitatieresultaat aan vennoten een in onderling overleg vast te stellen ondernemersbeloning toegekend. Deze ondernemersbeloning kan jaarlijks worden gewijzigd.

2. Exploitatieresultaten welke resteren nadat de in het eerste lid vermelde vergoedingen zijn toegepast en liquidatieresultaten welke zijn behaald ingevolge de artikelen 13 en 14, zullen door de vennoten als volgt worden genoten of gedragen:

vennoot sub 1: 50 procent

vennoot sub 2: 50 procent

Privé-opnamen

Artikel 9

1. Ieder van de vennoten heeft het recht om per maand/week een in onderling overleg vast te stellen bedrag te eigen behoeve uit de kas van de maatschap op te nemen, ten laste van zijn aandeel in het exploitatieresultaat.

Einde van de maatschap

Artikel 11

De maatschap eindigt ingeval van:

(…)

f. echtscheiding/scheiding van tafel en bed - tenzij de vennoten vooraf schriftelijk anders

overeenkomen - per de datum waarop het vonnis tot echtscheiding casu quo tot scheiding

van tafel en bed tussen de vennoten wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke

stand.

Wanneer de echtscheidingsprocedure wordt gestart, gaan de bevoegdheden naar degene,

die de onderneming voortzet.

Einde van de maatschap met recht van voortzetting

Artikel 12

(…)

3. In het geval genoemd in artikel 11, sub f wordt in onderling overleg overeengekomen wie

de onderneming voortzet.

2.3. Wegens een duurzame ontwrichting van het huwelijk heeft [gedaagde] medio 2009 een verzoekschrift tot echtscheiding doen indienen bij de rechtbank Arnhem. Tot op heden is de echtscheiding tussen partijen niet uitgesproken.

2.4. In onderling overleg hebben [eiseres] en [gedaagde] ex artikel 12 lid 3 van de overeenkomst van maatschap besloten dat [gedaagde] de onderneming zal voortzetten en dat [eiseres] geen werkzaamheden meer voor de maatschap zal verrichten.

2.5. Bij brief van 21 april 2010 heeft de advocaat van [eiseres] onder meer het volgende aan [gedaagde] bericht:

Gelet op de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen u en cliënte is het weliswaar zo

dat de echtscheidingsprocedure aanhangig is, doch is van voornoemde inschrijving van een

rechtelijke beschikking (nog) geen sprake. In navolging daarvan staat vast dat de

verbintenissen die volgen uit de overeenkomst van maatschap onverkort van kracht zijn op

u en cliënte.

In navolging daarvan heeft cliënte zolang de overeenkomst van maatschap voortduurt recht

op periodieke uitkeringen c.q. onttrekkingen die zij in deze altijd heeft genoten. Specifiek

gaat het daarbij om zogenaamde privé onttrekkingen ad € 2.500,-- netto per maand,

alsmede een voorschot op gemiddelde uit te keren winst per jaar ad € 5.000,-- per maand.

Ondanks het feit dat cliënte recht heeft op voornoemde bedragen, heeft zij moeten

bemerken dat u iedere vergoeding aan haar uit hoofde van de overeenkomst tot maatschap

onthoudt. De grondslag daarvoor is cliënte niet duidelijk, doch uit het voorgaande volgt

dat u daarmee in strijd handelt met de bepalingen van de overeenkomst van maatschap die,

zoals gezegd, onverkort van kracht zijn. Nu artikel 11 lid f van de overeenkomst van

maatschap – voornoemd – nog niet is geëffectueerd, is het ook niet zo dat u als enige

bevoegd bent om namens de maatschap te handelen. Deze bevoegdheid komt cliënte

evengoed nog toe.

Aldus staat het u ook niet vrij om gelden die toebehoren aan het vermogen van de

maatschap op een privé-rekening te houden, waartoe enkel u toegang heeft. Alle gelden die

behoren tot het vermogen van de maatschap zullen ter vrije beschikking van zowel u als

cliënte dienen te blijven.

