Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN5170

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-08-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
10/1686
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2012:BX5312, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onder adoptie in het kader van de Wet arbeid en zorg kan niet worden verstaan de juridische adoptie van het kind van de partner. Eiseres adopteert een kind binnen haar eigen gezin, waarbij de juridische band tussen het kind en haar bloedverwant niet wordt verbroken. De juridische situatie waarin eiseres verkeert, verschilt weliswaar met die van een vader, omdat eiseres op grond van wet en regelgeving een adoptieprocedure moet volgen om een juridische band met het kind te krijgen, maar de feitelijke situatie verschilt niet. Zowel voor eiseres als voor een vader geldt dat binnen het gezin een kind bij de partner wordt geboren, zodat eiseres in die zin gelijk kan worden gesteld met een vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/1686

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 17 augustus 2010.

inzake

[eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J. Heek,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 1 april 2010, uitgereikt door Uwv Eindhoven.

2. Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2010 heeft verweerder geweigerd aan eiseres een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo) toe te kennen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 9 februari 2010 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 21 juli 2010. Eiseres is aldaar niet verschenen, doch heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Heek. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H. Nuyens.

3. Overwegingen

Eiseres, werkzaam bij [werkgever], is op 9 augustus 2005 gehuwd met [partner]. Op 3 januari 2010 is de partner van eiseres bevallen van een kind. Eiseres heeft het kind van haar partner geadopteerd en vraagt in dat verband adoptieverlof aan en een uitkering op grond van de Wazo, hetgeen door verweerder is geweigerd.

Aan de weigering een Wazo-uitkering toe te kennen heeft verweerder ten grondslag gelegd dat met adoptie in de zin van de Wazo is bedoeld de adoptie van een kind van buiten het gezin. In de situatie van eiseres is hiervan geen sprake en kan haar situatie gelijk worden gesteld aan de situatie waarbij de vader van het kind dat binnen het huwelijk wordt geboren ook geen recht heeft op adoptieverlof.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij aan de voorwaarden uit de wet voldoet en de wetgever geen uitzonderingen hierop heeft gemaakt. Zij is werknemer en heeft een kind geadopteerd, zodat zij op grond van de Wazo recht heeft op adoptieverlof en uitkering.

In artikel 3:2, eerste lid, van de Wazo is bepaald dat de werknemer in verband met de adoptie van een kind recht heeft op verlof zonder behoud van loon.

In artikel 3:7, tweede lid, van de Wazo is bepaald dat de werknemer gedurende de periode dat het verlof in verband met adoptie of de opname van een pleegkind wordt genoten overeenkomstig artikel 3:2, tweede lid of vierde lid, recht heeft op uitkering.

Niet in geschil is dat eiseres werknemer is als bedoeld in de Wazo. Tussen partijen is in geschil of het adopteren van het kind van de partner, waar eiseres mee gehuwd is, valt onder adoptie als bedoeld in de Wazo.

De rechtbank stelt vast dat in de Wazo, noch in het Burgerlijk Wetboek, een definitie is gegeven van het begrip “adoptie”. Evenmin wordt een uitleg gegeven over wat onder adoptie in de zin van de Wazo moet worden verstaan, zodat voor de uitleg van dit begrip aansluiting moet worden gezocht bij de uitleg en doelstelling van die wet die is neergelegd in de wetsgeschiedenis, onder meer de Memorie van Toelichting (MvT), vergaderjaar 1999-2000, 27207, nr. 3.

In paragraaf 3.1.2 van de MvT is onder meer opgenomen:

“Het recht op adoptieverlof kan voorzien in een duidelijke behoefte bij werkenden die een kind adopteren. Met de introductie van het recht op adoptieverlof wil de regering het belang onderstrepen van een goede gewenning van het kind in het gezin.”

en

“Bepalend is het moment waarop het kind aan de zorg van de adoptiefouders is overgedragen,…Als het voornemen van adoptie ontstaat op het moment dat het kind al langer dan 16 weken in het gezin is opgenomen, dan kan geen aanspraak op een adoptie-uitkering meer gemaakt worden. De eerste periode van binding, waaraan het recht op verlof is gekoppeld, is dan immers verstreken. Bij stiefouderadoptie zal dit bijvoorbeeld het geval kunnen zijn….Bij adoptie ontstaat een familierechtelijke betrekking waarbij de juridische banden tussen geadopteerde en zijn bloed- en aanverwanten ophouden te bestaan….”

