Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN5513

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
05/511152-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Stelselmatig seksueel misbruik gedurende vier jaren van minderjarige dochter, onder andere bestaande uit het in de vagina brengen van de penis. ‘Unus testis nullus testis’-verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. De rechtbank ziet een ondersteuning van de aangifte in door de verdachte verzonden e-mails aan aangeefster en haar moeder. Verweer dat niet objectief is komen vast te staan dat het gebruikte e-mailadres door verdachte is gebruikt, wordt verworpen, nu naar het oordeel van de rechtbank een dergelijke vaststelling niet noodzakelijk is. Enerzijds wordt door twee personen, te weten aangeefster en haar moeder, gesteld dat het verdachtes e-mailadres is, anderzijds is dit door verdachte niet ontkend. Straf stijgt uit boven de eis van de officier van justitie nu deze eis onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit.

Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/511152-09

Datum zitting : 17 augustus 2010

Datum uitspraak : 31 augustus 2010

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsvrouw : mr. J. Steenbrink, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 februari 1997

tot 01 december 1999 te Wageningen, in elk geval in Nederland,

buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer],

geboren op 1 december 1983, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet

had bereikt,

die handelingen mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

te weten

- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het likken in en/of aan de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 februari 1997

tot 01 december 1999 te Wageningen, in elk geval in Nederland,

ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter [slachtoffer],

geboren op 1 december 1983, bestaande die ontucht uit

- het betasten van de vagina en/of de borsten van die [slachtoffer] en/of

- het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken, althans laten betasten van zijn

penis;

2.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 december 1999

tot en met 31 augustus 2001 te Wageningen, in elk geval in Nederland,

ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige docher [slachtoffer],

geboren op 1 december 1983, bestaande die ontucht uit

- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het likken in en/of aan de vagina, althans het betasten van de vagina van

die [slachtoffer] en/of

- het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken althans laten betasten van zijn

penis en/of

- het betasten van de borsten van die [slachtoffer];

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 17 augustus 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J. Steenbrink, advocaat te Nijmegen.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer].

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlaste-gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 4.000,00 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal wor-den verklaard in de vordering.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tot bewezenverklaring gerequireerd op basis van de aangifte van [slachtoffer], de verklaringen van de moeder van aangeefster en de getuige [getuige], de pagina uit het dagboek van aangeefster en het sms- en e-mailverkeer tussen aangeefster dan wel haar moeder enerzijds en verdachte anderzijds. Verdachte stelt daar zelf niets tegenover, nu hij zwijgt, terwijl er –aldus de officier van justitie- sprake is van dusdanig bewijs dat van verdachte een uitleg verwacht mag worden.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard onschuldig te zijn en zich voor het overige op zijn zwijgrecht beroepen, zoals hij ook bij de politie heeft gedaan.

Door de raadsvrouw is vrijspraak bepleit. Zij heeft hierbij gewezen op de zogenaamde ‘unus testis nullus testis’ jurisprudentie. Om aan het wettelijke bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Wetboek van Strafvordering te voldoen, moet de aangifte van [slachtoffer] in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. In deze zaak is daar geen sprake van. De verklaringen van de moeder van aangeefster en haar vriendin Y. [getuige] zijn gebaseerd op dezelfde bron, namelijk aangeefster. Er is geen sprake van ondersteuning van de aangifte uit andere bron.

Hierbij heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet objectief is vast komen te staan dat het e-mailadres ‘[mailadres1]’ en het telefoonnummer [nummer] bij verdachte in gebruik zijn (geweest). De e-mails en sms-berichten kunnen derhalve niet als aanvullend bewijs dienen.

Oordeel van de rechtbank

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie is komen te staan, vastgesteld.

[slachtoffer] is geboren op 1 december 1983. Zij is de dochter van verdachte. In de periode van 1 februari 1997 tot en met 31 augustus 2001 heeft [slachtoffer] in Wageningen gewoond.

