Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN5561

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
183699
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het incident vordert eiser dat de rechtbank zal gelasten dat gedaagden over zullen gaan tot het in het geding brengen van de stukken.

Aan zijn vordering – die is gebaseerd op artikel 3:15j BW en artikel 162 Rv – legt hij kort gezegd ten grondslag dat hij, om deugdelijk te kunnen repliceren op door gedaagden ingenomen standpunten en gevoerde verweren, de beschikking dient te hebben over deze stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 183699 / HA ZA 09-674

Vonnis in de hoofdzaak en in het incident van 18 augustus 2010

in de zaak van

[eis.hfdz./eis.inc.],

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. M.M. de Jong te Goirle,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[ged.1hfdz./verw.1inc.],

gevestigd te [vest.plaats],

2. [ged.2hfdz./verw.2inc.],

wonende te [woonplaats],

3. [ged.3hfdz./verw.3inc.],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Eiser wordt hierna [eiser] genoemd, gedaagden worden afzonderlijk [ged.2], [ged.3] en [ged.1] genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 28 oktober 2009 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

- het proces verbaal van de comparitie van partijen van 12 februari 2010, waarna de zaak is verwezen naar de rol voor het nemen van conclusies van re- en dupliek;

- de incidentele conclusie houdende een verzoek ex artikel 3:15j BW en artikel 162 Rv;

- de conclusie van antwoord in het incident.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] was eigenaar van een boerderij met toebehoren genaamd [naam boerderij]. In verband met financiële problemen is [eiser] in zee gegaan met [betrokkene1]. [eiser] en [betrokkene1] hebben daartoe in 1998 een vennootschap onder firma opgericht waarbij [eiser] de boerderij en gronden heeft ingebracht.

2.2. In 1999 is de vennootschap onder firma omgezet in een besloten [naam vof]. De helft van de aandelen werd gehouden door [betrokkene2]., een vennootschap van [betrokkene1] die later is opgegaan in een andere vennootschap van [betrokkene1], te weten [betrokkene3]. De andere helft van de aandelen werd gehouden door [betrokkene4]., waarvan [eiser] de directeur was. Vervolgens zijn nieuwe aandelen uitgegeven aan [betrokkene5], een vennootschap van ene [betrokkene6], die daarmee voor eenderde aandeelhoudster werd in [naam boerderij]. [betrokkene5] heeft haar aandelen vervolgens verkocht aan [ged.1]., een vennootschap van [ged.2]. In december 1999 zijn de activa van [naam boerderij] B.V. verkocht aan Copal B.V.

2.3. [ged.1]. houdt 90% van de aandelen in [ged.1]

2.4. In verband met allerlei gerezen geschillen hebben [eiser], [betrokkene4]. (waarvan [eiser] de enige directeur was) en [betrokkene1] (in privé en mede namens alle door hem direct of indirect beheerste aan hem gelieerde vennootschappen en andere rechtspersonen) op 25 en 26 februari 2005 een vaststellingsovereenkomst ondertekend waarin onder meer staat:

‘2. [betrokkene4]. verkoopt al haar aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam boerderij] B.V. (een derde van de uitstaande aandelen) aan [betrokkene1] voor een bedrag van € 200.000,--. De notariële levering van deze aandelen zal plaatsvinden ten overstaan van (…) notaris (…) In de notariële akte van levering zal worden opgenomen dat de koopsom gelijk is aan de vorderingen die de besloten vennootschappen [betrokkene3] en/of [naam boerderij] B.V. blijkens hun boeken te vorderen hebben van [betrokkene4]. en [eiser] in privé. De koopprijs van deze vorderingen zullen vervolgens met elkaar worden verrekend, zodat terzake van deze verkoop geen feitelijke betalingsverplichting van [betrokkene1] aan [eiser] en/of [betrokkene4]. bestaat. Het bedrag van de koopsom van € 200.000,-- zal door [betrokkene1] aan [ged.2] worden betaald en is verdisconteerd in de vaststellingsovereenkomst tussen [betrokkene1] en [ged.2] die heden wordt ondertekend. [ged.2] staat er voor in dat het bedrag van € 200.000,-- aan [eiser] wordt betaald. (…)’

