Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN5058

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-08-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
05/506994-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitkeringsfraude. Verdachten hebben gedurende een periode van bijna 8 jaar geen melding gemaakt van de omstandigheid dat zij een economische eenheid hebben gevormd en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en/of hebben samengewoond. De man heeft voorts inkomsten niet opgegeven. De rechtbank veroordeelt hen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/506994-09

Datum zitting : 18 februari 2010 en 12 augustus 2010

Datum uitspraak : 26 augustus 2010

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

Raadsman : mr. H.J.M. Nijenhuis, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

verdachte op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 1997 tot en met

30 juni 2000, in de gemeente Nijmegen, althans in Nederland, (telkens) een

zogenaamde controleformulier, althans een schriftelijke verklaring aan de

gemeente Nijmegen, dan wel aan het bestuur van die gemeente, zijnde een

geschrift bestemd om tot bewijs te dienen van het feit dat verdachte al dan

niet inkomsten had genoten uit arbeid of anderzins en/of tot bewijs van al

datgene wat van belang was voor de verlening van bijstand of de voortzetting

van verleende bijstand,

valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande dat verdachte (telkens) opzettelijk

valselijk en/of in strijd met de waarheid op dat formulier - zakelijk

weergegeven - heeft vermeld/verklaard dat geen inkomsten of omstandigheden

waren verzwegen die van belang konden zijn voor de voortzetting en/of de

hoogte van de uitkering en/of dat verdachte geen inkomsten (uit werkzaamheden

en/of uit onbekende bron(nen)) heeft genoten in het tijdvak waarop dat

formulier betrekking had, en/of (telkens) opzettelijk valselijk en/of in

strijd met de waarheid op dat formulier niet heeft vermeld/verklaard -

zakelijk weergegeven - dat verdachte een economische eenheid heeft gevormd

en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en/of heeft

samengewoond met C.W.C. [medeverdachte] op het adres [adres] te

Nijmgen in dat tijdvak, vervolgens dat formulier heeft ondertekend als ware

het overeenkomstig de waarheid ingevuld, een en ander (telkens) met het

oogmerk om dat formulier als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen

te doen gebruiken;

2.

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli

2000 tot en met 31 juli 2006 in de gemeente Nijmegen, in elk geval in

Nederland, in strijd met een verdachte krachtens wettelijk voorschrift

opgelegde verplichting, te weten de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en

bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig het/de benodigde gegeven(s) aan

de gemeente Nijmegen, danwel aan het bestuur van die gemeente te verstrekken,

immers heeft verdachte (telkens) niet (volledig) aan genoemde instantie(s)

gemeld - zakelijk weergegeven - dat verdachte een economische huishouding

heeft gevormd en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft gevoerd

en/of heeft samengewoond met C.W.C. [medeverdachte] op het adres [adres] te Nijmegen, terwijl dit/deze feit(en) kan/kunnen strekken tot

bevoordeling van zichzelf en/of een ander of anderen, (zulks) terwijl

verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat dat/die gegevens

van belang was/waren voor de vaststelling van verdachtes en/of eens anders

recht op een verstrekking en/of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte en/of

de duur van die verstrekking of tegemoetkoming;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 12 augustus 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. H.J.M. Nijenhuis, advocaat te Nijmegen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en voorts tot het verrichten van 200 uren werkstraf subsidiair 100 dagen hechtenis.

Verdachte en haar raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Aan verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat zij “valsheid in geschrift” (artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht) heeft gepleegd gedurende de periode van 1 juli 1997 tot en met

30 juni 2000. Voor artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht geldt een verjaringstermijn van twaalf jaren. De verjaring is in deze zaak gestuit met betekening van de dagvaarding aan verdachte op 3 februari 2010. Dit heeft tot gevolg dat het onder 1 tenlastegelegde is verjaard voor zover het de periode gelegen voor 3 februari 1998 betreft. De rechtbank zal dan ook de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in zijn vervolging voor de periode van 1 juli 1997 tot en met 2 februari 1998.

3. De beslissing inzake het bewijs

Aan verdachte is - kort gezegd - onder 1 en 2 tenlastegelegd dat zij uitkeringsfraude heeft gepleegd door aan de gemeente Nijmegen te verzwijgen dat zij een economische eenheid heeft gevormd met en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft vervoerd met en/of heeft samengewoond met C.W.C. [medeverdachte].

Door de raadsman is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte met [verdachte] heeft samengewoond in een andere periode dan de periode van 25 oktober 1998 tot 1 juni 2001.

Met betrekking tot de periode tot 25 oktober 1998 is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte een economische eenheid heeft gevormd met en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft vervoerd met en/of heeft samengewoond met C.W.C. [medeverdachte]. Voor dat gedeelte van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte vrijspreken.

