Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN5767

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-08-2010
Datum publicatie
01-09-2010
Zaaknummer
683731 CV Expl. 10-3847 en 683734 CV Expl. 10-3850
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Echtgenote niet hoofdelijk aansprakelijk voor verbintenissen die zijn aangegaan in de uitoefening van bedrijf of beroep.

Vordering gegrond op zaakwaarneming of onverschuldigde betaling slaagt niet nu het in wezen gaat om afwikkeling van een samenwerkingsovereenkomst."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 683731 \ CV EXPL 10-3847 \ 407 so

683734 \ CV EXPL 10-3850 \ 407 so 20 augustus 2010

uitspraak van

vonnis

in de zaak (683731 \ CV EXPL 10-3847) van

de besloten vennootschap TOA Consult BV

gevestigd te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen: TOA Consult

gemachtigde [de heer B], statutair bestuurder

tegen

1. [de heer A]

2. [mevrouw A]

beiden wonende te [woonplaats]

gedaagde partijen

hierna te noemen: [de heer en mevrouw A]

gemachtigde mr. E.J.H. Reitsma

en in de zaak (683734 \ CV EXPL 10-3850) van

1. [de heer B]

2. [mevrouw B]

beiden wonende te [woonplaats]

eisende partijen

hierna te noemen [de heer en mevrouw B]

procederend in persoon

tegen

1. [de heer A]

2. [mevrouw A]

beiden wonende te [woonplaats]

gedaagde partijen

hierna te noemen [de heer en mevrouw A]

gemachtigde mr. E.J.H. Reitsma

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure in beide zaken blijkt uit:

- de tussenvonnissen van 4 juni 2010

- de brief van TOA Consult en [de heer en mevrouw B] van 22 juni 2010

- de brieven met producties van mr. Reitsma voornoemd van 9 en 12 juli 2010

- het proces-verbaal van de comparitie van 15 juli 2010, waar de zaken tegelijk zijn behandeld.

1.2. Ter comparitie is besproken dat de standpunten van partijen en de door hen overgelegde stukken in beide zaken van belang zijn en bij de beoordeling ervan moeten worden betrokken. Voor het geval de kantonrechter de afzonderlijke vorderingen in beide zaken als één vordering beschouwt, heeft mr. Reitsma namens [de heer en mevrouw A] verzocht om voortzetting van de procedure met de mogelijkheid van hoger beroep op grond van artikel 96 Rv. TOA Consult en [de heer en mevrouw B] hebben met dit verzoek ingestemd.

2. De feiten

2.1. [de heer A] had tot 8 maart 2010 een eenmanszaak onder de naam [bedrijf van de heer A] Binnen die onderneming hield hij zich bezig met de verkoop en levering, inclusief montage, van parket en houten vloeren. De verkoop vond plaats vanuit het winkelpand aan [straat en nummer] te Nijmegen.

2.2. [de heer B], statutair bestuurder van TOA Consult, is tevens directeur en mede-eigenaar van Goldwood International Ltd., een handelsonderneming en leverancier van parket en houten vloeren.

2.3. [bedrijf van de heer A] en Goldwood International hebben op 12 april 2006 een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin onder meer het volgende is bepaald.

“[…]

• [bedrijf van de heer A] en Goldwood International hebben al een gezamenlijke organisatie HBB Parketmeesters Ltd.

• De huidige samenwerking wordt verbreed doordat Goldwood International zich als gelijkwaardige partner en volwaardige partner verbindt aan alle huidige en toekomstige verbintenissen, kosten en opbrengsten en winstdelingen uit de werkzaamheden van [bedrijf van de heer A] Thans nog een eenmanszaak.

• In de verbreding van de samenwerking hebben de heren [de heer A] als vertegenwoordiger van [bedrijf van de heer A] en de heer [de heer B] als vertegenwoordiger van Goldwood International Ltd. een gelijkwaardige rol in de bedrijfsvoering en vinden alle beslissingen en afstemmingen in onderling overleg plaats.

• De samenwerking gaat in per datum van ondertekening. Op korte termijn zal de samenwerking structureel verankerd worden. Uitgangspunt is het vormen van twee holding maatschappijen, waarvan een nieuwe persoonlijke holding van de heer [de heer A] en het reeds bestaande Goldwood International.

[…].”

2.4. In het kader van de samenwerking is in 2007 op naam van [de heer A] een krediet bij de Postbank afgesloten. [de heer B] is gevolmachtigde.

2.5. [de heer B] en zijn twee zonen hebben tot medio 2008 werkzaamheden voor de onderneming verricht. [de heer B] heeft verder verschillende betalingen voor de onderneming gedaan, zowel van zijn privérekening als via TOA Consult. Het betreft salarisvoorschotten aan zijn zonen en betalingen aan crediteuren.

2.6. [de heer A] heeft de samenwerking begin september 2008 beëindigd.

2.7. TOA Consult heeft [bedrijf van de heer A] een overzicht van gedane betalingen en ontvangen vergoedingen over het jaar 2008 gestuurd. Het openstaand saldo voor dat jaar bedraagt volgens de opgave € 2.117,05.

