Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN5831

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
203403
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Lijfsdwang.

Vordering tot afgifte van bepaalde stukken toegewezen op straffe van lijfsdwang, nu gedaagde eerdere veroordelingen op straffe van dwangsommen niet is nagekomen zonder dat is gebleken dat hij buiten staat is aan zijn verplichtingen dienaangaande te voldoen en eisers sub 1 en 2 een gerechtvaardigd belang hebben bij uitvoerbaarheid bij lijfsdwang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 203403 / KG ZA 10-479

Vonnis in kort geding van 27 augustus 2010

in de zaak van

1. [eis.1],

wonende te '[woon-/vest.plaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eis.2].,

gevestigd te '[woon-/vest.plaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eis.3],

gevestigd te '[woon-/vest.plaats],

eisers,

advocaat mr. F.H. Tiethoff te ‘s Gravenhage,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verschenen in persoon.

Eisers zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als [eisers] (meervoud) en elk afzonderlijk als [eis.1], [eis.2] en [eis.3]. Gedaagde zal hierna [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnotities van [eisers]

- de pleitnotities van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn met elkaar in diverse gerechtelijke procedures verwikkeld (geweest).

2.2. Bij vonnis in kort geding van 16 april 2008 (rolnummer 07/803) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage (onder meer) [gedaagde] veroordeeld om binnen 24 uur na betekening van dat vonnis aan [eis.1] en [eis.2] ter inzage te verstrekken: alle originele bescheiden die zijn opgemaakt of die betrekking hebben op alle door (onder meer) [gedaagde] verrichte feitelijke en/of rechtshandelingen waarbij [eis.3] partij is, is geworden of is geweest, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag tot een maximum van € 500.000,00. Dit vonnis is aan (onder andere) [gedaagde] betekend op 24 april 2008. Het vonnis is onherroepelijk geworden.

2.3. Op 20 juni 2008 is op verzoek van [eis.1] en [eis.2] een exploot van opeising dwangsommen betekend aan (onder meer) [gedaagde]. Volgens dit exploot gaat het om de tot dan toe verbeurde dwangsommen uit hoofde van het vonnis van 16 april 2008 van in totaal € 500.000,00. [gedaagde] heeft de opgeëiste dwangsommen niet betaald.

2.4. Op 24 juni 2008 en 4 juli 2008 hebben [eis.1] en [eis.2] executoriaal verhaalsbeslag gelegd op de door (een medegedaagde van) [gedaagde] gehouden aandelen in [eis.3].

2.5. Bij brief van 10 oktober 2008 heeft de toenmalige advocaat van [gedaagde], mr. Goedings, aan mr. Tiethoff kopieën van “door cliënt geselecteerde” e-mailberichten gezonden.

2.6. Bij vonnis in kort geding van 13 oktober 2008 (zaak-/rolnummer 318636 / KG ZA 08-1107) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage (onder meer) [gedaagde] nogmaals veroordeeld om binnen 24 uur de onder 2.2 bedoelde stukken aan [eis.1] en [eis.2] ter inzage te verstrekken, dit keer op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 per dag met een maximum van € 500.000,00. Dit vonnis is op 17 oktober 2008 aan [gedaagde] betekend. Het vonnis is onherroepelijk geworden.

2.7. Bij brief van 27 oktober 2008 heeft mr. Tiethoff aan de toenmalige advocaat van [gedaagde] meegedeeld dat de onder 2.5 bedoelde stukken niet voldoen aan het vonnis van de voorzieningenrechter. Deze brief bevindt zich bij de stukken. In diezelfde brief heeft mr. Tiethoff een gespecificeerde opgave gedaan van de benodigde stukken.

2.8. Op 20 november 2008 is op verzoek van [eis.1] en [eis.2] opnieuw een exploot van opeising dwangsommen betekend aan (onder meer) [gedaagde]. Volgens dit exploot betreft het de tot en met 19 november 2008 verbeurde dwangsommen uit hoofde van het vonnis van 13 oktober 2008 van in totaal € 500.000,00. Ook hierop heeft [gedaagde] de opgeëiste dwangsommen niet betaald.

2.9. Bij exploot van 27 april 2009 hebben [eis.1] en [eis.2] aan (een medegedaagde van) [gedaagde] aangezegd dat op 28 mei 2009 om 11.00 uur zal worden overgegaan tot executoriale verkoop van de onder 2.4 genoemde, in beslag genomen aandelen in [eis.3].