Uit vorenstaande citaten uit de MvT blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de wetgever voor het verkrijgen van een uitkering voor adoptieverlof op grond van de Wazo voorop heeft gesteld de gewenning van het kind binnen het nieuwe gezin.

Eiseres stelt dat zij alleen een familierechtelijke band met het kind van haar partner kan krijgen door het kind te adopteren. Na adoptie zal het kind eveneens dienen te wennen aan de nieuwe gezinssituatie, zodat eiseres recht heeft op een uitkering op grond van de Wazo. Deze grond kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel is aangegeven dat een recht op adoptieverlof in het kader van de Wazo bestaat indien een kind van buiten het gezin wordt geadopteerd, waarbij de juridische banden tussen het adoptiekind en zijn of haar bloed- en aanverwachten worden verbroken. Onder ‘adoptie van buiten het gezin’ wordt verstaan interlandelijke, het kind is oorspronkelijk afkomstig van buiten Nederland en heeft een buitenlandse nationaliteit, of landelijke adoptie. Bij laatstgenoemde betreft het een kind uit Nederland met een Nederlandse nationaliteit, waarbij het kind van buiten het gezin in het gezin van de aanvrager komt. In onderhavig geval adopteert eiseres een kind binnen haar eigen gezin en wordt de juridische band tussen het kind en haar bloedverwant niet verbroken.

Voorts overweegt de rechtbank, nu eiseres betwist dat zij gelijk kan worden gesteld met een vader, dat de juridische situatie waarin eiseres verkeert weliswaar verschilt met die van een vader, omdat eiseres op grond van de wet en regelgeving een adoptieprocedure moet volgen om een juridische band met het kind te krijgen, maar de feitelijke situatie verschilt niet. Zowel voor eiseres als voor een vader geldt dat binnen het gezin een kind bij de partner wordt geboren, zodat eiseres in die zin gelijk kan worden gesteld met een vader. Deze grond kan derhalve niet slagen.

Verweerder heeft gelet op vorenstaande zich, naar het oordeel van de rechtbank, terecht op het standpunt kunnen stellen dat verlof en een uitkering op grond van de Wazo dient te worden geweigerd.

Ter zitting is namens eiseres nog aangevoerd dat binnen de kennissenkring van eiseres enkele (lesbische) stellen wel adoptieverlof en een uitkering op grond van de Wazo hebben gekregen. De rechtbank begrijpt uit deze stelling dat eiseres een beroep wil doen op het gelijkheidsbeginsel. Deze kan echter niet slagen nu ter zitting is aangegeven dat wegens privacy redenen eiseres geen nadere onderbouwing van haar stelling door middel van stukken wenst te geven. Verweerder noch de rechtbank kan zodoende bezien of sprake is van gelijke gevallen op grond waarvan mogelijkerwijs aan eiseres op grond van het gelijkheidsbeginsel alsnog verlof en een uitkering op grond van de Wazo zou moeten worden toegekend.

Voorts is ter zitting namens eiseres aangevoerd dat zij, alvorens zij de aanvraag bij verweerder heeft ingediend, bij diverse instanties informatie heeft ingewonnen en deze instanties hebben bevestigd dat zij recht zou hebben op een Wazo-uitkering. Een medewerker van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna Ministerie van SZW) zou hebben aangegeven dat de werkgever ook in het geval adoptie in de situatie van eiseres verplicht is zijn medewerking te verlenen aan adoptieverlof. Eiseres doet hiermee, zo begrijpt de rechtbank, een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dit beroep slaagt eveneens niet. Namens eiseres is ter zitting bevestigd dat eiseres geen schriftelijke bevestiging heeft van een ter zake bevoegde instantie. Van eiseres had mogen worden verwacht dat indien zij, alvorens adoptieverlof op te nemen, duidelijkheid had willen verkrijgen over of zij recht had op een Wazo-uitkering, zij zich tot de bevoegde instantie, zijnde verweerder, had gewend. Reeds hierom kan geen beroep worden gedaan op het vertrouwensbeginsel. Bovendien zegt de informatie van het Ministerie van SZW, naar het oordeel van de rechtbank, enkel iets over de verplichting van de werkgever om mee te werken aan het verlenen van onbetaald verlof en niet over de vraag of eiseres jegens verweerder aanspraak kan maken op een uitkering.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Reeds daarom is er geen grond voor toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond.

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M.B. van Eeten, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 17 augustus 2010.