Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN5637

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
196891
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van contractuele boete en aanvullende schadevergoeding na buitengerechtelijke ontbinding van koopovereenkomst.

Blijkens de tekst van de koopovereenkomst moet worden aangenomen dat de overeengekomen contractuele boete bedoeld is als (gedeeltelijke) fixatie van de schadevergoeding. Voor aansprakelijkheid voor de door eiseres daarnaast gevorderde aanvullende schadevergoeding bestaat - bij gebreke van gestelde nadere afspraken - geen grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 196891 / HA ZA 10-353

Vonnis van 25 augustus 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE VIERJAARGETIJDEN NIJMEGEN B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. E.F.E. van Essen te Apeldoorn,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[ged.1],

gevestigd te [vest.plaats],

2. [ged.2],

wonende te [woonplaats],

3. [ged.3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. C.H. Molenaar te Zevenaar.

Partijen zullen hierna de Vierjaargetijden, [gedaagden] (gedaagden 1 t/m 3), [ged.1] (gedaagde 1), [ged.2] (gedaagde 2) en [ged.3] (gedaagde 3) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 juni 2010,

- het proces-verbaal van comparitie van 2 augustus 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De Vierjaargetijden heeft op 27 mei 2008 een koopovereenkomst gesloten met [ged.1] waarbij zij, onder meer, de exploitatie van het horecabedrijf [[naam horecabedrijf]] gelegen aan de [adres] (verder: het horecabedrijf) heeft verkocht voor een koopsom van € 65.000,-. In de zich bij de stukken bevindende koopovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Verkoper verklaart voor de somma van € 65.000,- (zegge: vijfenzestigduizend euro) verkocht te hebben aan koper, die verklaart te hebben gekocht voor die somma:

* de exploitatie van het horecabedrijf [[naam horecabedrijf]], gevestigd: [adres];

* de in het bedrijf aanwezige inventaris, door koper gezien en waarvan geen nadere omschrijving is

verlangd;

* de handelsnaam [[naam horecabedrijf]];

* de huurrechten van het onderhavige bedrijfspand, waartoe separaat een indeplaatsstelling onder

dezelfde voorwaarden en condities, danwel een nieuw huurcontract zal worden aangeboden door de

hoofdhuurder;

(…)

Artikel 7.

Indien één der partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende 8 (acht) dagen nalatig blijft aan de uitvoering van deze overeenkomst zijn medewerking te verlenen, zal de overeenkomst van rechtswege, zonder rechterlijke tussenkomst, ontbonden zijn, tenzij de wederpartij alsnog uitvoering van deze overeenkomst verlangt. In beide gevallen zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder nadere ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete verbeuren van tien procent van de koopsom, onverminderd het recht op verdere schadevergoeding.

(…)

Artikel 10.

De courtage en verschotten t.b.v. de makelaar zijn voor rekening van de verkoper.

(…)

Artikel 24.

Als opschortende voorwaarde voor deze overeenkomst geldt:

Indien de verhuurder niet accoord gaat met een indeplaatsstelling van de huurovereenkomst met ingang van de datum van feitelijke eigendomsoverdracht danwel aan koper een nieuw huurcontract aanbiedt onder dezelfde voorwaarde en condities als de bestaande huurovereenkomst. Partijen zullen alsdan de daartoe bevoegde kantonrechter verzoeken een uitspraak te doen met betrekking tot een indeplaatsstelling. Tot de datum van uitspraak van een kantonrechter zal de feitelijke eigendomsoverdracht worden opgeschort tot de hiertoe bedoelde datum.”

2.2. Bij de stukken bevindt zich voorts een bij de koopovereenkomst horende bijlage, die op 16 juni 2008 is ondertekend door [betrokkene1] en [betrokkene2] namens

De Vierjaargetijden en door [ged.2] en [ged.3] In deze bijlage is opgenomen:

“De ondergetekenden: [ged.1] (…), de heer [ged.2] (…) alsmede de heer [ged.3] (…)

Verklaren onderstaand als volgt:

Vooruitlopend op de overdracht en aanvaarding van: het horecabedrijf [[naam horecabedrijf]], gevestigd: [adres], zullen voornoemde partijen zowel gezamenlijk als ieder

voor zich in privé borg staan voor betaling van de koopsom voor overname van voornoemd horecabedrijf ter grootte van € 65.000,- (zegge: vijfenzestigduizend euro).