Aangifte

Aangeefster heeft kort samengevat het volgende verklaard. De moeder van aangeefster en verdachte hadden een latrelatie. In februari 1997 (aanvankelijk, in de aangifte, heeft aangeefster gezegd dat dit in 1996 was, maar dat jaartal heeft zij later gecorrigeerd) is de moeder van aangeefster opgenomen in het ziekenhuis. Verdachte is toen bij aangeefster komen wonen om voor haar te zorgen. Kort hierna is zij voor de eerste keer door haar vader seksueel misbruikt. Dit gebeurde in het ouderlijk huis in Wageningen. Het misbruik vond daarna veel vaker plaats en bestond uit het in de vagina brengen van zijn penis, het likken in of aan de vagina, het brengen van zijn vingers in de vagina en het zich laten aftrekken door aangeefster. Toen zij in april van het jaar nadat zij 17 was geworden aan de secretaresseopleiding begon, was het misbruik gestopt. De hele periode heeft zij tegen verdachte gezegd; pap stop er nou eens mee; ik wil het niet meer.

E-mails

De rechtbank is, anders dan door de raadsvrouw is betoogd, van oordeel dat het niet noodzakelijk is dat objectief (dat wil zeggen: aan de hand van technisch of forensisch onderzoek) wordt vastgesteld dat het e-mailadres van de zich in het dossier bevindende e-mails van verdachte is of door hem is gebruikt. Immers, verdachte heeft zelf niet ontkend dat [mailadres1] zijn e-mailadres is en dat hij van dit e-mailadres gebruik heeft gemaakt. De moeder van aangeefster heeft verklaard dat zij afkomstig zijn van en geschreven zijn door verdachte.

In de verklaring van de moeder van aangeefster wordt dan ook voldoende redengevend bewijs gevonden om bewezen te achten dat dit ook zo is. Alsdan ligt het op de weg van verdachte zelf om dit (op aannemelijke wijze) te ontkennen. Er kan niet volstaan worden met het verweer in het algemeen dat zolang niet is gecontroleerd dat onderhavig adres van verdachte is daar niet van uitgegaan mag worden. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat deze e-mails afkomstig zijn van verdachte en door hem zijn geschreven.

In een e-mail afkomstig van het e-mailadres [mailadres1] en gericht aan [slachtoffer].[mailadres2] van 2 december 2008 10:35:11 staat onder andere het volgende vermeld: ‘probeer het niet erger te maken dan het is, en ga verder met je leven, oke. (…) ik begrijp jou gevoelens, en frustratie,s, maar nogmaals, ga verder met jou leven, zonder mij, oke.’

In reactie op een mail van [slachtoffer].[mailadres2] van 2 december 2008 11:57:25 volgt op 2 december 2008 om 12:10:14 een mail van [mailadres1] aan [slachtoffer].[mailadres2]. Deze reactie bevat onder meer de volgende inhoud: ‘nogmaals de klok kan je nie tmeer terug draaien, dus lijkt het me verstandig dat je met je leven doorgaat, oke. (…) is jou bedoeling, om onrust te zaaien, zodat je mij bij anderen, in discrediet brengt??? als dat jou bedoeling is, dan vind ik dat onsmakelijk bij jou, want ook toen had je gezworen, dat het tussen ons zou blijven. maar oke/neem wraak, en ga je gang???????’

Op 10 juli 2009 is er een mail gestuurd van het adres [mailadres1] naar [slachtoffer].[mailadres2] met onder andere de volgende inhoud: ‘ik heb als vader nooit haat tegenover jou gehad, maar waarom kom je er nu mee, terwijl ik geestelijk niet in orde bent. (…) [slachtoffer] waarom kom je nu pas met die wraakactie, terwijl je destijds zelf bij de politie hebt gewerkt’.

Op 12 maart 2009 wordt aan [mailadres3] om 18:06:11 een mail gestuurd van [mailadres1]. Hierin staat onder meer: ‘dat is geen motief, die naar mij toe gebruik moet worden, maar was juist bedoeld voor je dochter, die mij destijds smeekte, dat ik het niet tegen jou mag vertellen, dat ze juist mij misleid.’

Over de inhoud van de mails overweegt de rechtbank het volgende.

De toon van de e-mails die afkomstig zijn van verdachte is over het algemeen niet een ontken-nende maar veeleer een verwijtende, waarbij verdachte in de slachtofferrol kruipt. Opmerkingen in de trant van ‘de klok kan niet meer worden teruggedraaid’ en ‘waarom kom je er nu pas mee’ duiden er naar het oordeel van de rechtbank op dat er tussen verdachte en aangeefster daadwerkelijk iets is gebeurd en in zoverre bevestigen zij de aangifte van [slachtoffer]. In e-mails aan de (familie van de) moeder van aangeefster heeft verdachte geschreven dat het juist zo was dat hij aan [slachtoffer] had gezworen te zwijgen over het feit dat zij hem had willen verleiden terwijl haar moeder in het ziekenhuis lag.

