Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN5875

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
174296
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is voornemens een deskundige te benoemen die haar kan voorlichten over, kort gezegd, de vraag welk bedrag gedaagde 2 aan gedaagde 1 verschuldigd is, waarbij de deskundige eveneens onderzoek zal moeten verrichten naar de afname van de geldlening en van de kortlopende vordering en de daarmee verband houdende mutaties en rekeninghoudend met het oordeel van de rechtbank (rov. 4.11. vonnis 8 april 2009) dat het dividendbesluit zal worden vernietigd. Partijen krijgen de gelegenheid zich bij akte uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de te stellen vragen. De zaak wordt daartoe verwezen naar de rol voor akte aan de zijde van beide partijen.

De rechtbank verzoekt RCI in diezelfde akte opheldering te verschaffen over de hoogte van de resterende vordering die zij uit hoofde van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 september 2007 op gedaagde 2 heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 174296 / HA ZA 08-1438

Vonnis van 11 augustus 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RCI FINANCIAL SERVICES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. W.B.J. van Overbeek te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde1].,

gevestigd te [vest.plaats],

2. [gedaagde2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. R.G.F. Lammers te Oss.

Partijen zullen hierna RCI en [gedaagde1] en [gedaagde2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 april 2009

- de akte houdende vermindering van eis van RCI

- de akte van [gedaagde1] en [gedaagde2]

- de antwoordakte van RCI.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. RCI heeft haar vordering op [gedaagde2] zoals weergegeven onder 3.1. II van het vorige vonnis aldus gewijzigd dat zij thans vordert dat de rechtbank nadat die verklaring (onder 3.1. onder I) door [gedaagde2] zal zijn afgelegd en door de rechtbank zal zijn bepaald hetgeen [gedaagde2] onder zich heeft en/of aan [gedaagde1] verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [gedaagde1] verschuldigd zal worden – tot het ter uitvoerlegging af- en overdragen van zodanige gelden en/of goederen, voor zover deze niet overtreffen het totale bedrag dat RCI ingevolge het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 september 2007 van [gedaagde1] te vorderen heeft minus EUR 87.051,03; in het geval dat de rechter de door de buitengerechtelijke verklaring ondanks de betwisting door RCI als juist mocht achten onder aftrek van of tegen voldoening door RCI van de aan de zijde van [gedaagde2] gemaakte kosten tot het doen van de gerechtelijke verklaring en in het geval dat de rechter de buitengerechtelijke verklaring van [gedaagde2] onjuist mocht achten. Voor het overige zijn de vorderingen van RCI hetzelfde gebleven. De eiswijziging – die een vermindering inhoudt – zal op grond van artikel 129 Rv worden toegestaan.

2.2. In het vorige vonnis (rov. 4.5.) heeft de rechtbank [gedaagde2] in de gelegenheid gesteld zijn verklaring (ex artikel 476a Rv) van 19 juni 2008 dat hij uit hoofde van een lening

EUR 461.000,-- aan [gedaagde1] verschuldigd is, zoveel mogelijk met feitelijke gegevens te staven, in het bijzonder gegevens waarmee de afname in 2006 (EUR 413.205,--) ten opzichte van 2005 (EUR 931.009,--) van de kortlopende vordering van [gedaagde1] op [gedaagde2] inzichtelijk wordt gemaakt en verklaard alsmede de afname van de hoofdsom van de geldlening (EUR 1.500.000,--) tot een bedrag van EUR 635.292,--.

2.3. [gedaagde2] heeft bij akte een verklaring in het geding gebracht van Van der Zee RA van 11 december 2008 die kort gezegd verklaart dat de vordering die [gedaagde1] op [gedaagde2] heeft, overeenkomstig de bij dit schrijven gevoegde bijlage 1 is. In die bijlage staan de vorderingen van [gedaagde1] op [gedaagde2] volgens de jaarrekening 2006 genoemd: ‘fva EUR 635.292,--‘ en ‘RC EUR 413.205,--‘, in totaal derhalve EUR 1.048.497,--. Vervolgens staan onder het kopje ‘Mutaties 2007’ mutaties opgesomd over het jaar 2007 die resulteren in een totaalbedrag van EUR 452.143,-- negatief. De totale vordering eind 2007 bedraagt daarmee EUR 596.354,--. Daarna volgt een overzicht van de mutaties tot en met mei 2008, hetgeen resulteert in een totaalbedrag van EUR 70.188,-- negatief. De totale vordering van [gedaagde1] op [gedaagde2] eind mei 2008 bedraagt daarmee EUR 526.166,--. In zoverre verbetert [gedaagde2] zijn eerder afgelegde verklaring over hetgeen hij aan [gedaagde1] verschuldigd is. Van der Zee verklaart verder nog dat alle genoemde mutaties zijn onderbouwd met achterliggende bescheiden en hij bevestigt dat de bedragen die zijn opgenomen in de bijlage zijn verwerkt in de administratie en jaarrekening over het boekjaar 2007. Achter bijlage 1 bevinden zich nog de producties 3 tot en met 8. Productie 3 betreft een overzicht zoals bijlage 1, zij het dat daaraan nog voorafgaan de mutaties over het jaar 2006. De producties 4 tot en met 7 zijn nota’s van notarissen gericht aan [gedaagde1] in verband met, zo neemt de rechtbank aan, verkoop van onroerend goed. Productie 8 betreft een overeenkomst tussen [gedaagde1] en [naam bedrijf] d.d. 11 juli 2006 op grond waarvan, kort gezegd, [naam bedrijf] alle lopende juridische procedures van [gedaagde1] zal begeleiden, waarvoor [gedaagde1] over 2003 EUR 30.000,-- exclusief BTW verschuldigd is aan [naam bedrijf] en over 2006 EUR 135.000,-- exclusief BTW.

