Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN5634

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
197744
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2011:BR6842, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dochter (eiseres) vordert te bepalen dat de as van haar overleden vader, met wie zij geen contact meer had, aan haar wordt afgegeven en dat de nieuwe vriendin van haar vader (gedaagde) daaraan haar medewerking moet verlenen. Vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/378

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 197744 / HA ZA 10-479

Vonnis van 11 augustus 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. P.A.W. Eskens te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. ing A. Klein te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 juni 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 28 juli 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is de dochter van [betrokkene1]. Zij heeft één broer, [betrokkene2].

2.2. De moeder van [eiseres] is op 7 oktober 1998 overleden. Zij is op de begraafplaats Moscowa begraven.

2.3. De jaren voorafgaand aan zijn overlijden heeft [eiseres] geen contact met haar vader gehad. [betrokkene1] heeft schriftelijk aangegeven dit contact niet te wensen en [eiseres] heeft hem in 2002 een stuk doen toekomen dat eruit ziet als een rouwkaart van [betrokkene1] en dat de tekst bevat ‘Rust maar zacht, ook al zul je nimmer rust vinden.’

2.4. [betrokkene1] heeft op 3 september 2003 bij testament [gedaagde], aangeduid als ‘mijn vriendin’ en bij plaatsvervulling haar beide kinderen, [betrokkene3] en [betrokkene4], tot erfgenamen benoemd en zijn eigen kinderen onterfd.

2.5. [betrokkene1] is overleden op [datum]. Zijn lichaam is in opdracht van [gedaagde] gecremeerd bij Begraafplaats & Crematorium Moscowa B.V.

2.6. Begraafplaats & Crematorium Moscowa B.V. heeft [eiseres] laten weten gedurende twee maanden na 24 november 2009 de twee kokers met de as van [betrokkene1] in bewaring te houden en daarna, als geen andersluidend bericht is ontvangen, contact op te nemen met [gedaagde] om de asbestemming overeenkomstig dier wens uit te voeren.

2.7. Op 22 januari 2010 is op verzoek van [eiseres] conservatoir beslag gelegd op de as. De twee askokers zijn in bewaring gegeven.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert te bepalen dat de twee askokers met as van [betrokkene1] op eerste verzoek aan haar moeten worden afgegeven en [gedaagde] te bevelen hieraan voor zover nodig haar medewerking te verlenen, met veroordeling in de kosten, waaronder begrepen de nakosten van dit geding.

3.2. Zij stelt, kort samengevat, dat [betrokkene1] zich over de lijkbezorging niet heeft uitgesproken zodat met de gevoelens en belangen van haar als nabestaande rekening moet worden gehouden. [eiseres] wijst op haar emotionele belang bij een plaats waar zij haar vader kan gedenken. Haar broer stemt in met het bijzetten van de twee askokers in het graf waarin hun moeder begraven ligt, stelt [eiseres].

3.3. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. [betrokkene1], stelt zij, is overeenkomstig zijn wens gecremeerd en heeft zich over de asbestemming niet uitgelaten. Zij is van mening dat het op de weg van haar als levensgezel van [betrokkene1] ligt om de asbestemming te bepalen. Zij ziet haar stellingen bevestigd in het testament van [betrokkene1].

3.4. De rechtbank zal voor zover nodig nader op de stellingen van partijen ingaan.

4. De beoordeling

4.1. Volgens art. 18 Wet op de Lijkbezorging geschiedt de lijkbezorging “overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden.”

4.2. In dit geval kan worden aangenomen dat [betrokkene1] de crematie gewenst heeft. Vervolgens komt de vraag naar de asbestemming aan de orde.

4.3. Art. 59 Wet op de Lijkbezorging geeft als algemene regel voor de asbestemming na crematie dat de “asbus ter beschikking wordt gesteld aan de nabestaande door of namens wie de opdracht tot de crematie is gegeven.”

4.4. Krachtens art. 59 Wet op de Lijkbezorging is aan [gedaagde] als de nabestaande door wie de opdracht tot de crematie is gegeven, de mogelijkheid geboden de asbestemming te bepalen. Daarmee is haar wens ten aanzien van de asbestemming relevant.

4.5. Los van de regel van art. 59 Wet op de Lijkbezorging heeft naar het oordeel van de rechtbank ook ten aanzien van de asbestemming te gelden dat als niet vast te stellen is wat de wens van de overledene was of geweest zou zijn, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is een bestemming gekozen moet worden in overeenstemming met de wensen van de nabestaanden, rekening houdend met hun gevoelens.

4.6. Dit leidt tot de vraag wie als nabestaande(n) van [betrokkene1] gezien moet(en) worden. Naar de letter genomen zijn dat in ieder geval zijn twee kinderen. Het woord nabestaanden duidt in het spraakgebruik echter op degenen die de overledene het naast stonden. Voor de vraag wie dat zijn, moet allereerst worden nagegaan of de overledene zelf zich bij leven hierover uitgelaten heeft. Het testament van [betrokkene1] biedt hiervoor juridisch gezien het meest zuivere aanknopingspunt. Het testament immers houdt datgene in wat iemand wil dat na zijn dood geschiedt en is met wettelijke waarborgen omgeven die erop gericht zijn deze wens zo zuiver mogelijk in het testament opgenomen te laten worden.

4.7. Uit het testament blijkt naar het oordeel van de rechtbank ondubbelzinnig dat voor [betrokkene1] [gedaagde] hem het naast stond, terwijl zijn kinderen op het tweede plan kwamen. Dit oordeel wordt bevestigd door de onder 2.3 aangeduide omstandigheden.

4.8. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank in deze zaak [gedaagde] moet behandelen als nabestaande van [betrokkene1] in de hierboven bedoelde context. Daarnaast is [eiseres] als kind van [betrokkene1] nabestaande.

4.9. De vraag is dan of door alleen [gedaagde] – in overeenstemming overigens met de Wet op de Lijkbezorging – te laten beslissen over de asbestemming voldoende rekening wordt gehouden met de gevoelens van [eiseres]. De rechtbank begrijpt [eiseres]s wens om juist na de jaren waarin het contact met haar vader verbroken bleef, een concrete invulling te willen geven aan de mogelijkheid haar vader te gedenken. Voor dit gedenken is echter in redelijkheid de beschikking over beide askokers naar het oordeel van de rechtbank niet nodig en [eiseres] vordert uitsluitend afgifte van beide kokers. Daarbij laat zij in het midden wanneer die in het graf van haar moeder geplaatst zouden kunnen worden.

4.10. Toewijzing van de vordering zou [gedaagde] voor onbepaalde tijd van de hier bedoelde mogelijkheid om te gedenken verstoken houden. Afweging van de belangen van partijen verzet zich daartegen gelet op de positie die zij als naaste nabestaande van [betrokkene1] en ten opzichte van de asbestemming inneemt.

4.11. Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vordering.

4.12. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht € 263,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.167,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.167,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2010.