2.5. Tijdens de comparitie van partijen in de hoofdzaak op 12 februari 2010 heeft [ged.2] onder meer verklaard:

‘(…) Ik sprak met [betrokkene1] af [eiser] te bewegen zijn aandelen aan [betrokkene1] te verkopen. Ik zou dat dan ook doen. Dan zou [betrokkene1] geheel eigenaar worden en daardoor konden [betrokkene1] en ik de vennootschapsrechtelijke samenwerking ontvlechten. (…) Ik wist ook van de overeenkomst af en in algemene zin ook wat er in stond, maar ik heb de overeenkomst nooit onder ogen gehad. De reden dat ik bereid was om als doorgeefluik op te treden was omdat ik er belang bij had in het kader van de ontvlechting tussen [betrokkene1] en mij, dat [eiser] aan [betrokkene1] zijn aandelen overdroeg. (…)’

3. De vordering

3.1. In de hoofdzaak vordert [eiser] dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan hem van € 145.539,74, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, vermeerderd met rente en met veroordeling van de gedaagden in de kosten. Aan die vordering ligt kort gezegd ten grondslag dat gedaagden gehouden zijn het restant te voldoen van het bedrag van € 200.000,-- dat [eiser] op grond van de vaststellingsovereenkomst met [betrokkene1] toekomt.

3.2. In het incident vordert [eiser] dat de rechtbank zal gelasten dat gedaagden over zullen gaan tot het in het geding brengen van de hierna genoemde stukken, onder oplegging van een dwangsom van € 2.500,-- voor ieder te overleggen document en voor iedere dag dat zij nalatig blijven aan het in dezen te geven bevel te voldoen:

I. Afschrift van alle overeenkomsten zoals gesloten tussen gedaagden en [betrokkene1] in het kader van de ontvlechting van de vennootschappelijke banden tussen die partijen.

II. Een brief van mr. Kolkert met daarin een opsomming van alle overeenkomsten zoals gesloten tussen gedaagden en [betrokkene1] in het kader van de ontvlechting van de vennootschappelijke banden tussen die partijen.

III. Een overzicht van alle stukken die betrekking hebben op de incasso activiteiten van gedaagden jegens [betrokkene1] uit hoofde van de gesloten overeenkomsten in het kader van de ontvlechting van de vennootschappelijke banden tussen die partijen.

IV. Een afschrift van alle stukken die betrekking hebben op de incasso activiteiten van gedaagden jegens [betrokkene1] uit hoofde van de gesloten overeenkomsten in het kader van de ontvlechting van de vennootschappelijke banden tussen die partijen.

V. Een overzicht van alle betalingen die verricht zijn door [betrokkene1] aan gedaagden uit hoofde van de gesloten overeenkomsten in het kader van de ontvlechting van de vennootschappelijke banden tussen die partijen.

VI. Een afschrift van alle betalingen die verricht zijn door [betrokkene1] aan gedaagden uit hoofde van de gesloten overeenkomsten in het kader van de ontvlechting van de vennootschappelijke banden tussen die partijen.

VII. Een afschrift van de statuten van [ged.1] zoals geldig op 25 februari 2005.

VIII. Een kopie van het aandeelhoudersregister van [ged.1].

IX. De jaarcijfers van [ged.1] over 2005 en 2006.

X. Een afschrift van de statuten van [ged.1]. zoals geldig op 25 februari 2005.

XI. Een kopie van het aandeelhoudersregister van [ged.1]..

XII. De jaarcijfers van [ged.1]. over 2005 en 2006.

XIII. De jaarcijfers van alle bij de onder I genoemde overeenkomsten betrokken vennootschappen aan de zijde van gedaagden over de jaren 2005 en 2006.

Aan zijn vordering – die is gebaseerd op artikel 3:15j BW en artikel 162 Rv – legt hij kort gezegd ten grondslag dat hij, om deugdelijk te kunnen repliceren op door gedaagden ingenomen standpunten en gevoerde verweren, de beschikking dient te hebben over deze stukken.

