Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN6673

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-09-2010
Datum publicatie
13-09-2010
Zaaknummer
1050/1051
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek x art. 287 lid 4 Fw strekkende tot opheffing beslag op inboedel. Toewijzing Wsnp verzoek niet aannemelijk geacht, desondanks wordt verzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

rekestnummers: Rek 1050 en 1051/10

uitspraakdatum: 9 september 2010

Voorlopige voorziening artikel 287 lid 4 Faillissementswet

in de zaak van [verzoekers]

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers,

nader ook te noemen [verzoeker 1] en [verzoeker 2],

1. De gang van zaken en de verzoeken

1.1 Bosveld Incasso en Gerechtsdeurwaarders (nader te noemen: Bosveld) heeft namens Kesteren Medical Factoring B.V. (nader te noemen: Kesteren) op 23 juli 2010 de openbare verkoop van de in executoriaal beslag genomen roerende zaken (deel van de inboedel van verzoekers) aangezegd voor 10 september 2010 te 14.00 uur.

1.2 Op 31 augustus 2010 hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] verzoeken (rek. 1048 en 1049/10) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend.

1.3 [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben bij verzoeken van 31 augustus 2010 gevraagd om een

voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Fw. Zij verzoeken opheffing

van voornoemd gelegd beslag. Deze verzoeken zijn ter zitting van 6

september 2010 behandeld. Verzoekers zijn ter zitting verschenen. Kesteren (en de

door haar ingeschakelde deurwaarder) zijn zowel bij brief als bij faxbrief d.d. 2

september 2010 opgeroepen om naar de zitting van 6 september 2010 te komen.

Kesteren is desondanks niet ter zitting verschenen en heeft ook overigens niet op

genoemde oproep gereageerd.

2. De beoordeling

2.1 De verzoeken zijn gebaseerd op art. 287 lid 4 Fw. Op grond van deze bepaling kan de

rechter een voorlopige voorziening bij voorraad geven ter overbrugging van de

periode tussen het tijdstip van indiening van het toelatingsverzoek en de

(onherroepelijke) beslissing daarop.

2.2 Allereerst geldt de eis dat sprake is van een spoedeisend belang. Daarnaast moet bij de beoordeling van het verzoek worden gelet op de belangen van partijen. Het spoedeisend belang van [verzoeker 2] en [verzoeker 1] vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort uit de aard van de verzoeken. De rechtbank zal hierna een onderscheid maken tussen het verzoek van [verzoeker 2] en dat van [verzoeker 1] omdat [verzoeker 1] ook stelt dat een deel van de in beslag genomen inboedelgoederen van hem zijn eigendom terwijl het gaat om een executoriaal beslag ter zake van een tegen [verzoeker 2] verkregen, onherroepelijk vonnis.

Ten aanzien van [verzoeker 2]

2.3 Bij de beoordeling van het verzoek van [verzoeker 2] stelt de rechtbank voorop dat het gaat om de vraag of een rechtmatig gelegd executoriaal beslag moet worden opgeheven. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek gaat het (dan) om de vraag of het verzoek van [verzoeker 2] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopend daarop toewijzing gerechtvaardigd is.

2.4 Uit het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en de daarop zowel in de stukken als ter zitting gegeven toelichting blijkt dat [verzoeker 2] reeds vele jaren zodanig hoge schulden heeft en dat aflossing daarvan problematisch is. Tevens is gebleken dat zij de afgelopen (vijf) jaren is doorgegaan met het maken van schulden terwijl zij wist, althans kon weten, dat aflossing daarvan niet mogelijk was. Zo zijn verzoekers op 6 juni 2008 onder huwelijkse voorwaarden getrouwd. De kosten van het huwelijk werden voornamelijk betaald door de vader van de heer [verzoeker 1]. Verzoekers hebben ongeveer € 3.000,-- zelf moeten bijdragen aan het huwelijksfeest, terwijl toen al duidelijk was dat ze dergelijke bedragen niet konden bekostigen en hierdoor dus andere rekeningen niet hebben kunnen betalen zodat de schuldenlast opliep. Het aangaan van dergelijke nieuwe schulden is tot voor kort (begin 2010) doorgegaan. Het gaat bij [verzoeker 2] om een hoge schuldenlast van ongeveer € 56.862,--. Dit betekent dat [verzoeker 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de afgelopen vijf jaren te goeder trouw was ten aanzien van het aangaan en onbetaald laten van haar schulden (art. 288 lid 1 onder b Fw). Op grond van art. 288 lid 3 Fw. zou het verzoek desondanks kunnen worden toegewezen indien [verzoeker 2] aannemelijk maakt dat zij de oorzaak van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden onder controle heeft gekregen. De rechtbank acht, voorlopig oordelend, niet aannemelijk dat zij daarin zal slagen omdat zij, zoals aangegeven, tot kort geleden nieuwe schulden is aangegaan en zij tot op heden niet onder budgetbeheer staat. De rechtbank is tegen die achtergrond van oordeel dat het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een zodanig kleine kans van slagen heeft dat toewijzing van het verzoek niet gerechtvaardigd is.