De rechtbank acht met betrekking tot de periode van 25 oktober 1998 tot 1 juni 2001 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een economische eenheid heeft gevormd met en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft vervoerd met en/of heeft samengewoond met C.W.C. [medeverdachte]. Verdachte en [medeverdachte] hebben tegenover de sociale recherche verklaard in die periode op hetzelfde adres te hebben gewoond en zijn samen de ouders van een minderjarig kind dat ook op dat adres woonde.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde wat betreft de periode van 1 juni 2001 tot en met 31 juli 2006 wordt weerlegd door de verklaringen die de getuigen [getuige1], [getuige2], [getuige3], [getuige4] en [getuige5] hebben afgelegd tegenover de sociale recherche. Uit al deze verklaringen valt af te leiden dat [medeverdachte] ook na 1 juni 2001 op hetzelfde adres woonde als verdachte en hun dochter [naam], terwijl uit de verklaringen van [getuige5] en [getuige4] is op te maken dat [medeverdachte] daar in ieder geval tot 31 juli 2006 woonde. Het betreft allemaal onafhankelijke getuigen, die buren waren aan de [adres]. De rechtbank heeft geen enkele reden om aan het waarheidsgehalte van die verklaringen te twijfelen. Hun verklaringen worden ondersteund door de getuigen [getuige6] en [getuige7] die aan de [adres] woonden en hebben verklaard dat zij [medeverdachte] na het vertrek van [verdachte] weinig meer hebben gezien ([getuige6]) en dat [medeverdachte] daar is vertrokken met verdachte en er daarna niet meer heeft gewoond ([getuige7]). Voorts heeft [medeverdachte] verklaard dat zijn relatie met verdachte is beëindigd in 2006. De rechtbank komt op grond van deze bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van de feit1 en 2, te weten dat verdachte een economische eenheid heeft gevormd met en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft vervoerd met en/of heeft samengewoond met C.W.C. [medeverdachte] in de periode van 25 oktober 1998 tot en met 31 juli 2006.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

verdachte op tijdstippen in de periode van 25 oktober 1998 tot en met

30 juni 2000, in de gemeente Nijmegen, telkens een zogenaamde controleformulier, aan de

gemeente Nijmegen, dan wel aan het bestuur van die gemeente, zijnde een

geschrift bestemd om tot bewijs te dienen van het feit dat verdachte van al

datgene wat van belang was voor de verlening van bijstand of de voortzetting

van verleende bijstand, valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande dat verdachte telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op dat formulier - zakelijk

weergegeven - heeft vermeld dat geen omstandigheden waren verzwegen die van belang konden zijn voor de voortzetting en/of de hoogte van de uitkering in het tijdvak waarop dat

formulier betrekking had, en telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op dat formulier niet heeft vermeld - zakelijk weergegeven - dat verdachte een economische eenheid heeft gevormd en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en/of heeft

samengewoond met C.W.C. [medeverdachte] op het adres [adres] te

Nijmgen in dat tijdvak, vervolgens dat formulier heeft ondertekend als ware

het overeenkomstig de waarheid ingevuld, een en ander telkens met het

oogmerk om dat formulier als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen

te doen gebruiken;

2.

verdachte op tijdstippen in de periode van 1 juli 2000 tot en met 31 juli 2006 in de gemeente Nijmegen, in strijd met een verdachte krachtens wettelijk voorschrift

opgelegde verplichting, te weten de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en

bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens aan

de gemeente Nijmegen, danwel aan het bestuur van die gemeente te verstrekken,

immers heeft verdachte telkens niet aan genoemde instantie(s)

gemeld - zakelijk weergegeven - dat verdachte een economische huishouding

heeft gevormd en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft gevoerd

en/of heeft samengewoond met C.W.C. [medeverdachte] op het adres [adres] te Nijmegen, terwijl dit feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en/of een ander of anderen, (zulks) terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat dat gegeven van belang was voor de vaststelling van verdachtes en/of eens anders

recht op een verstrekking en/of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte en/of

de duur van die verstrekking of tegemoetkoming;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2 en 3 telkens:

In strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of een tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 15 januari 2010; en

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 1 december 2009, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft gedurende een lange periode, terwijl zij een uitkering genoot op grond van de Algemene bijstandswet en later op grond van de Wet werk en bijstand, geen melding gemaakt van de omstandigheid dat zij een economische eenheid heeft gevormd met en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met en/of heeft samengewoond met haar vriend C.W.C. [medeverdachte]. Dit is een ernstig feit. Een dergelijke handelwijze ondermijnt het stelsel van sociale zekerheid en de onderlinge solidariteit waarop degenen die daar terecht aanspraak op maken en zich wel aan de daarvoor geldende regels houden, moeten kunnen rekenen. Daarbij is de gemeente Nijmegen voor een groot bedrag benadeeld.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit, de hoogte van het benadelingsbedrag, de lange fraudeperiode en de persoonlijke omstandigheden van verdachte de eis van de officier van justitie een juiste is. Zij zal daarom een straf aan verdachte opleggen die gelijk is aan de eis.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 225 en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde voor zover het de periode 1 juli 1997 tot en met 2 februari 1998 betreft.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

A. Een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

B. het verrichten van een werkstraf gedurende 200 ( tweehonderd) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 100 (eenhonderd) dagen.

Aldus gewezen door:

mr. I.D. Jacobs, als voorzitter,

mr. M.F.Gielissen rechter,

mr. M.M.L.A.T. Doll, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 augustus 2010.

mr. Jacobs en mr. Gielissen zijn buiten

staat dit vonnis mede te ondertekenen