3.3. Gedaagden hebben verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna zo nodig ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In de hoofdzaak heeft [eiser] blijkens de dagvaarding en de verklaringen ter comparitie aan zijn vordering op [ged.2] primair ten grondslag dat uit de vaststellingsovereenkomst tussen [eiser] en [betrokkene1] een rechtstreekse betalingsverplichting voortvloeit voor [ged.2]. Subsidiair zou [ged.2] gehouden zijn betalingen die hij van [betrokkene1] ontvangt, door te betalen aan [eiser]. [ged.2] betwist de primaire grondslag. Hij zou, zo heeft hij ter comparitie ook verklaard, slechts als doorgeefluik fungeren voor betalingen van [betrokkene1] aan [eiser]. Hij heeft van [betrokkene1] echter niet meer ontvangen dan wat hij tot op heden aan [eiser] heeft betaald. [ged.1]. en [ged.3] dienen volgens [eiser] met [ged.2] te worden vereenzelvigd en (mede) daarom zijn zij in rechte betrokken. Dit hebben gedaagden bestreden.

In het incident

Artikel 3:15j BW

4.2. [eiser] baseert zijn vordering onder meer op artikel 3:15j sub b BW dat, kort gezegd, bepaalt dat openlegging van tot een administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers kan worden gevorderd door – sub b – deelgenoten in een gemeenschap ten aanzien van de boekhouding betreffende de gemeenschap.

Aan zijn vordering legt [eiser] ten grondslag dat hij moet worden aangemerkt als deelgenoot in een gemeenschap met [ged.2]. [ged.2] heeft immers verklaard een doorgeefluik te zijn van de van [betrokkene1] ontvangen gelden en voorts dat hij doende is gelden bij [betrokkene1] te incasseren in het kader van de vennootschapsrechtelijke ontvlechting met [betrokkene1], waarbij het (ook) gaat om gelden waar [eiser] ook recht op heeft. Zowel [ged.2] als [eiser] hebben derhalve geld te vorderen van [betrokkene1] zodat sprake is van een gemeenschap als bedoeld in 3:166 BW.

4.3. De rechtbank volgt [eiser] daarin niet. Artikel 3:166 BW bepaalt dat een gemeenschap aanwezig is wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk. Dat en zo ja, welk goed gezamenlijk zou toebehoren aan [eiser] en [ged.2] wordt de rechtbank niet duidelijk. Mocht [eiser] doelen op de in deze procedure aan de orde zijnde vordering van [eiser] op (onder meer) gedaagden, dan valt niet in te zien in hoeverre die vordering tevens aan [ged.2] zou toebehoren. Het enkele feit dat [eiser] – volgens zijn subsidiaire grondslag – aanspraak zou kunnen maken op de gelden die [ged.2] van [betrokkene1] heeft ontvangen, brengt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet mee dat ten aanzien van die gelden een gemeenschap bestaat. Voor zover de vordering in het incident is gestoeld op artikel 3:15j BW wordt deze afgewezen, behoudens hetgeen hierna in de hoofdzaak wordt beslist.

Artikel 162 Rv

4.4. [eiser] baseert zijn vordering daarnaast op artikel 162 Rv, dat bepaalt dat de rechter aan partijen of aan een van hen de openlegging kan bevelen van de boeken, bescheiden en geschriften die zij ingevolge de wet moeten houden, maken of bewaren. [eiser] heeft niet nader toegelicht welke van de door hem onder I tot en met XII genoemde stukken onder de werking van artikel 162 Rv vallen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt (in ieder geval) niet in te zien dat voor de onder I tot en met VI genoemde bescheiden een wettelijke verplichting bestaat deze te houden, maken of bewaren. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat voor zover de vordering is gestoeld op artikel 162 Rv, [eiser] doelt op de bescheiden onder VII tot en met XIII.