Koper van het bedrijf, blijkens de door deze ondertekende overeenkomst van koop en verkoop

d.d. 27 mei 2008, zal op 16 juni 2008 reeds de sleutel aanvaarden van het bedrijf en van verkopende partij toestemming verkrijgen tot verbouwing en exploitatie van het door hem gekochte op de wijze en zoals aangegeven in voornoemde overeenkomst.

De kopende partij zal aan de verkopende partij, naast de koopsom, een vergoeding voor latere betaling betalen van 10 % (zegge: 10 procent) op jaarbasis van de totale koopsom over de periode vanaf 16 juni 2008 tot de datum van juridische overdracht, zijnde de datum waarop de gemeentelijke vergunning tot exploitatie aan de kopende partij is verstrekt.”

2.3. [ged.1] heeft de sleutel van het horecabedrijf op 16 juni 2008 aanvaard en is begonnen met de exploitatie daarvan. De koopsom is niet voldaan.

2.4. De koopovereenkomst is op 4 september 2009, acht dagen na de door

De Vierjaargetijden op 27 augustus 2009 gezonden ingebrekestelling, buitengerechtelijk

ontbonden. In deze ingebrekestelling waren als openstaande posten opgenomen:

- Koopsom € 65.000,00

- Huur juli ’08 – augustus ’09 € 37.754,34

- Precario 4-daagse 2008 € 5.000,00

- Gemeente precario € 5.600,00

- Door [betrokkene1] betaalde courtage € 5.950,00

- 10 % koopsom exploitatie gebruik 13 mnd € 7.033,00

------------------

Totaal: € 126.337,34

3. Het geschil

3.1. De Vierjaargetijden vordert dat de rechtbank gedaagden, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk zal veroordelen tot:

- betaling aan haar van een bedrag van € 67.837,34 (waarbij de vordering ten aanzien van de gedaagden [ged.2] en [ged.3] is gemaximeerd tot een bedrag van € 65.000,00), vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 16 juni 2008, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening,

- betaling van de buitengerechtelijke incassokosten conform het liquidatietarief,

- betaling van de proceskosten, vermeederd met de nakosten en de wettelijke rente over de nakosten.

3.2. De Vierjaargetijden grondt haar vordering op artikel 7 van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst en vordert op grond daarvan, onder verwijzing naar de buitengerechtelijk ontbinding van de koopovereenkomst, de contractueel overeengekomen boete en voorts aanvullende schadevergoeding.

3.3. [gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Behalve de raadsman is er namens [gedaagden] niemand ter comparitie verschenen. Namens [ged.2], tevens vennoot van [ged.1], was voorafgaand aan de comparitie al een aanhoudingsverzoek gedaan. Dit verzoek is reeds toen - mede vanwege het feit dat geen zicht werd geboden op de lengte en de duur van de behandeling van de ziekte van [ged.2] - afgewezen. Ter comparitie heeft de raadsman aangegeven dat [ged. 3], gelet op de toestand van zijn zoon, ook besloten heeft niet te verschijnen. Aangezien niet is gebleken van een klemmende reden of overmacht, is op het ter zitting gedane uitstelverzoek eveneens afwijzend beslist. Mede gelet op artikel 88 lid 4 Rv wordt als volgt geoordeeld.

4.2. Door [gedaagden] is een drietal verweren gevoerd gericht op niet-ontvankelijk verklaring van De Vierjaargetijden, danwel afwijzing van haar vordering tegen (een deel van de) gedaagden. De rechtbank zal allereerst op deze verweren ingaan.

4.3. Als meest verstrekkend verweer hebben [gedaagden] aangevoerd dat De Vierjaargetijden niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering omdat de inleidende dagvaarding een obscuur libel is. De rechtbank verwerpt dit verweer.

De vordering van eiseres alsmede de grondslag waarop deze rust en de stellingen waarmee zij deze onderbouwt, blijken duidelijk uit de dagvaarding. Het moet aan de hand hiervan voor gedaagden duidelijk zijn geweest waartegen zij zich dienen te verweren.