2.8. [mevrouw B] heeft een factuur, met de hand gedateerd 5 november 2008, aan [bedrijf van de heer A] Ltd gezonden met de volgende inhoud.

“Graag ontvangen wij zo spoedig mogelijk de terugstorting van betalingen t.b.v. [bedrijf van de heer A] Ltd. crediteuren op onze privé rekening 2112816 t.n.v. [de heer B] en/of [mevrouw B] onder vermelding van terugstorting betalingen crediteuren [bedrijf van de heer A] Ltd.

Het betreft de volgende posten:

• Betaling Parketgroothandel [naam parketgroothandel C] openstaande posten d.d. 29-07-2008 1.600,00 euro

• Betaling Parketgroothandel [naam parketgroothandel D] pin betaling vloer [naam opdrachtgever] d.d. 25-07-2008 1.508,21 euro

Totaal over te maken op giro 2112816 3.108,21 euro.”

3. De vordering van TOA Consult (683731 \ CV EXPL 10-3847)

3.1. TOA Consult stelt dat zij in 2008 als interim managementbureau heeft voorzien in managementwerkzaamheden voor [bedrijf van de heer A] Hiervoor heeft zij [de heer B] beschikbaar gesteld. Daarnaast heeft zij [namen twee personen] betrokken bij het verrichten van verkoopwerkzaamheden in de winkel. TOA Consult heeft in de periode juni, juli en augustus 2008 de salarissen voor deze medewerkers voorgeschoten. In die tijd was er sprake van langdurige ziekte van [de heer A] terwijl er tevens ernstige liquiditeitsproblemen waren. TOA Consult heeft daarom zorg gedragen voor voldoening van zakelijke verplichtingen van [de heer A].

3.2. Op grond hiervan vordert TOA Consult dat de kantonrechter [de heer en mevrouw A] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 2.117,05 exclusief interestkosten en buitengerechtelijke kosten en tot slot het uiteindelijk toe te wijzen totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid van de verschillende vorderingen tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [de heer en mevrouw A] in de proceskosten.

4. De vordering van [de heer en mevrouw B] (683734 \ CV EXPL 10-3850)

4.1. [de heer en mevrouw B] stellen dat zij in juni/juli 2008 via hun privé rekening leveringen van leveranciers van [bedrijf van de heer A] hebben voorgefinancierd. Met die voorfinanciering was in totaal een bedrag van € 3.108,21 gemoeid. Deze voorfinanciering vond plaats omdat [de heer A] in die tijd langdurig ziek was, er sprake was van ernstige liquiditeitsproblemen en [de heer B] destijds als interim-manager werkzaamheden verrichtte voor [bedrijf van de heer A]

4.2. Op grond van het voorgaande vorderen [de heer en mevrouw B] dat de kantonrechter [de heer en mevrouw A] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 3.108,21 exclusief interestkosten en de buitengerechtelijke kosten en tot slot het uiteindelijk toe te wijzen totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid van de verschillende vorderingen tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [de heer en mevrouw A] in de proceskosten.

5. Het verweer van [de heer en mevrouw A] in beide zaken

5.1. [de heer en mevrouw A] voeren gemotiveerd verweer. In de eerste plaats stellen zij zich op het standpunt dat eisers in beide zaken niet ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen voor zover deze zijn gericht tegen [mevrouw A]. Zij is immers geen partij bij welke overeenkomst dan ook met [de heer en mevrouw B] of met TOA-Consult. Alle afspraken of overeenkomsten houden verband met de uitoefening van zijn bedrijf door [de heer A], zodat zijn echtgenote daarvoor niet persoonlijk aansprakelijk gehouden kan worden. Bovendien zijn [de heer en mevrouw A] niet in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

5.2. Verder betogen [de heer en mevrouw A] dat er geen overeenkomsten met [de heer en mevrouw B] of met TOA Consult tot stand zijn gekomen met de strekking die [de heer en mevrouw B] en TOA Consult daar in de uitgebrachte dagvaardingen aan geven. Wel is er een samenwerkingsovereenkomst tussen [bedrijf van de heer A] enerzijds en (de onderneming van) [de heer B] anderzijds. Op grond van die samenwerkingsovereenkomst heeft [de heer B] of een door hem vertegenwoordigde onderneming echter geen vordering. Integendeel, door de handelwijze van [de heer B] is [bedrijf van de heer A] ernstig benadeeld. Als het aankomt op afwikkeling van de samenwerking zou [de heer A] een vordering jegens [de heer B] hebben en niet andersom.