De rechtbank acht deze opmerking in strijd met het zojuist aangehaalde e-mailbericht van 2 december 2008 12:10:14 met onder meer de inhoud ‘want ook toen had je gezworen, dat het tussen ons zou blijven’, waarin duidelijk is dat aangeefster heeft gezworen te zwijgen over iets, en niet verdachte.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de zich in het dossier bevindende e-mails afkom-stig zijn van verdachte en de rechtbank zal de zojuist weergegeven inhoud daarvan als bewijs gebruiken.

Deze e-mails betreffen bewijs dat niet is afgeleid van de verklaring van aangeefster, en daarmee niet uit dezelfde bron afkomstig. De rechtbank is ook van oordeel dat de inhoud van de e-mails voldoende steun biedt aan de aangifte van [slachtoffer] om tot een bewezenverklaring te komen.

Daarnaast wordt de rechtbank in haar overtuiging gesterkt door het gegeven dat de verklaring van de moeder van aangeefster over wat [slachtoffer] haar heeft verteld, innerlijk consistent is met wat [slachtoffer] zelf in haar aangifte heeft verklaard.

Aan de overtuiging van de rechtbank draagt voorts het volgende nog bij. De moeder van aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar heeft verteld dat hij jong was toen hij door iemand in de seks werd ingewijd en dat hij daardoor veel ervaring had en wel wist wat fijn was. Aangeefster heeft verklaard, kort samengevat, dat verdachte, toen hij bij haar kwam wonen, vragen begon te stellen over seks en vriendjes. Zij antwoordde daarop dat ze daar nog helemaal niet mee bezig was. Verdachte zou hebben gezegd ‘Doe het maar met mij, want dat is beter.’ Deze opmerkingen van verdachte tegenover aangeefster past bij de opmerking die hij tegen de moeder van aangeefster heeft gemaakt over het ‘inwijden’ in de seks.

De moeder van aangeefster heeft daarnaast verklaard dat verdachte in zijn relatie met haar bij tijd en wijle erg aandrong op het hebben van seks en dat zij ook wel tegen haar zin seks met hem had. Hij had een fysiek overwicht en kon enorm goed op haar inpraten. Dit stemt wat betreft de sfeer, die de relatie kenmerkte, overeen met de verklaring van aangeefster dat verdachte deed voorkomen alsof het volstrekt normaal was wat er gebeurde, de seksuele handelingen tussen verdachte en zijn dochter. Hij deed er luchtig over. Tenslotte heeft aangeefster naar de buitenwereld steeds gezwegen over het seksueel misbruik door verdachte, maar is daar pas mee naar buiten gekomen nadat zij daarmee geconfronteerd werd door haar moeder. Die had van verdachte vernomen dat aangeefster hem van seksueel misbruik beschuldigde. Dit gedrag van aangeefster past naar het oordeel van de rechtbank niet bij het beeld van een persoon die iemand valselijk tracht te beschuldigen.

Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij (op meerdere tijdstippen) in de periode van 01 februari 1997

tot 01 december 1999 te Wageningen, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer], geboren op 1 december 1983, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, die handelingen mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten

- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en

- het brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en

- het likken in en/of aan de vagina van die [slachtoffer] en

- het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken;

2.

hij (op meerdere tijdstippen) in de periode van 1 december 1999 tot en met 31 augustus 2001 te Wageningen, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige docher [slachtoffer],

geboren op 1 december 1983, bestaande die ontucht uit

- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en

- het brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en

- het likken in en/of aan de vagina, van die [slachtoffer] en

- het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken van zijn penis;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

Ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitslui-ten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is be-gaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 14 juli 2010.