4.5. De bescheiden genoemd onder VII, VIII en IX hebben betrekking op [ged.1]. Onder 3.9 van zijn conclusie heeft [eiser] toegelicht dat hij deze bescheiden dient in te zien in verband met het beroep van gedaagden op vernietiging van de (eventuele) garantstelling op grond van artikel 1:88 BW. De toestemming van de echtgenote is evenwel niet vereist wanneer de handeling is geschied in de normale uitoefening van het bedrijf (artikel 1:88 lid 1 sub c BW) of wanneer de garantstelling is verricht door een bestuurder van een BV die alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen houdt (1:88 lid 5 BW). Om te kunnen beoordelen of die situaties zich voordoen, heeft [eiser], zo stelt hij, behoefte aan de onder VII, VIII en IX genoemde stukken. De rechtbank volgt [eiser] in zijn betoog. Om een deugdelijk en onderbouwd standpunt te kunnen innemen tegenover het door gedaagden gevoerde verweer, valt in te zien dat [eiser] behoefte zou kunnen hebben aan de onder VII, VIII en IX genoemde bescheiden. Hij heeft dan ook een rechtstreeks en voldoende belang bij het verkrijgen van die stukken en in zoverre zal zijn vordering worden toegewezen, zij het voor zover die vordering is gericht tegen [ged.1]..

4.6. De bescheiden genoemd onder X, XI, XII en XIII hebben betrekking op [ged.1]. en mogelijke andere vennootschappen van [ged.2] die niet in deze procedure zijn betrokken. Zonder nadere toelichting van [eiser], die ontbreekt, valt niet in te zien dat en zo ja, op welke de gronden de gedaagden gehouden zijn om, zoals artikel 162 Rv bepaalt, die bescheiden (van die andere vennootschappen) op grond van de wet te houden, maken of bewaren. De rechtbank ziet dan ook geen grond om de vordering in zoverre toe te wijzen.

4.7. Uit de wetgeschiedenis van artikel 162 Rv volgt dat openlegging in eerste instantie plaatsvindt aan de rechter. [ged.1] dient daartoe de onder VII, VIII en IX genoemde stukken bij de rechtbank te deponeren. Vervolgens krijgt [ged.1] de gelegenheid bij akte aan te geven om welke redenen zij van mening is dat die bescheiden althans specifiek aan te geven onderdelen daarvan niet ter kennis van [eiser] dienen te komen. [ged.1] dient ervoor zorg te dragen dat het depot van de voornoemde bescheiden heeft plaatsgevonden voordat zij op de in het dictum genoemde roldatum deze akte dient te nemen. [eiser] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop bij antwoordakte te reageren, waarna de rechtbank met inachtneming van de bezwaren van [ged.1] en de reactie hierop van [eiser] bij vonnis zal vaststellen in hoeverre [eiser] bevoegd zal zijn van de inhoud of van een uittreksel van de bescheiden kennis te nemen. De rechtbank overweegt nog dat wanneer [ged.1] weigert aan het bevel tot openlegging van de genoemde bescheiden te voldoen, de rechtbank daaruit de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht (artikel 162 lid 2 Rv).

4.8. Gedaagden hebben nog aangevoerd dat het merendeel van de hiervoor genoemde bescheiden openbaar is. Indien dat het geval is, bestaat er in zoverre geen belang bij de vordering. Op grond van de informatie waarover de rechtbank in dit stadium van de procedure beschikt, kan zij niet vaststellen of alle hiervoor (rov. 4.5.) genoemde bescheiden inderdaad openbaar zijn. Partijen zullen zich hierover eveneens moeten uitlaten in de genoemde akte en eveneens, indien dat het geval is, over de gevolgen daarvan op de hiervoor in rov. 4.7. beschreven procedure.

In de hoofdzaak

4.9. Op grond van artikel 22 Rv beveelt de rechtbank de gedaagden om bij akte in het geding te brengen, met een afschrift aan de wederpartij:

- de overeenkomst die tussen [ged.2] en [betrokkene1] is gesloten op of rondom 26 februari 2005.

- een met bescheiden gestaafd overzicht van de betalingen die gedaagden hebben ontvangen van [betrokkene1] (of een van zijn vennootschappen) in het kader van de ontvlechting van de vennootschappelijke banden tussen die partijen.

Voor een getrapte openlegging van deze documenten, zoals gedaagden lijken te vragen, ziet de rechtbank geen aanleiding.

In de hoofdzaak en in het incident

4.10. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak en in het incident

verwijst de zaak naar de rol van 15 september 2010 voor akte uitlating en in het geding brengen van stukken aan de zijde van gedaagden zoals bedoeld in rov. 4.7. en 4.8. en 4.9.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2010.