4.4. Vervolgens hebben [gedaagden] aangevoerd dat tussen De Vierjaargetijden en [ged.1] - anders dan eiseres stelt - geen overeenkomst tot stand is gekomen, omdat niet voldaan is aan de in artikel 24 van de koopovereenkomst opgenomen opschortende voorwaarde. Gesteld wordt dat aan [ged.1] door Grolsch, de verhuurder van het horecabedrijf, geen huurovereenkomst is aangeboden onder dezelfde voorwaarden en condities als de bestaande huurovereenkomst terwijl voorts geen indeplaatsstelling heeft plaatsgevonden. Gedaagden werpen op dat de vordering van eiseres, die (enkel) is gebaseerd op de niet tot stand gekomen overeenkomst, gelet hierop afgewezen dient te worden. De Vierjaargetijden hebben, in reactie op dit verweer, aangevoerd dat door gedaagden voorafgaand aan de ontbinding van de koopovereenkomst nimmer een beroep is gedaan op een opschortende voorwaarde.

4.5. De rechtbank oordeelt als volgt. De Vierjaargetijden en [ged.1] hebben op 27 mei 2008 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot het horecabedrijf. [ged.1] heeft de sleutel van het horecabedrijf op 16 juni 2008 aanvaard en is begonnen met de exploitatie daarvan. Blijkens de onder rov. 2.2 opgenomen bijlage zou als datum van de juridische overdracht van het horecabedrijf gelden de datum waarop de gemeentelijke vergunning tot exploitatie aan [ged.1] zou worden verstrekt. Hoewel de juridische overdracht van het horecabedrijf nog niet had plaatsgevonden, was in de periode tussen de aanvaarding van de sleutel en de ontbinding van de koopovereenkomst wel degelijk sprake van een overeenkomst tussen de vierjaargetijden en [ged.1] en voorts van daaruit voor partijen voortvloeiende verbintenissen.

4.6. In artikel 24 van de koopovereenkomst zijn partijen - blijkens de tekst van dit artikel - een regeling overeengekomen voor het geval dat de verhuurder (Grolsch) niet akkoord zou gaan met een indeplaatsstelling van de huurovereenkomst met ingang van de datum van de feitelijke eigendomsoverdracht, dan wel wanneer aan [ged.1] geen [de rechtbank gaat er van uit dat in artikel 24 van de koopovereenkomst in plaats van “een”“geen” gelezen dient te worden] nieuw huurcontract onder dezelfde voorwaarden en condities zou worden aangeboden. Partijen zijn overeengekomen zich in dat geval tot de kantonrechter te zullen wenden om deze te verzoeken een uitspraak te doen met betrekking tot de indeplaatstselling. In artikel 24 is opgenomen dat de feitelijke eigendomsoverdracht - waarmee naar het oordeel van de rechtbank gelet op de feitelijke gang van zaken de juridische overdracht als weergegeven in de onder rov. 2.2 opgenomen bijlage zal zijn bedoeld - in dat geval zou worden opgeschort tot de datum van de uitspraak van de kantonrechter. Van een opschortende voorwaarde die in de weg staat aan het bestaan of totstandkomen van de overeenkomst als zodanig is, gelet op de tekst van artikel 24 van de koopovereenkomst, derhalve geen sprake. Nu voorts niet gesteld of gebleken is dat [ged.1] voorafgaand aan de buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst een beroep hebben gedaan op artikel 24 van de koopovereenkomst en partijen zich niet tot de kantonrechter hebben gewend in verband met problemen rondom de indeplaatsstelling, valt niet in te zien dat - zoals gedaagden betogen - geen overeenkomst is totstandgekomen.

4.7. Gedaagden hebben voorts aangevoerd dat eiseres niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering jegens [ged.2] en [ged.3], althans dat haar vordering jegens deze twee gedaagden afgewezen dient te worden, omdat deze gedaagden zich blijkens de bijlage bij de koopovereenkomst enkel (in privé) borg hebben gesteld voor de betaling van de koopsom. Nu de koopovereenkomst is ontbonden en van betaling van de koopsom geen sprake meer is, is de borgstelling van [ged.2] en [ged.3] in zijn geheel komen te vervallen en kunnen zij niet meer worden aangesproken door eiseres, aldus gedaagden.

4.8. De rechtbank overweegt als volgt. [ged.2] en [ged.3] hebben zich middels een overeenkomst van borgtocht tegenover De Vierjaargetijden verbonden tot betaling van de koopsom van het horecabedrijf van € 65.000. Uit artikel 7:854 BW vloeit voort dat in geval de verbintenis van de hoofdschuldenaar de betaling van een geldsom inhoudt, hetgeen hier het geval is, de borg slechts gehouden is tot betaling van deze geldsom en van eventuele schadevergoeding die hij uit eigen hoofde jegens de schuldeiser is verschuldigd. Wanneer de hoofdschuldenaar op grond van een boetebeding een boete is verschuldigd, wordt op grond van artikel 6:92 lid 2 BW aangenomen dat deze boete eveneens verschuldigd is door de borg. Dit is slechts anders wanneer de boete enkel is bedoeld als prikkel tot nakoming en niet of niet tevens als fixatie van de schadevergoeding. Voor aansprakelijkheid van de borg voor door de hoofdschuldenaar te betalen aanvullende schadevergoeding, bestaat op grond van een overeenkomst van borgtocht zonder nadere afspraken geen grond. Bovenstaande brengt mee dat [ged.2] en [ged.3] gelet op de door hen gesloten overeenkomst van borgtocht in beginsel gehouden waren de koopsom te betalen en na ontbinding van de koopovereenkomst, gelet op het bepaalde in artikel 7 daarvan, maximaal gehouden kunnen worden tot (hoofdelijke) betaling van de door [ged.1] met De Vierjaargetijden overeengekomen contractuele boete van € 6.500,00. Blijkens de tekst van de koopovereenkomst moet immers worden aangenomen dat deze bedoeld is als (gedeeltelijke) fixatie van de schadevergoeding. Voor aansprakelijkheid van hen voor de door eiseres daarnaast gevorderde aanvullende schadevergoeding bestaat - bij gebreke van gestelde nadere afspraken - geen grond.

4.9. De Vierjaargetijden vordert als hoofdsom een bedrag van € 67.837,34, bestaande uit de contractueel overeengekomen boete en aanvullende schadevergoeding, zoals weergegeven in onderstaande posten:

A. Door verkoper betaalde huur juli 2008 - augustus 2009: € 37.754,34

B. Door verkoper betaalde precario 4-daagse 2008: € 5.000,00

C. Door verkoper betaalde gemeenteprecario: € 5.600,00

D. Door verkoper betaalde courtage makelaar: € 5.950,00

E. Exploitatie gebruik 13 maanden: € 7.033,00

F. Contractuele boete 10% koopsom: € 6.500,00

De rechtbank zal de verschillende posten achtereenvolgens beoordelen.

Post A:

4.10. De Vierjaargetijden stelt met haar koper [ged.1] overeen te zijn gekomen dat deze vennootschap tot het moment van de juridische eigendomsoverdracht de door De Vierjaargetijden aan Grolsch, de verhuurder van het horecabedrijf, verschuldigde maandelijkse huur zou vergoeden. Eiseres heeft een door haar aan [ged.1] gezonden factuur van € 2.904,18, betrekking hebbende op de maand juli 2008, in het geding gebracht en vordert gelet op de periode tussen de aanvaarding van de sleutel door [ged.1] op 16 juni 2008 en de ontbinding van de koopovereenkomst op 4 september 2009, dit maandbedrag over de maanden juli 2008 tot en met augustus 2009. Dit gedeelte van haar vordering komt daarmee op € 37.754,34 (13 x € 2904,18).

4.11. Uit de aanhef van de koopovereenkomst blijkt dat deze eveneens zag op de aan het pand verbonden huurrechten. Eiseres heeft onbetwist gesteld dat zij met [ged.1] is overeengekomen dat deze vennootschap tot het moment van de juridische eigendomsoverdracht de door De Vierjaargetijden aan Grolsch verschuldigde maandelijkse huur zou vergoeden, hetgeen overigens ook logisch lijkt gelet op de feitelijke gang van zaken tussen partijen. Gelet op de onderbouwde stelling van eiseres, voorzien van een factuur waaruit het door haar gevorderde maandbedrag blijkt, had het op de weg van [ged.1] gelegen de verschuldigdheid van de huur en het gevorderde bedrag gemotiveerd te betwisten. De enkele algemene opmerking in de conclusie van antwoord dat gedaagden betwisten dat eiseres de gevorderde bedragen heeft betaald en dat zij (gedaagden) gehouden zouden zijn de bedragen te voldoen, is hiervoor te weinig. De rechtbank zal dit gedeelte van de vordering daarom toewijzen.