2.10. Bij vonnis in kort geding van 27 mei 2009 (zaak-/rolnummer 338538 / KG ZA 09-690) van de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Gravenhage zijn de vorderingen van (onder meer) [gedaagde], strekkende tot een verbod van openbare verkoop van de aandelen in [eis.3] en tot matiging van de dwangsommen zoals opgelegd in de vonnissen van 16 april 2008 en 13 oktober 2008, afgewezen. Bij arrest van 27 april 2010 heeft het hof ’s-Gravenhage dit vonnis bekrachtigd.

2.11. Op 1 juni 2010 heeft de opvolgend advocaat van [gedaagde], mr. Moorman van Kappen, aan de waarnemend deken te ’s Hertogenbosch onder meer geschreven:

Zoals uit de brief van mr. Tiethoff blijkt heeft zijn cliënte, bij brief van 10 oktober 2008 van mr. Goedings, stukken ontvangen waarmee mijn cliënt van mening is te hebben voldaan aan de vonnissen van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 april 2008 en 13 oktober 2008 […].

Naar de mening van mijn cliënt beschik ik niet over meer stukken dan mr. Goedings. Die was immers indertijd zijn raadsman. Kortom ik zal aan het verzoek van mr. Tiethoff niet kunnen voldoen omdat ik aan de brief van mr. Goedings eenvoudigweg niets meer toe te voegen heb.

Los daarvan, zelfs al zou dat anders zijn, dan geeft mijn cliënt mij nog geen toestemming de stukken aan mr. Tiethoff ter hand te stellen. Zelfs al zou ik dus nog additionele stukken hebben, quod non, dan zou ik die nog niet aan mr. Tiethoff mogen overleggen […].

3. Het geschil

3.1. [eisers] vorderen dat de voorzieningenrechter [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen:

a) om binnen 24 uur, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn na betekening van het te wijzen vonnis aan [eisers] af te geven, althans ter inzage te verstrekken, alle originele bescheiden die zijn opgemaakt of betrekking hebben op alle door (één of meer van) hen verrichte feitelijke en/of rechtshandelingen, waarbij [eis.3] partij is, is geworden of is geweest, met bepaling dat indien [gedaagde] niet binnen gemelde termijn na betekening van het vonnis aan die veroordeling zal voldoen, [eisers] gemachtigd zijn tot de tenuitvoerlegging van het vonnis bij lijfsdwang voor de duur van de maximale wettelijke termijn van een jaar, althans, een termijn in goede justitie te bepalen;

b) in de kosten van dit geding en alle kosten van en aan de tenuitvoerlegging verbonden, die van de gijzeling daaronder begrepen.

3.2. [eisers] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] nog altijd niet voldoet aan de verplichting tot afgifte van meergenoemde stukken die voortvloeit uit de beide onder 2.2 en 2.6 genoemde kortgedingvonnissen, dat mogelijkheden tot (verder) verhaal van de verbeurde dwangsommen ontbreken en dat de opgelegde dwangsommen kennelijk niet voldoende prikkel bieden, zodat zwaardere maatregelen nodig zijn om [gedaagde] tot nakoming te dwingen.

3.3. [gedaagde] voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De vordering van [eisers] strekt ertoe [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van alle originele bescheiden die zijn opgemaakt of betrekking hebben op alle door (één of meer van) hen verrichte feitelijke en/of rechtshandelingen waarbij [eis.3] partij is, is geworden of is geweest, op straffe van lijfsdwang. Daaraan leggen [eisers] ten grondslag dat [gedaagde] in twee in kort geding gewezen vonnissen op straffe van verbeurte van dwangsommen is veroordeeld tot afgifte van die stukken, maar dat hij niettemin weigert aan die veroordelingen gevolg te geven.