5.3. De stellingen van partijen zullen, voor zover van belang, hierna worden besproken.

6. De beoordeling

niet-ontvankelijkheid

6.1. De kantonrechter zal eerst ingaan op de vorderingen voor zover die zijn ingesteld tegen [mevrouw A] Vast staat dat het gaat om betalingen die gedaan zijn in verband met [bedrijf van de heer A], de onderneming van [de heer A]. Niet gesteld of gebleken is dat ook [mevrouw A] aan deze onderneming verbonden is geweest, anders dan als de echtgenote van [de heer A]. Betalingen ten behoeve van de onderneming zijn niet aan te merken als verbintenissen ten behoeve van de gewone gang van de huishouding, zodat zij voor [mevrouw A] geen aansprakelijkheid opleveren. Zij is ook niet aan te merken als contractspartij op grond waarvan zij hoofdelijk tot terugbetaling verplicht zou zijn. TOA Consult en [de heer en mevrouw B] zijn desondanks van mening dat [mevrouw A] hoofdelijk aansprakelijk gesteld kan worden, omdat zij heeft geprofiteerd van strafbare feiten die binnen de onderneming zijn gepleegd. TOA Consult en [de heer en mevrouw B] hebben echter niet concreet gemaakt om welke strafbare feiten het zou gaan en op welke wijze [mevrouw A] daarvan geprofiteerd heeft. Bovendien valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat dit (indien het zou komen vast te staan) hoofdelijke aansprakelijkheid met zich meebrengt. Op grond van het voorgaande zullen TOA Consult en [de heer en mevrouw B] niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen voor zover zij zijn gericht tegen [mevrouw A]

en verder

6.2. Uit hetgeen in de uitgebrachte dagvaardingen is uiteengezet lijkt te volgen dat TOA Consult en [de heer en mevrouw B] hun vorderingen hebben gebaseerd op zaakwaarneming of onverschuldigde betaling. Niet gesteld of gebleken is immers dat aan de betalingen enige overeenkomst (van opdracht) ten grondslag lag.

6.3. In de loop van de procedure is gebleken dat tussen (de ondernemingen van) [de heer A] en [de heer B] een samenwerkingsovereenkomst is gesloten. Partijen hebben toegelicht dat [de heer A] zijn onderneming en vakbekwaamheid zou inbrengen en [de heer B] zijn administratieve expertise en managementkwaliteiten. In feite zijn partijen dus een vennootschap onder firma aangegaan. Vast staat dat de voorschotbetalingen door [de heer B], al dan niet via zijn onderneming TOA Consult, zijn gedaan en dat deze bedoeld waren om de bedrijfsvoering binnen [bedrijf van de heer A] niet vast te laten lopen. Deze betalingen moeten worden beschouwd tegen de achtergrond van de samenwerkingsovereenkomst. Niet uitgesloten kan worden dat de betalingen behoorden tot de verplichtingen van [de heer B] of een aan hem verbonden onderneming uit hoofde van die samenwerking. TOA Consult en [de heer en mevrouw B] hebben niet gesteld, en daarvan is ook niet gebleken, dat tussen partijen afspraken waren gemaakt op grond waarvan financiële inbreng van [de heer B] of één van zijn ondernemingen, door [de heer A] privé terugbetaald zou moeten worden. Het voorgaande, in combinatie met de overgelegde stukken en hetgeen ter comparitie naar voren is gebracht, rechtvaardigt de conclusie dat het hier in wezen gaat om een klein onderdeel van de afwikkeling van de samenwerking. In hoeverre [de heer B] (privé of via TOA Consult) aanspraak kan maken op enige vergoeding na afwikkeling van de samenwerking, kan slechts worden beoordeeld wanneer volledig inzicht in de financiële gang van zaken en de situatie begin september 2008 bestaat. Partijen zijn het erover eens dat dat overzicht er niet is.

6.4. Nu de betalingen zijn gedaan in het kader van de samenwerkingsovereenkomst kan niet worden geconcludeerd dat deze onverschuldigd waren. Evenmin kan worden geconcludeerd dat sprake is geweest van zaakwaarneming, aangezien zaakwaarneming is gedefinieerd als “het zich willens en wetens en op redelijke grond inlaten met de behartiging van eens anders belang, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of elders in de wet geregelde verhouding te ontlenen”. Ten eerste waren met de betalingen ook de belangen van [de heer B] en zijn ondernemingen gediend, maar bovendien kan worden aangenomen dat de bevoegdheid is ontleend aan de samenwerkingsovereenkomst.

6.5. Het voorgaande betekent dat TOA Consult en [de heer en mevrouw B] de grondslag van hun vorderingen onvoldoende hebben onderbouwd. Daarom zullen deze worden afgewezen. Nu de vorderingen zijn ingesteld door twee verschillende partijen kunnen deze niet als één vordering worden aangemerkt. De kantonrechter zal daarom op de vorderingen afzonderlijk beslissen.

6.6. TOA Consult en [de heer en mevrouw B] worden in het ongelijk gesteld en zullen daarom de proceskosten moeten betalen.

7. De beslissing

De kantonrechter

I.

wijst de vordering van TOA Consult (683731 \ CV EXPL 10-3847) af;

veroordeelt TOA Consult in de proceskosten, die aan de zijde van [de heer en mevrouw A] worden begroot op € 150,00 voor salaris van de gemachtigde;

II.

wijst de vordering van [de heer en mevrouw B] (683734 \ CV EXPL 10-3850) af;

veroordeelt [de heer en mevrouw B] in de proceskosten, die aan de zijde van [de heer en mevrouw A] worden begroot op € 175,00 voor salaris van de gemachtigde;

III.

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. A.E.M. Overkamp en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2010.