Ten aanzien van [verzoeker 1]

2.5 Uit de overgelegde stukken is gebleken dat een deel van de in beslaggenomen inboedelgoederen volgens zowel [verzoeker 1] als [verzoeker 2] in eigendom toebehoort aan [verzoeker 1] terwijl de vordering ter zake waarvan beslag is gelegd alleen [verzoeker 2] betreft. [verzoeker 1] heeft gesteld dat de deurwaarder (Bosveld) heeft toegezegd dat deze zaken niet verkocht zullen worden indien hij stukken kan overleggen waaruit dit blijkt, hetgeen [verzoeker 1] stelt te hebben gedaan. [verzoeker 2] heeft een en ander bevestigd. De rechtbank gaat hiervan uit, bij gebreke van een reactie van Kesteren. Op grond hiervan is de rechtbank voorshands van oordeel dat Kesteren niet gerechtigd is deze inboedelgoederen te verkopen. Het gaat om: vier speakers op statief, merk Sony, een open wandmeubel, een kingsize koelkast en een flatscreen kleurentelevisie, merk Samsung. Ter zitting is aangegeven dat het om nog meer zaken zou gaan, maar dat is onvoldoende aannemelijk omdat dat niet blijkt uit de aantekeningen op de beslaglijst van de deurwaarder.

De vraag is dan of de rechtbank een voorziening kan geven. Deze vraag rijst omdat ook het verzoek van [verzoeker 1], voorlopig oordelend, eveneens een kleine kans van slagen heeft. Ook voor hem geldt immers dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. Hij heeft ook al langere tijd (sinds ongeveer 2002) een zodanige schuldenlast dat aflossing daarvan problematisch is. Hij is desondanks tot eind 2009 doorgegaan met het aangaan van schulden. Zijn schuldenlast bedraagt omstreeks € 22.662,00. [verzoeker 1] kan daarom, voorlopig oordelend, evenmin aannemelijk maken dat sprake is van een (duurzame) wending ten goede in de zin van art. 288 lid 3 Fw. Verdedigd kan worden dat dan voor een dergelijk verzoek de weg van art. 438 (lid 5) Rv openstaat en niet die van art. 287 lid 4 Fw. Op grond van eerstgenoemde wetsbepaling kan de voorzieningenrechter een (executoriaal) beslag – onder meer – opheffen. Daar staat tegenover dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen de te geven voorlopige voorziening niet nader in te kaderen en dat het geven van een voorziening ten aanzien van dit beslag past binnen de tekst van de wetsbepaling. Ten slotte is van belang dat een andere opvatting ertoe zou leiden dat [verzoeker 1] twee procedures aanhangig had moeten maken. De rechtbank is tegen die achtergrond van oordeel dat de gevraagde voorziening in dit geval wel kan worden gegeven. Daarbij is uitdrukkelijk betrokken dat de rechtbank Kesteren (alsook de door haar ingeschakelde deurwaarder) heeft opgeroepen om ter zitting te verschijnen zodat aan de eis van hoor en wederhoor is voldaan. Uit het voorgaande vloeit voort dat het verzoek tot opheffing van het beslag (deels) wordt toegewezen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3. De beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van [verzoeker 2]

wijst het verzoek af.

ten aanzien van [verzoeker 1]

heft op het 23 juli 2010 ten laste van [verzoeker 2] gelegde beslag op roerende zaken, voor zover het betreft vier speakers op statief, merk Sony,een open wandmeubel,een kingsize koelkast en een flatscreen kleurentelevisie, merk Samsung;

bepaalt dat de genoemde voorziening geldt totdat de uitspraak op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in kracht van gewijsde is gegaan, of dit verzoeken is ingetrokken;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.J. Engberts, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 9 september 2010.

Door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden kan het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden