Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN5178

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-06-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
10/215
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiseres terecht hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van de verstrekte bijzondere bijstand. Verweerder was dan ook bevoegd om de aan eiseres en diens toenmalige partner verleende bijstand volledig van eiseres terug te vorderen. Evenwel heeft verweerder niet in redelijkheid kunnen overgaan tot terugvordering van de bijstand van eiseres, voor zover deze niet door haar is ontvangen. Beroep wordt gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/215

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 24 juni 2010.

inzake

[eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. G.J.P.C.G. Verheijen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 7 december 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2009 heeft verweerder aan eiseres verzocht om de openstaande schuld van € 2.068,40 wegens verstrekte bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening binnen 30 dagen terug te betalen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend.

Hangende het beroep heeft verweerder bij het primaire besluit van 8 april 2010 het verzoek van eiseres om kwijtschelding van het restantbedrag van bovenstaande schuld afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 16 mei 2010 bezwaar gemaakt.

Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 25 mei 2010. Namens eiseres is daar verschenen, mr. Verheijen. Verweerder is, met kennisgeving, niet verschenen.

3. Overwegingen

Verweerder heeft bij het besluit van 11 september 2009 aan eiseres en haar toenmalige partner, [partner] (hierna: [partner]), bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag verleend over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 augustus 2009. Deze bijstand werd verstrekt als geldlening in afwachting van toekenning van huurtoeslag. In het besluit waarbij de bijstand is toegekend, is de verplichting opgenomen om de lening in één keer af te lossen zodra de huurtoeslag is uitgekeerd. De bijstand is op verzoek van [partner] door verweerder voor de helft aan hem en voor de andere helft aan eiseres betaald. Eiseres heeft op 28 oktober 2009 een bedrag van € 1034,20, zijnde de helft van de totale schuld, aan de gemeente Nijmegen terugbetaald. [partner] heeft, ondanks een daartoe strekkend verzoek van verweerder, niets terugbetaald.

Aan het bestreden besluit ligt – voor zover hier van belang – het standpunt van verweerder ten grondslag dat eiseres en [partner] ingevolge artikel 59, derde lid, van de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van de gehele schuld, aangezien zij samen de bijzondere bijstand hebben aangevraagd en ontvangen.

Eiseres heeft het besluit gemotiveerd aangevochten. Op haar stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, hierna nader ingaan.

Ten aanzien van het besluit van 7 december 2009

De rechtbank stelt vast dat het geding zich beperkt tot de vraag of verweerder bevoegd is de verstrekte bijstand volledig van eiseres terug te vorderen en zo ja, of er sprake is van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering behoort te worden afgezien.

Vaststaat dat de bijstand aan eiseres en [partner], met toepassing van artikel 59, eerste lid, van de Wwb als gezinsbijstand is verleend. Daaruit vloeit voort dat, ingevolge het derde lid van deze bepaling, eiseres en [partner] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor terugbetaling van de gehele schuld. Dit brengt mee dat verweerder bevoegd is de totaal verleende bijstand van eiseres terug te vorderen. Aan het voorafgaande doet niet af dat verweerder slechts de helft van de bijstand aan eiseres heeft betaald en de andere helft aan [partner], waarna deze, zoals door eiseres is gesteld en door verweerder niet is bestreden, de relatie heeft verbroken en, met het geld, is vertrokken.

Verweerder voert terzake van de in de artikelen 58 en 59 neergelegde bevoegdheden het beleid dat altijd tot (mede)terugvordering wordt overgegaan, tenzij blijkt van dringende redenen, waarvan sprake is in zeer bijzondere individuele omstandigheden. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB, zie onder andere de uitspraak van 16 september 2008, LJN BF3174) kunnen dringende redenen alleen betrekking hebben op de gevolgen van de terugvordering voor de belanghebbende. Het moet dan om een zodanige bijzondere situatie gaan dat terugvordering leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de belanghebbende (CRvB van 26 februari 2008, LJN BC5399). Voor zover de door eiseres aangevoerde omstandigheden betrekking hebben op het ontstaan van de schuld, is er dus geen sprake van dringende redenen. Ook overigens acht de rechtbank in het door eiseres gestelde geen dringende redenen aanwezig om op grond van verweerders beleid van terugvordering af te zien.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de omstandigheden zoals die door eiseres worden geschetst wel tot gevolg hebben dat verweerder niet onverkort aan zijn beleid met betrekking tot de hoofdelijke aansprakelijkheid heeft kunnen vasthouden. Daartoe wordt overwogen dat verweerder, kort na de toekenning van de bijstand, zonder overleg te plegen met eiseres en zonder nader onderzoek de helft van de bijstand heeft overgemaakt op de bankrekening van [partner]. Zulks had naar het oordeel van de rechtbank voor de hand gelegen, te meer nu de bijstand specifiek bestemd was om (deels) te voorzien in de gezamenlijke woonkosten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder er mee bekend was dat eiseres en [partner] een problematische relatie hadden, zodat verweerder naar het oordeel van de rechtbank had moeten vermoeden dat het uitermate onzeker was dat [partner] de gelden voor het bestemde doel zou aanwenden en voorts dat terugbetaling van de schuld door [partner] problemen zou opleveren. Dit laatste moge reeds blijken uit het feit dat verweerder [partner] eerst bij brieven van 23 februari 2010 en 28 april 2010 tot betaling heeft aangeschreven.

Verweerder is er dus mee bekend dat eiseres slechts de helft van de verleende bijstand heeft ontvangen, maar wel volledig voor de woonkosten is aangeslagen en [partner] dus ongerechtvaardigd is verrijkt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op deze omstandigheden niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot terugvordering van de bijstand van eiseres, voor zover deze door haar niet is ontvangen.

Het bovenstaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het besluit van 7 december 2009 niet in stand kan blijven. De rechtbank zal dat besluit dan ook vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Nu eiseres het door haar ontvangen gedeelte van de bijstand reeds heeft terugbetaald, ziet de rechtbank, gelet op het hierboven overwogene, aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 22 oktober 2009 te herroepen.

Ten aanzien van het besluit van 8 april 2010

Dit besluit behoeft, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, geen bespreking meer.

Ten aanzien van de proceskosten

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op

€ 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiseres met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het besluit van 22 oktober 2009;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874;

bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Azmi, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 24 juni 2010.