4.2. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de eerdere tegen hem uitgesproken veroordelingen in kort geding te ruim zijn geformuleerd. Dit verweer miskent echter dat beide veroordelingen inmiddels onherroepelijk zijn geworden, terwijl gesteld noch gebleken is dat die veroordelingen berusten op een kennelijke feitelijke of juridische misslag. Bovendien ziet het verweer eraan voorbij dat het [eisers] in de kern gaat om afgifte van de schriftelijke bescheiden die gespecificeerd zijn opgesomd in de brief van mr. Tiethoff van 27 oktober 2008 (zie onder 2.7), met uitzondering – zo heeft mr. Tiethoff ter zitting toegelicht – van de stukken die zien op “Nieland c.s”. Ook in het onderhavige kort geding heeft [gedaagde] niet gesteld dat hij in de onmogelijkheid verkeert om die door mr. Tiethoff genoemde bescheiden af te geven. Van geen enkel door mr. Tiethoff in zijn voornoemde brief genoemd stuk heeft [gedaagde] betoogd dat hij daarover niet, of niet meer, beschikt. Ter zitting heeft [gedaagde] desgevraagd zelfs erkend dat hij beschikt over meerdere concepten van de raamovereenkomst tussen onder meer WMZ Investment B.V. en [eis.3], zij het dat hij die erkenning op een later moment tijdens de zitting weer lijkt te hebben teruggenomen. Ook de onder 2.11 weergegeven passages uit de brief van zijn voormalig advocaat mr. Moorman van Kappen van 1 juni 2010 bevatten geen overtuigende betwisting dat [gedaagde] over die stukken beschikt. Kennelijk – zo is ter zitting gebleken – gaat [gedaagde] er ook thans nog van uit dat hij zelf mag bepalen welke stukken al dan niet van belang zijn voor [eisers], maar – zoals ook al door het hof ’s-Gravenhage is overwogen in zijn arrest van 27 april 2010 (zie onder 2.10) – daarbij gaat hij eraan voorbij dat de tegen hem uitgesproken veroordelingen geen ruimte laten voor een selectie van stukken naar eigen inzicht. Het in dat verband door [gedaagde] gebezigde argument, dat hij vreest dat [eisers] van de verlangde stukken misbruik zullen maken door op grond daarvan claims tegen hem te gaan instellen, kan hem alleen al daarom niet baten, nog daargelaten dat [eisers] dit hebben betwist, zodat in dit kort geding niet van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan.

4.3. [gedaagde] komt dus de op straffe van verbeurte van dwangsommen tegen hem uitgesproken veroordelingen niet na zonder dat is gebleken dat hij buiten staat is aan zijn verplichting dienaangaande te voldoen. Dat brengt mee dat voldoende grond bestaat die veroordeling uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren nu gebleken is dat de opgelegde dwangsommen niet hebben gebaat. [eis.1] en [eis.2] hebben ook een gerechtvaardigd belang bij uitvoerbaarheid bij lijfsdwang. Zij hebben daartoe gewezen op het feit dat [gedaagde] in de jaren 2006 en 2007 namens [gedaagde] Multimedia Holding B.V., zonder voorafgaand overleg met [eis.1], diverse overeenkomsten tot stand heeft gebracht tussen [eis.3] – waarvan [eis.1] bestuurder was en is – en derden, die voor [eis.3] benadelend en schadelijk zijn geweest. [eisers] trachten thans die overeenkomsten teniet te doen, althans de gevolgen daarvan te verminderen, en stellen daartoe dringend behoefte te hebben aan de gevraagde stukken, die onder meer betrekking hebben op de door [eis.3] met WMZ Investment B.V. op 25 januari 2007 gesloten raamovereenkomst waarover thans een procedure aanhangig is bij de rechtbank Utrecht. [gedaagde] heeft tot op heden geweigerd de gevraagde bescheiden af te geven, de tegen hem uitgesproken rechterlijke veroordelingen op straffe van verbeurte van dwangsommen ten spijt. Het belang van [gedaagde] om te worden gevrijwaard van uitvoerbaarheid bij lijfsdwang moet voor het belang van [eis.1] en [eis.2] wijken, nu [gedaagde] er blijk van heeft gegeven de eerder op straffe van verbeurte van dwangsommen tegen hem uitgesproken veroordelingen niet na te leven.

4.4. Voor zover de vordering is ingesteld door [eis.3] moet deze worden afgewezen. Voorlopig geoordeeld hebben [eisers] het vermeende recht en belang van [eis.3] – die immers in de geschillen die hebben geleid tot de in kort geding gewezen vonnissen van 16 april 2008 en 13 oktober 2008 géén partij was – bij de vordering onvoldoende onderbouwd.

4.5. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eis.1] en [eis.2] worden begroot op:

- dagvaarding € 87,92

- vast recht 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.166,92

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan [eis.1] en [eis.2] af te geven, althans ter inzage te verstrekken, alle originele bescheiden die zijn opgemaakt of betrekking hebben op alle door (één of meer van) hen verrichte feitelijke en/of rechtshandelingen, waarbij [eis.3] partij is, is geworden of is geweest,

5.2. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft met de nakoming/uitvoering van dit vonnis, voor de maximale wettelijke termijn van een jaar, één en ander ingaande 24 uur na betekening van dit vonnis,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van en aan de tenuitvoerlegging van dit vonnis verbonden, die van de onder 5.2 bedoelde lijfsdwang daaronder begrepen,

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eis.1] en [eis.2] tot op heden begroot op € 1.166,92,

5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst de vorderingen van [eis.3] af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A van der Pol en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.C.D. Crezée op 27 augustus 2010.