De officier van justitie heeft geëist zoals weergegeven onder punt 2 van dit vonnis. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het om zeer ernstige feiten gaat en dat geen rekening gehouden moet worden met de ouderdom van de zaak, nu het in zedenzaken vaker voorkomt dat pas jaren later het misbruik naar buiten komt. Niet voor niets zijn de verjaringstermijnen aangepast. Nu verdachte geen inzicht heeft gegeven in zijn handelen, zijn persoon en zijn persoonlijke omstandigheden, kan daar ook geen rekening mee worden gehouden bij het bepalen van de eis.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft zich gedurende vele jaren schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van zijn dochter. Dit misbruik, dat mede bestond uit binnendringen van de vagina met de penis, is begonnen in een voor aangeefster moeilijke periode. Zij was 13 jaar oud en haar moeder verbleef wegens ziekte in het ziekenhuis en later in een revalidatiekliniek. Ook toen moeder weer thuis kwam wonen bleef het misbruik doorgaan, zelfs als de moeder van aangeefster in de woning aanwezig was. Omdat zij vanwege haar ziekte niet mobiel was, vormde zij kennelijk geen gevaar op betrapping voor verdachte. Verdachte vertelde aangeefster dat zij over het misbruik moest zwijgen, omdat dat anders gevolgen zou hebben voor het gezin. Daarbij is algemeen bekend dat de levensfase waarin het seksueel misbruik plaatsvond, gekenmerkt wordt door ontluikende seksuele ontwikkeling. Verdachte heeft deze ontwikkeling ernstig beschadigd. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort feiten nog jarenlang last hebben van de psychische gevolgen van het handelen van zedendaders. Dit is in het geval van aangeefster niet anders. Hoewel het misbruik al enkele jaren geleden is gestopt, heeft zij volgens haar zeg-gen, in haar huidige leven nog zeer regelmatig te kampen met herinneringen, nachtmerries, flashbacks etcetera, zoals ook blijkt uit de door haar geschreven schriftelijke slachtofferverklaring.

Door zijn handelen heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster en tevens misbruik gemaakt van het vertrouwen dat aangeefster en haar moeder in hem stelden. Naar het zich laat aanzien heeft verdachte zich laten leiden door zijn eigen seksuele behoeftes, zoals hij ook zei tegen aangeefster toen zij aangaf dat zij wilde dat het misbruik zou stoppen: als je pik eraan gewend is, kan je niet meer stoppen.

Daarbij heeft hij bij aangeefster de indruk weten te wekken dat dit handelen heel normaal was. Zijn houding ter terechtzitting heeft bij de rechtbank de indruk gewekt dat verdachte dat nog steeds lijkt te vinden.

Verdachte heeft op alle vragen, zowel bij de politie als bij de rechtbank, gezwegen. Hij heeft derhalve geen inzicht gegeven in zijn handelen en zijn persoonlijkheid. Daarnaast heeft verdachte niet willen meewerken aan een reclasseringsrapport. Er is dan ook geen duidelijkheid over het al dan niet aanwezig zijn van een recidiverisico. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding tot het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel.

Nu door of namens verdachte geen omstandigheden naar voren zijn gebracht waarmee de rechtbank rekening zou moeten houden bij het bepalen van de straf, neemt de rechtbank het volgende in overweging.

Gelet op de ernst van het feit, de afhankelijkheidspositie waarin aangeefster zich bevond ten opzichte van verdachte en het jarenlang op brutale wijze voort laten duren van het misbruik door verdachte waarbij door hem enkel en alleen acht is geslagen op zijn eigen behoeftebevrediging, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van forse duur op zijn plaats.

Zij is daarbij van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de ernst en grofheid van het feit. Om die reden zal de rechtbank aanmerkelijk hoger straffen dan geëist.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade. De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een bedrag van € 7.000,00.

De officier van justitie heeft gevorderd om het toe te wijzen deel te bepalen op € 4.000,00.

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij nu zij voor vrijspraak heeft gepleit.

De rechtbank acht voldoende bewezen dat [slachtoffer] door hetgeen haar is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet exact vaststellen welk bedrag aan vergoeding voor de geleden immateriële schade juist is. Zij is echter van oordeel dat in ieder geval een bedrag van € 4.000,00 aan schadevergoeding op zijn plaats is, te vermeerderen met de wettelijke rente. Nu het moment van ontstaan van de schade niet nauwkeurig is vast te stellen zal de rechtbank deze toewijzen vanaf de einddatum van de tenlastegelegde periode, binnen welke de wederrechtelijke en daarmee onrechtmatige handelingen hebben plaatsgevonden en de schade is veroorzaakt, te weten 31 augustus 2001. De vordering is voor zover zij strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade en van andere schade niet van eenvoudige aard zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 57, 245 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen € 4.000,00 (zegge vierduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2001.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 4.000,00, subsidiair 50 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen

€ 4.000,00, (zegge vierduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2001, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door mrs. J.P. Bordes, als voorzitter, M.M.L.A.T. Doll en F.J.H. Hovens, rech-ters, in tegenwoordigheid van mr. G.L.M. Verstegen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 augustus 2010.