Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN5888

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
03-09-2010
Zaaknummer
203656
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vraag is of executie van bepaalde vonnissen misbruik van bevoegdheid oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 203656 / KG ZA 10-500

Vonnis in kort geding van 18 augustus 2010

in de zaak van

1. [eiser1],

2. [eiser2],

3. [eiser3],

4. [eiser4],

5. [eiser5],

6. [eiser6],

7. [eiser7],

8. [eiser8],

9. [eiser9],

10. [eiser10],

11. [eiser11],

allen wonende te Arnhem,

eisers,

advocaat mr. M.A.R. Schuckink Kool te ’s-Gravenhage,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN DEFENSIE),

zetelend te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.R. de Jonge te ’s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eisers] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eisers]

- de pleitnota van de Staat.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers] zijn sinds april 1989 als krakers woonachtig op het perceel [adres], plaatselijk bekend als “[XXX]”.

2.2. De gemeente Arnhem (hierna: de gemeente) is eigenaar van [XXX].

De Galgenberg was sinds 1893 in gebruik bij de Staat.

2.3. De gemeente wil [XXX] herinrichten. Daarvoor moet de Staat [XXX] leeg en ontruimd opleveren aan de gemeente.

2.4. Op 20 maart 2009 heeft de Staat [eisers] gedagvaard voor deze rechtbank, waarin hij - kort samengevat - ontruiming van [eisers] heeft gevorderd.

2.5. Bij deelvonnis van deze rechtbank van 18 november 2009 is de ontruiming uitgesproken en bij eindvonnis van 21 april 2010 is de termijn waarop [eisers] moeten hebben voldaan aan de veroordeling in het vonnis van 18 november 2009 gesteld op vier maanden ná betekening van dat eindvonnis.

2.6. [eisers] hebben tegen beide vonnissen hoger beroep ingesteld bij het hof te Arnhem (hierna: het hof). Het hoger beroep tegen het deelvonnis van 18 november 2009 is ingesteld bij exploot van dagvaarding van 22 januari 2010. Het hoger beroep tegen het eindvonnis van 21 april 2010 is ingesteld bij exploot van dagvaarding van 27 april 2010.

2.7. De memorie van grieven is genomen op 27 juli 2010. Daarin is tevens een provisionele vordering ex artikel 351 Rv ingesteld, strekkende tot opheffing van de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring van het eindvonnis van 21 april 2010. De Staat heeft in het incident op 10 augustus 2010 van antwoord gediend. Het hof heeft nog geen arrest in het incident gewezen.

2.8. De Staat is niet bereid de executie van de vonnissen van 18 november 2009 en

21 april 2010 op te schorten totdat door het hof arrest zal zijn gewezen in het incident ex artikel 351 Rv.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te verbieden tot executie van het (eind)vonnis van 21 april 2010 (en daarmee samenhangend het daaraan voorafgaande deelvonnis van 18 november 2009, toevoeging vzr) over te gaan voordat door het hof arrest is gewezen in het door [eisers] ingestelde incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging d.d. 27 juli 2010, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2. [eisers] stellen dat de executie van de vonnissen van 18 november 2009 en

21 april 2010 misbruik van executiebevoegdheid oplevert, omdat de Staat, gelet op de belangen van [eisers] die door de executie onevenredig zullen worden geschaad, niet in redelijkheid tot de uitvoering daarvan kan komen. [eisers] stellen een spoedeisend belang te hebben gelet op het voornemen van de Staat om spoedig tot executie over te gaan.

3.3. De Staat voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang ligt besloten in de aard van de zaak en is ook niet door de Staat weersproken.

4.2. Voorop dient te worden gesteld dat de rechter in kort geding zich heeft te richten naar het oordeel van de bodemrechter en dat het niet aan de voorzieningenrechter is om aan een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis zijn kracht tot tenuitvoerlegging bij voorraad te ontnemen. In een executiegeschil als waarvan hier sprake is kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel tegen het te executeren vonnis behoort bij deze beoordeling in de regel buiten beschouwing te blijven. Immers, een executiegeschil kan gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet dienen als een verkapt appel.

4.3. Dat de vonnissen van 18 november 2009 en 21 april 2010 klaarblijkelijk op een feitelijke of juridische misslag berusten is niet gesteld en overigens ook niet gebleken.