Met inachtneming van het voorgaande dien ik u te verzoeken, voor zover de wet eist te

sommeren, om binnen 3 dagen na dagtekening van deze brief over te gaan tot betaling van

de achterstallige uitkeringen aan cliënte, totaal ad € 22.500,--, alsmede tot het vrijgeven

van het beheer van de gelden behorend tot het vermogen van de maatschap.

2.6. Bij brief van 7 juli 2010 heeft de advocaat van [eiseres] onder meer het volgende aan de advocaat van [gedaagde] bericht:

De handelwijze van uw cliënt heeft bovendien tot gevolg dat cliënte niet in staat wordt

gesteld om te beschikken over (haar aandeel in) het maatschapsvermogen. Dit levert

zonder meer een strijdigheid op met artikel 9 van de maatschapsovereenkomst. Feit is dat

cliënte, gelet op de jaarrekeningen over de afgelopen jaren gemiddeld € 80.158,66 aan

privé-opnamen deed. Deze opnamen strekten weliswaar in mindering op het aandeel van

cliënte in het resultaat, doch met inachtneming van die opnamen, alsmede de haar

toekomende rentevergoedingen en arbeidsvergoedingen, resteerde nog een gemiddelde

overwinst van meer dan € 70.000,-- per jaar.

Nu cliënte in het geheel geen inkomsten meer geniet uit de onderneming terwijl zij op grond

van de bestendige lijn van eerdere privé-opnamen uit voorgaande jaren recht heeft op een inkomen uit de onderneming bestaande uit maandelijkse privé-opnamen gemiddeld ad

€ 6.669,89 met een minimum van € 2.500,-- (die de eerste maanden van het jaar ook aan cliënte zijn betaald) heeft cliënte inmiddels recht op en belang bij voorlopige voorzieningen ex artikel 254 Rv.

2.7. Bij de stukken bevindt zich een aan [gedaagde] gerichte brief van 26 juli 2010 van de accountant van de maatschap, de heer J.H. de Groot van Accountants en belastingadviseurs Onderweegs & De Groot. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

Op uw verzoek hebben wij de gevraagde verhoogde voorschot van de winst van € 6.679,89 en € 2.500 per maand beoordeeld ten behoeve van uw ex partner.

In onze berekening zijn wij uitgegaan van een winstaandeel in de onderneming van

€ 170.000 per jaar.

Hiervan dient u de volgende kosten te betalen:

Arbeidsongeschiktheidsverzekering € 19.000

Hypotheekrente € 8.000

Privé gebruik auto, energie etc. € 19.500

Zorgverzekeringspremie € 2.900

Overige verzekeringen € 7.500

---------

Totaal € 56.900

Over bovengenoemd inkomen van € 170.000 dient u na aftrek van zelfstandigenaftrek en

MKB winstvrijstelling en overige aftrekposten, aan Inkomstenbelasting te betalen € 3.671

en aan premie Zorgverzekeringswet € 1.642.

Door uw ex partner wordt een voorschot van de winst gevraagd van € 110.000 per jaar.

Als wij bovengenoemde bedragen resumeren ontstaat de volgende opstelling:

Inkomen uit onderneming € 170.000

Verschuldigde kosten € 56.900

Inkomstenbelasting € 3.671

Premie Zorgverzekeringswet € 1.642

-----------

€ 62.213

------------

Over voor privé bestedingen € 107.687

Gevraagde voorschot van de winst € 110.000

------------

Tekort € 2.313

------------

Uit bovenstaande opstelling blijkt dat u bij een voorschot van de winst van € 110.000 per

jaar een bedrag tekort komt van € 2.313, waarbij nog geen rekening is gehouden met de

privé uitgaven die uzelf moet doen.