2.4. RCI heeft bestreden dat met de overgelegde stukken inzichtelijk wordt gemaakt dat de schulden van [gedaagde2] aan [gedaagde1] zijn verminderd tot de hiervoor (rov. 2.2.) genoemde bedragen. De nota’s van de notarissen wijzen er kennelijk op dat [gedaagde2] onroerend goed heeft betaald dat door [gedaagde1] werd gekocht en verkocht, waarna [gedaagde2] de verkoopprijs weer ontving. De in dat verband genoemde bedragen zijn echter niet te herleiden tot de diverse producties, niet is gebleken dat [gedaagde2] de aankoopsommen betaald heeft c.q. nog geen terugbetaling van [gedaagde1] heeft ontvangen. De overeenkomst tussen [naam bedrijf] en [gedaagde1] is volgens RCI niet relevant voor de relatie [gedaagde2]-[gedaagde1]. Betalingen op grond van die overeenkomst moeten bij de derdenverklaring betreffende het derdenbeslag buiten beschouwing worden gelaten. Daarbij zijn de mutaties die uit deze overeenkomst zouden voortvloeien niet toegelicht en kunnen de genoemde bedragen ook niet worden teruggevonden. RCI wijst er verder nog op dat in het jaar 2007 als mutatie wordt genoemd een bedrag van EUR 228.918,-- waarmee de totale schuld van [gedaagde2] aan [gedaagde1] in mindering wordt gebracht maar dat bedrag wordt op geen enkele wijze onderbouwd, net zomin als eenzelfde mutatie ten bedrage van EUR 137.240,-- in 2008. Ook een toelichting op de mutatie BTW-verrekening ontbreekt, evenals de post overige mutaties.

2.5. Met de overgelegde stukken heeft [gedaagde2] ook voor de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt en verklaard dat hij, zoals hij thans verklaart, EUR 526.166,-- verschuldigd is aan [gedaagde1]. [gedaagde2] is ook niet ingegaan op de nadrukkelijk door de rechtbank in het vorige vonnis aan de orde gestelde vraag hoe de afname kan worden verklaard van het oorspronkelijke krediet van EUR 1.500.000,-- tot EUR 635.292,--, welk laatste bedrag als uitgangspunt wordt genomen door [gedaagde2] in bijlage 1. Waaruit de diverse mutaties nu precies bestaan is de rechtbank met het overleggen van de diverse producties evenmin helder geworden. Waarop de diverse nota’s betrekking hebben en op welke wijze daarin genoemde bedragen van invloed zijn op de afname van de schulden van [gedaagde2] aan [gedaagde1], blijkt daaruit ook onvoldoende. Door welke mutaties de kortlopende schuld is afgenomen van EUR 931.009,-- tot EUR 413.205,-- kan de rechtbank uit de overgelegde stukken evenmin voldoende afleiden.

2.6. De rechtbank is voornemens een deskundige te benoemen die haar kan voorlichten over, kort gezegd, de vraag welk bedrag [gedaagde2] aan [gedaagde1] verschuldigd is, waarbij de deskundige eveneens onderzoek zal moeten verrichten naar de afname van de geldlening en van de kortlopende vordering en de daarmee verband houdende mutaties en rekeninghoudend met het oordeel van de rechtbank (rov. 4.11. vonnis 8 april 2009) dat het dividendbesluit zal worden vernietigd. Partijen krijgen de gelegenheid zich bij akte uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de te stellen vragen. De zaak wordt daartoe verwezen naar de rol voor akte aan de zijde van beide partijen. De rechtbank geeft partijen in overweging overleg te voeren over de persoon van de te benoemen deskundige en de vraagstelling zodat zij een eensluidend voorstel zouden kunnen doen. De noodzaak van een deskundigenonderzoek in dit stadium van de procedure is vooral ingegeven door de gebrekkige staving door [gedaagde2] van zijn verklaring met bescheiden ondanks het nadrukkelijke verzoek daartoe van de rechtbank. Bij die stand van zaken ziet de rechtbank aanleiding het voorschot op de kosten van de deskundige voor rekening van [gedaagde2] te brengen. Afhankelijk van de uitkomst van het deskundigenonderzoek en de afloop van deze procedure zal de rechtbank oordelen over de vraag wie uiteindelijk de kosten van het deskundigenonderzoek dient te dragen.

2.7. De rechtbank verzoekt RCI in diezelfde akte opheldering te verschaffen over de hoogte van de resterende vordering die zij uit hoofde van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 september 2007 op [gedaagde1] heeft. Begrijpt de rechtbank het goed, dan is [gedaagde1] bij dat vonnis veroordeeld tot betaling van EUR 775.498,15 vermeerderd met rente en kosten. Op dat bedrag dient – gegeven de eisvermindering –

EUR 87.051,03 in mindering te worden gebracht. Daarnaast is het vonnis reeds geëxecuteerd tot een bedrag van EUR 223.011,41 in verband met een vordering van [gedaagde1] onder Renault (dagvaarding onder 1.18) en tot een bedrag van EUR 25.000,-- wegens derdenbeslag op bankrekeningen van [gedaagde2] (dagvaarding onder 1.18). Wanneer kosten en rente buiten beschouwing worden gelaten, resteert in hoofdsom een bedrag van EUR 440.435,71. Gegeven de thans afgegeven verklaring van [gedaagde2] tot een bedrag van

EUR 526.166,--, rijst de vraag wat de totale vordering – inclusief rente en kosten – is van RCI op [gedaagde1] en in hoeverre die totale vordering het totaalbedrag overschrijdt dat [gedaagde2] aan [gedaagde1] verschuldigd is. In dat verband rijst ook de vraag of [gedaagde2] bij de thans afgelegde verklaring dat hij EUR 526.166,-- verschuldigd is aan [gedaagde1], rekening heeft gehouden met de vernietiging van het dividendbesluit door de rechtbank in het vorige vonnis (rov. 4.11.). Indien dat niet het geval is, zou het kunnen zijn dat het bedrag dat [gedaagde2] volgens zijn laatste verklaring verschuldigd is aan [gedaagde1] nog moet worden vermeerderd met die dividenduitkering van EUR 500.000,--. Partijen zullen zich in de komende akte over een en ander dienen uit te laten. Partijen, in het bijzonder RCI als eisende partij in deze procedure, dienen zich er eveneens over uit te laten hoe zij - mede ook gelet op de kosten van een deskundigenonderzoek – aankijken tegen de voortzetting van de procedure in het geval na de eerstvolgende aktewisseling kan worden vastgesteld dat hetgeen [gedaagde2] aan [gedaagde1] is verschuldigd de totale vordering van RCI op [gedaagde1] overschrijdt.

2.8. Bij conclusie na deskundigenbericht zal RCI zich nader dienen uit te laten over de vraag of en zo ja, welke rechtshandelingen ten grondslag liggen aan de afname van de kortlopende vordering en op grond waarvan zij meent dat die rechtshandelingen vernietigbaar zijn, alsmede over hetgeen in rov. 4.13. van het vorige vonnis is overwogen.

verrekening/vereenzelviging

2.9. [gedaagde2] heeft in zijn laatste akte nog aangevoerd dat RCI en Renault met elkaar moeten worden vereenzelvigd. [gedaagde2] wijst in dat verband op een persbericht dat namens Renault en RCI is uitgegaan en waarin zowel Renault als RCI worden genoemd. Daarnaast wijst [gedaagde2] op enkele passages uit processtukken van een lopende procedure bij de rechtbank Amsterdam, op grond waarvan volgens [gedaagde2] vereenzelviging zou moeten worden aangenomen. In dat geval komt aan de dochters van [gedaagde2] en [gedaagde1] een beroep op verrekening toe van hun vordering op Renault van EUR 3.500.000,--, welke vordering die van RCI op [gedaagde1] en haar dochters ruimschoots overstijgt.

2.10. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, zijn de aard en inhoud van de genoemde en overgelegde stukken op zichzelf onvoldoende om Renault en RCI met elkaar te vereenzelvigen. Daarop stuit het beroep op vereenzelviging van RCI en Renault en voorts het beroep op verrekening van de vordering van [gedaagde1] en haar dochters op Renault met de vordering van RCI op [gedaagde1] af.

2.11. De zaak wordt verwezen naar de rol van 8 september 2010 voor akte aan de zijde van beide partijen als bedoeld in rov. 2.6. en 2.7. Vervolgens krijgen partijen de gelegenheid om op de rol van 6 oktober 2010 bij akte op elkaars eerdere akte te reageren.

2.12. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van 8 september 2010 voor akte aan de zijde van beide partijen als bedoeld in rov. 2.6. en 2.7.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2010.