Post B en C:

4.12. Eiseres stelt met [ged.1] tijdens een gesprek voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst overeengekomen te zijn dat zij de door de gemeente Nijmegen aan De Vierjaargetijden in rekening gebrachte precario’s vanaf het moment van aanvaarding van de sleutel tot de juridische eigendomsoverdracht zou doorberekenen aan [ged.1]

Post B ziet op het precario voor de vierdaagse in 2008. Eiseres stelt dat hiervoor door de gemeente Nijmegen een bedrag van ruim € 10.000,00 in rekening is gebracht - welk bedrag bovenop het normale precario op jaarbasis komt - en verwijst ter onderbouwing van dit bedrag naar de onder E in het geding gebrachte productie. [ged.1] heeft

€ 5.000,00 voldaan, als gevolg waarvan een bedrag van € 5.000,00 resteert, aldus eiseres.

Post C ziet op het normale gemeentelijke precario dat jaarlijks in rekening wordt gebracht door de gemeente Nijmegen. Het gevorderde bedrag van € 5.600,00 is omgerekend naar de periode waarop de vordering ziet, zo is ter comparitie toegelicht van de zijde van

De Vierjaargetijden.

4.13. Gedaagden hebben ten aanzien van alle gevorderde posten gezamenlijk bij conclusie van antwoord slechts aangegeven dat zij betwisten dat eiseres de gevorderde bedragen heeft betaald en voorts dat zij gehouden zijn de gevorderde bedragen te voldoen. Gelet op de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van eiseres, had het op de weg van gedaagden gelegen de posten B en C gemotiveerd te betwisten, de enkele algemene opmerking is hiertoe onvoldoende. De posten B en C zullen worden toegewezen.

Post D:

4.14. De Vierjaargetijden vordert onder post D courtagekosten voor de makelaar. Gedaagden hebben betwist dat eiseres het gevorderde bedrag heeft betaald en voorts dat zij gehouden zijn dit bedrag te voldoen. Weliswaar blijkt uit de als productie C in het geding gebrachte factuur van Horecamakelaardij Holland Business Consultants dat door dit bedrijf een bedrag van € 5.950,00 in rekening is gebracht aan eiseres als courtage inzake de bemiddeling bij het horecabedrijf, uit artikel 10 van de koopovereenkomst blijkt dat de courtage en verschotten ten behoeve van de makelaar voor rekening van de verkoper - te weten eiseres - zijn. Eiseres had deze kosten ook moeten maken als [ged.1] de koopsom wel had voldaan, ze kunnen derhalve niet als schade als gevolg van de buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst worden gezien. Dat de kosten in het onderhavige geval, gelet op de ontbinding van de koopovereenkomst, om niet zijn gemaakt, zoals aangevoerd door eiseres ter comparitie, doet hier niet aan af. Dit gedeelte van de vordering zal worden afgewezen.

Post E:

4.15. De Vierjaargetijden stelt met [ged.1] een exploitatievergoeding te zijn overeengekomen voor de periode tussen de aanvaarding van de sleutel en de juridische eigendomsoverdracht en verwijst daartoe naar de derde alinea van de onder rov. 2.2 opgenomen bijlage behorende bij de koopovereenkomst. In deze alinea is opgenomen dat de kopende partij aan de verkopende partij naast de koopsom een vergoeding voor latere betaling zal betalen van 10 % op jaarbasis van de totale koopsom over de periode vanaf

16 juni 2008 tot de datum van de juridische overdracht. Eiseres vordert op grond van deze bepaling en gelet op de ontbinding van de overeenkomst in september 2009, een bedrag van € 541,47 per maand (€ 6.500 : 12 maanden) over de maanden juli 2008 tot en met augustus 2009. In totaal wordt voor deze post derhalve een bedrag van € 7.033,00 (€ 541,47 x 13) gevorderd.

4.16. Tegenover de gemotiveerde stelling van eiseres waarbij wordt verwezen naar de door beide partijen ondertekende bijlage bij de koopovereenkomst, staat ook op dit punt enkel de algemene opmerking in de conclusie van antwoord dat gedaagden betwisten dat zij gehouden zijn het gevorderde bedrag te voldoen. Dit is een onvoldoende gemotiveerde betwisting. Ook dit gedeelte van de vordering zal derhalve worden toegewezen.

Post F:

4.17. Onder post F vordert De Vierjaargetijden, in verband met de ontbinding van de koopovereenkomst, de in artikel 7 van de koopovereenkomst contractueel overeengekomen boete van 10 % van de koopsom, te weten € 6.500. Gedaagden betwisten in zijn algemeenheid gehouden zijn het gevorderde bedrag te voldoen.

4.18. Gelet op de gemotiveerde stelling van eiseres en de inhoud van artikel 7 van de tussen partijen gesloten overeenkomst, is de rechtbank van oordeel dat de betwisting door gedaagden onvoldoende gemotiveerd is. Dit gedeelte van de vordering zal derhalve - gelet op hetgeen in rov. 4.8 is overwogen, ten aanzien van alle gedaagden hoofdelijk, - worden toegewezen.

4.19. Met inachtneming van het voorgaande zal ten aanzien van [ged.1] worden toegewezen:

Post A: Door verkoper betaalde huur juli 2008 - augustus 2009: € 37.754,34

Post B: Door verkoper betaalde precario 4-daagse 2008: € 5.000,00

Post C: Door verkoper betaalde gemeenteprecario: € 5.600,00

Post E: Exploitatie gebruik 13 maanden: € 7.033,00

Post F: Contractuele boete 10% koopsom: € 6.500,00

---------------

Totaal: € 61.887,34

Ten aanzien van [ged.2] en [ged.3] wordt (hoofdelijk) toegewezen de onder post F gevorderde contractuele boete van € 6.500,00.

4.20. Eiseres heeft vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Zij heeft echter niet gesteld en aannemelijk gemaakt dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten zal derhalve worden afgewezen.

4.21. Eiseres heeft voorts aanspraak gemaakt op de wettelijke handelsrente ex

artikel 6:119a BW vanaf de dag van verzuim, zijnde 16 juni 2008, althans vanaf de dag der dagvaarding. De wettelijke rente ex artikel 6:119a BW zal ten aanzien van [ged.1], als onbetwist, worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding aangezien de vordering verschillende posten betreft en onduidelijk is vanaf welk moment [ged.1] ten aanzien van de verschillende posten in verzuim is geraakt.

[ged.2] en [ged.3] zijn, niet betwist, op grond van de overeenkomst van borgtocht hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van het aan hen toe te rekenen gedeelte van de wettelijke rente over de contractuele boete ex artikel 6:119 BW. Blijkens de dagvaarding zijn [ged.2] en [ged.3] op 20 november 2009 aangesproken tot betaling. Nu deze datum niet is betwist en uit productie G bij dagvaarding blijkt dat toen een betalingstermijn van

5 werkdagen is gegund, zal ten aanzien van hen (hoofdelijk) de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de contractuele boete worden toegewezen vanaf 26 november 2009.

4.22. [gedaagden] zullen voorts als de in het ongelijk gestelde partijen, hoofdelijk, in de proceskosten, waaronder de nakosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Vierjaargetijden worden begroot op:

- dagvaarding € 228,52

- vast recht 1.730,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punt × tarief € 894,00)

Totaal € 3.746,52

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [ged.1] om aan De Vierjaargetijden te betalen een bedrag van € 55.387,34 (vijfenvijftigduizend driehonderd zevenentachtig euro en vierendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag vanaf 10 februari 2010 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan De Vierjaargetijden te betalen een bedrag van € 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro),

5.3. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan De Vierjaargetijden te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag van € 6.500,00 vanaf 10 februari 2010, waarbij heeft te gelden dat [ged.2] en [ged.3] maximaal gehouden kunnen worden te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 6.500,00 vanaf 26 november 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.4. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van De Vierjaargetijden tot op heden begroot op € 3.746,52,

5.5. veroordeelt [gedaagden] tevens hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de nakosten, aan de zijde van De Vierjaargetijden bepaald op € 131,- voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,- voor nasalaris advocaat en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagtekening van dit vonnis,

5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2010.