Wij komen tot de conclusie dat bovenstaande voorschot van de winst niet in verhouding

staat tot het inkomen dat door u wordt genoten. Daarnaast dient ook rekening te worden

gehouden met de door u te betalen kosten.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert na wijziging van eis dat:

I

[gedaagde] wordt veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] een bedrag te betalen van € 28.185,23, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der verschuldigdheid, dan wel vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening,

II

[gedaagde] wordt veroordeeld om met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis, nu en in de toekomst, totdat de maatschap is beëindigd en vereffend, dan wel totdat de alimentatieplicht zijdens [gedaagde] in rechte is vastgesteld, maandelijks op de eerste dag van iedere maand aan [eiseres] te betalen een bedrag van primair € 6.679,89, subsidiair

€ 3.500,00, althans een maandelijks bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie rechtens voorkomt,

III

[gedaagde] op straffe van een dwangsom wordt geboden om met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis, nu en in de toekomst, totdat de maatschap is beëindigd, vereffend of geliquideerd, [eiseres] de volledige inzage te verschaffen in het beheer van de gelden die behoren tot het vermogen van de maatschap, met de verplichting om maandelijks rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer over het vermogen van de maatschap,

IV

[gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.

3.2. [eiseres] legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. [gedaagde] heeft zonder

overleg met [eiseres] het beheer van de gelden van de maatschap volledig aan het zicht van [eiseres] onttrokken door deze gelden op een rekening te plaatsen die enkel ten gunste van [gedaagde] wordt gehouden. Niet alleen heeft [eiseres] daardoor geen enkel inzicht meer in de onderneming, die nog altijd ook voor haar rekening wordt uitgeoefend, maar bovendien moet zij inkomsten uit de onderneming ontberen waarop zij op grond van de overeenkomst van maatschap periodiek recht heeft. Op grond van artikel 9 van de overeenkomst van maatschap heeft [eiseres] er immers recht op om maandelijks een bedrag op te nemen uit de kas van de maatschap, ten laste van haar aandeel in het exploitatieresultaat. [gedaagde] schiet volgens [eiseres] aldus toerekenbaar tekort in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen, hetgeen tevens een onrechtmatige daad oplevert. Blijkens de jaarrekeningen heeft [eiseres] over de drie voorafgaande jaren gemiddeld een bedrag van

€ 80.158,67 ten titel van privé-opnamen als inkomsten uit de onderneming betaald gekregen, zodat zij thans recht heeft op een bedrag van € 6.679,89 per maand. Dit bedrag wordt dan ook primair door [eiseres] gevorderd. Subsidiair vordert [eiseres] betaling van een maandelijks bedrag van € 3.500,00, nu als gevolg van onderling overleg tussen partijen [gedaagde] de laatste maanden van 2009 een dergelijk bedrag maandelijks aan [eiseres] heeft betaald. Daarnaast heeft [gedaagde] volgens eigen opgaven tot en met juli 2010 een bedrag aan [eiseres] betaald van € 18.574,00, zijnde een gemiddeld (bruto) maandbedrag van

€ 2.653,00. Wanneer het achterstallige voorschot over de maanden januari tot en met juli 2010 (7 x € 6.679,89 = € 46.759,23) met dit bedrag wordt verminderd, resteert een verschuldigd bedrag van € 28.185,23 aan achterstallig voorschot. Met het oog op de eindafrekening die nog moet volgen in het kader van de vereffening van de maatschap, heeft [eiseres] er ten slotte veel belang bij dat [gedaagde] iedere maand rekening en verantwoording aflegt over het door hem gevoerde beheer, waartoe in ieder geval behoort het maandelijks verstrekken van alle bankafschriften.

3.3. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening zoals gevorderd.

4.2. Voorop wordt gesteld dat - zoals bij de mondelinge behandeling met de partijen onder ogen is gezien - de vorderingen van [eiseres] onder 3.1 sub I en II strekken tot verkrijging van een aandeel in het exploitatieresultaat (de winst) van de onderneming, op basis van de overeenkomst van maatschap. Het gaat in dit kort geding derhalve niet om de verdeling van het maatschapvermogen of om het doen van opnamen ten laste van het maatschapvermogen. Evenmin gaat het om het vaststellen van een alimentatieverplichting aan de zijde van [gedaagde].