4.4. [eisers] hebben - naar de voorzieningenrechter begrijpt - gesteld dat de tenuitvoerlegging van de vonnissen van 18 november 2009 en 21 april 2010 aan hun zijde een noodtoestand zal doen ontstaan op grond van eerst na het wijzen van die vonnissen opgetreden of aan het licht gekomen feiten of omstandigheden, waardoor de onverwijlde tenuitvoerlegging van die vonnissen niet kan worden aanvaard.

4.5. Wat betreft de door [eisers] in die zin in de dagvaarding onder sub 7 naar voren gebrachte feiten of omstan¬dig¬heden, waaronder begrepen de betwisting van het belang van de Staat bij spoedige ontruiming, de niet (tijdige) uitvoerbaarheid van de herinrichtingsplannen van de gemeente, het ontbreken van de benodigde vergunningen en financiële middelen en de discussie over de cultuurhistorische status van [XXX] moet worden geoordeeld dat, wat hiervan verder ook zij, de Staat onweersproken heeft aangevoerd dat dit geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn, nu deze niet ná de vonnissen van 18 november 2009 en 21 april 2010 zijn voorgevallen of aan het licht zijn gekomen en reeds in de bodemprocedure die heeft geleid tot die vonnissen door [eisers] naar voren zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht (pleitnotitie de Staat sub 3.6/3.7). Wèl heeft de Staat erkend dat nog geen sloopvergunning is afgegeven, omdat - naar door de Staat eveneens onweersproken is aangevoerd - daarvoor eerst een asbestinventarisatie dient te worden gemaakt waarvoor een ontruiming noodzakelijk is. Kortom: van het bestaan van nieuwe feiten of omstandigheden die aan de zijde van [eisers] een noodtoestand doen ontstaan is dan ook niet gebleken.

4.6. [eisers] hebben ten slotte gesteld dat de Staat onredelijk handelt en misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid omdat hij in het zicht van een spoedige beslissing van het hof in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging niet bereid is de aanvang van de executie van de vonnissen van 18 november 2009 en 21 april 2010 op te schorten totdat er in het incident arrest zal zijn gewezen.

4.7. De enkele omstandigheid dat binnen afzienbare termijn arrest zal worden gewezen in het incident tot schorsing kan [eisers] niet baten. In dit verband is allereerst van belang dat [eisers] hun incidentele vordering ex art 351 Rv reeds bij de appel¬dagvaarding van 27 april 2010 hadden kunnen instellen. Door dat echter pas te doen bij de memorie van grieven van 27 juli 2010 èn in de wetenschap dat de aan hen in het eindvonnis van 21 april 2010 gestelde termijn van ontruiming verstrijkt op 22 augustus 2010, hebben zij voor zichzelf de situatie gecreëerd waarin de Staat op basis van de vonnissen van de bodem¬rechter kan overgaan tot ontruiming op een moment dat het hof nog niet heeft beslist in de door [eisers] ingestelde incidentele vordering. Gelet op de ruime ontruimingstermijn van vier maanden in het eindvonnis van 21 april 2010 hebben [eisers] bovendien voldoende tijd gehad om aan hun ontruimingsverplichting te voldoen. Daarnaast komt gewicht toe aan het feit dat [eisers] al sinds de brief van de Staat van 11 juli 2008 er van op de hoogte zijn dat zij [XXX] op enig moment zouden moeten ontruimen.

Het voorgaande impliceert dat de Staat geen misbruik van executiebevoegdheid maakt door tot ontruiming over te gaan alvorens door het hof is beslist in het incident ex artikel 351 Rv.

4.8. Hetgeen [eisers] overigens hebben aangevoerd is niet ter zake van het onderhavige executiegeschil dienend en zal daarom buiten beschouwing worden gelaten.

4.9. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat voorshands niet kan worden gezegd dat

de Staat, mede gelet op de wederzijdse belangen van partijen, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de vonnissen van 18 november 2009 en 21 april 2010. Dit betekent dat de vordering van [eisers] tot schorsing van de executie moet worden afgewezen.

4.10. [eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- vast recht € 263,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.079,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vordering af,

5.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.079,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. van der Pol en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Siragedik op 18 augustus 2010.