4.3. Uitgangspunt is dat, hoewel alle bevoegdheden met betrekking tot de maatschap verder alleen door [gedaagde] - als degene die de onderneming voortzet - worden uitgeoefend, op grond van de overeenkomst van maatschap de maatschap blijft bestaan totdat de echtscheidingsbeschikking tussen [eiseres] en [gedaagde] is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Nu de echtscheidingsprocedure tussen partijen nog loopt, staat daarmee vast dat de maatschap nog bestaat en dat de overeenkomst van maatschap nog steeds haar werking heeft. Dit betekent dat [eiseres] op zichzelf overeenkomstig artikel 8 van de overeenkomst van maatschap recht heeft op een aandeel in het exploitatieresultaat, ook al verricht zij geen werkzaamheden meer voor de onderneming, waarvoor zij dus ook geen arbeidsbeloning meer ontvangt. Eerst op het moment dat de maatschap eindigt door het inschrijven van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, eindigt ook het recht van [eiseres] op een aandeel in het exploitatieresultaat en is er nog slechts een alimentatieverplichting aan de zijde van [gedaagde]. Over alimentatie gaat het in dit kort geding als zodanig niet, want daarop is de vordering van [eiseres] niet gebaseerd.

4.4. De vraag die nu voorligt, is op welk bedrag [eiseres] feitelijk maandelijks recht heeft. In dit verband moet in ieder geval worden vastgesteld dat partijen van mening verschillen over de vraag welke afspraak zij eind 2009 precies hebben gemaakt. Volgens [eiseres] is toen overeengekomen dat [gedaagde] maandelijks een netto bedrag van € 3.500,00 aan haar zou betalen: een bedrag van € 1.500,00 zou door [gedaagde] op de gezamenlijke rekening van partijen worden gestort, welke nog slechts werd gebruikt door [eiseres], en een bedrag van € 2.000,00 zou door [gedaagde] ter vrije besteding op de privé-rekening van [eiseres] worden gestort. Volgens [gedaagde] zijn partijen in oktober 2009 overeengekomen dat [eiseres] maandelijks een bedrag van € 1.000,00 van de maatschaprekening mocht opnemen voor huur, alsmede een bedrag van € 1.000,00 voor privédoeleinden. Daarnaast zou een bedrag van € 1.500,00 door hem worden overgeboekt naar de gezamenlijke rekening van partijen, welk bedrag partijen dan samen konden aanwenden ter voldoening van nog bestaande gezamenlijke kosten. Per saldo zou [eiseres] volgens [gedaagde] dus ten hoogste een bedrag van € 2.750,00 per maand toekomen.

4.5. Gelet op deze uiteenlopende standpunten van partijen valt voorshands geoordeeld in het kader van dit kort geding niet vast te stellen wat partijen eind 2009 precies hebben afgesproken. Daarvoor zou nadere bewijslevering noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld door het overleggen van stukken en/of het horen van getuigen, waarvoor een behandeling in kort geding zich echter niet leent. Dit betekent dat vooralsnog niet kan worden vastgesteld op welk bedrag per maand ten laste van het exploitatieresultaat [eiseres] ingevolge afspraak recht heeft.

4.6. Bij gebreke daarvan kan de voorzieningenrechter in het kader van het treffen van een voorlopige voorziening als ordemaatregel wel zelf een bepaald bedrag vaststellen dat [eiseres] maandelijks toekomt. Voorwaarde daarbij is wel dat op grond van de door partijen in het geding gebrachte stukken in bepaalde mate inzichtelijk moet worden gemaakt wat de (financiële) resultaten van de maatschap zijn. Bovendien moet in ogenschouw worden genomen dat op grond van vaste rechtspraak voor toewijzing van een geldvordering in kort geding slechts dan plaats is, als het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.

4.7. Het voorgaande in acht nemende dient allereerst te worden opgemerkt dat het maar zeer beperkt mogelijk is om feitelijke vaststellingen te doen met betrekking tot alle over en weer door partijen gestelde en gemotiveerd betwiste cijfers van de financiële positie van de maatschap. Het is immers niet mogelijk om in het kader van dit kort geding al die cijfers op juistheid te verifiëren. Ook daarvoor is nader onderzoek noodzakelijk. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat in een situatie als de onderhavige, waarin de maatschap hangende de echtscheidingsprocedure wordt voortgezet door [gedaagde], terwijl [eiseres] in beginsel wel recht heeft op een winstaandeel, niet valt te ontkennen dat de verhouding tussen partijen mede wordt beïnvloed door hun persoonlijke financiële situatie. Enerzijds is het daarbij zo dat bepaalde kosten ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding in het verleden kennelijk steeds ten laste van het winstaandeel van [gedaagde] zijn gekomen, terwijl [eiseres] daar vermoedelijk ook van heeft geprofiteerd, terwijl anderzijds mag worden aangenomen dat [eiseres] ook uit haar winstaandeel bepaalde kosten van de gemeenschappelijke huishouding heeft betaald. In ieder geval ontbreekt ten enenmale het zicht op de exacte verhouding tussen beide. Rekeninghoudend met een en ander is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat er thans teveel onduidelijkheden bestaan om een bedrag aan achterstallig voorschot op het winstaandeel van [eiseres] toe te wijzen.

4.8. Er bestaat voorshands geoordeeld wel aanleiding om voor de toekomst een

maandelijks voorschot op het winstaandeel van [eiseres] vast te stellen, totdat de maatschap is beëindigd en vereffend, dan wel totdat de alimentatieplicht zijdens [gedaagde] in rechte is vastgesteld. In zoverre zal het gevorderde onder 3.1 sub II worden toegewezen. Met inachtneming van de aanhangige echtscheidingsprocedure en de onzekerheid over de precieze financiële situatie van partijen, zal de voorzieningenrechter bij deze vaststelling voorzichtigheidshalve uitgaan van de aan [gedaagde] gerichte brief van 26 juli 2010 van de accountant van de maatschap, de heer J.H. de Groot van Accountants en belastingadviseurs Onderweegs & De Groot (zie 2.7). In die brief wordt een exploitatieresultaat van

€ 170.000,00 voor 2010 tot uitgangspunt genomen. Na aftrek van een arbeidsbeloning van circa € 35.000,00 voor [gedaagde] en een rentevergoeding van [eiseres] over haar saldo in de kapitaalrekening resteert een exploitatieresultaat vóór belasting van circa € 130.000,00. In deze optiek zou voor beide partijen een aandeel van circa € 65.000,00 resteren, wat neer zou komen op bruto € 5.400,00 per maand. In ogenschouw moet echter worden genomen dat de in die brief genoemde lasten (verschuldigde kosten, inkomstenbelasting en premie zorgverzekeringswet) thans allemaal voor rekening van [gedaagde] komen, terwijl over de lasten van [eiseres] verder niets bekend is. De voorzieningenrechter ziet aanleiding in het kader van een voorlopige maatregel tot op zekere hoogte met de lasten ad € 56.900,00 rekening te houden, te weten voor zover die uitstijgen boven de arbeidsbeloning van [gedaagde]. Dat betreft een bedrag van circa € 20.000,00. Er wordt daarom uitgegaan van een bedrag van ongeveer € 110.000,00 als tussen de partijen te verdelen exploitatieresultaat, wat ongeveer overeenkomst met het door de accountant genoemde bedrag van € 107.687,00.

4.9. [gedaagde] voert als verweer aan dat het verwachtte netto resultaat van de maatschap in 2010 niet hetzelfde zal zijn als het (gemiddelde) resultaat dat in voorgaande jaren is behaald, zodat het uitgangspunt van een winstaandeel in de onderneming van € 170.000,00 niet juist is. [gedaagde] stelt daartoe dat door de maatschap in 2010 enerzijds meer kosten zullen worden gemaakt en anderzijds minder omzet zal worden behaald. Dit verweer wordt verworpen. Weliswaar stelt [gedaagde] dat hij nu zelf de administratie van de maatschap voor zijn rekening neemt, waardoor de kosten voor het waarnemen van de huisartsenpraktijk stijgen, maar hij heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit dit kan worden afgeleid. Ditzelfde geldt voor zijn stelling dat hij kosten maakt in verband met het project ‘huisartsen onder één dak’. [gedaagde] heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat en hoeveel kosten hiermee zijn gemoeid. Daarnaast heeft [gedaagde] weliswaar gesteld dat de omzet moet worden gecorrigeerd in verband met de grieppandemie in 2009 en dat enkele betalingen van Movir niet meer zullen plaatsvinden in de verdere kwartalen van 2010, maar ook deze stellingen heeft hij niet met stukken onderbouwd. Voorshands geoordeeld heeft [gedaagde] derhalve onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het netto resultaat van de maatschap in 2010 substantieel minder zal zijn dan in voorgaande jaren, zodat vooralsnog evenmin kan worden geoordeeld dat het door de accountant gehanteerde uitgangspunt, dat een bedrag van

€ 107.687,00 beschikbaar is voor privé bestedingen, onjuist is.

4.10. Aangezien [eiseres] en [gedaagde] blijkens artikel 8 lid 2 van de overeenkomst van maatschap beide voor 50% gerechtigd zijn tot het exploitatieresultaat (na aftrek van enkele vergoedingen en/of kosten), resteert er voor [eiseres] een bedrag van € 110.000,00 : 2 =

€ 55.000,00, hetgeen tot een bruto maandbedrag leidt van € 4.583,33. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, alsmede op het feit dat [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen enkele financiële ruimte meer heeft, zal hij worden veroordeeld om met ingang van september 2010 maandelijks een bruto bedrag van (afgerond) € 4.550,00 aan [eiseres] te betalen als voorschot op haar aandeel in het exploitatieresultaat van de maatschap, een en ander zoals hieronder in het dictum is weergegeven. Dit bedrag kan in ieder geval worden geacht te voldoen aan de geldvorderingcriteria die onder 4.6 zijn genoemd. Daarover moet [eiseres] dan zelf belasting en premies betalen. Eveneens zal zij daaruit haar eigen premie voor ziektekostenverzekering moeten voldoen.

4.11. Het gevorderde onder 3.1 sub III strekt tot veroordeling van [gedaagde] om iedere maand rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer over het vermogen van de maatschap. [gedaagde] heeft zich ter zitting bereid verklaard de administratie van de maatschap, waaronder alle bankafschriften, maandelijks bij de accountant af te geven. Tevens heeft hij toegezegd dat het [eiseres] vrijstaat om die gegevens bij de accountant in te zien en daarop ook een toelichting te krijgen. De vordering zal dan ook overeenkomstig deze toezeggingen worden toegewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daaraan een dwangsom te verbinden, nu ervan moet worden uitgegaan dat [gedaagde] zijn toezeggingen op dit punt zal nakomen.

4.12. Gelet op de familierechtelijke betrekkingen tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] om na betekening van dit vonnis vanaf september 2010 totdat de maatschap is beëindigd en vereffend, dan wel de alimentatieplicht zijdens [gedaagde] in rechte is vastgesteld, maandelijks bij vooruitbetaling uiterlijk op de eerste dag van iedere maand aan [eiseres] te betalen een bruto bedrag van € 4.550,00 als voorschot op haar aandeel in het exploitatieresultaat van de maatschap,

5.2. gebiedt [gedaagde] om in het kader van het door hem gevoerde beheer over het vermogen van de maatschap, met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis de administratie van de maatschap, waaronder alle bankafschriften, maandelijks bij de accountant af te geven en [eiseres] toe te staan die gegevens bij de accountant in te zien en daarop een toelichting te krijgen, een en ander totdat de maatschap is beëindigd, vereffend of geliquideerd,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Gameren op 6 augustus 2010.