Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN5054

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-08-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
05/506993-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitkeringsfraude. Verdachten hebben gedurende een periode van bijna 8 jaar geen melding gemaakt van de omstandigheid dat zij een economische eenheid hebben gevormd en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en/of hebben samengewoond. De man heeft voorts inkomsten niet opgegeven. De rechtbank veroordeelt hen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/506993-09

Datum zitting : 18 februari 2010 en 12 augustus 2010

Datum uitspraak : 26 augustus 2010

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

Raadsman : mr. F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

verdachte op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 1997 tot en met

30 juni 2000, in de gemeente Nijmegen, althans in Nederland, (telkens) een

zogenaamde controleformulier, althans een schriftelijke verklaring aan de

gemeente Nijmegen, dan wel aan het bestuur van die gemeente, zijnde een

geschrift bestemd om tot bewijs te dienen van het feit dat verdachte al dan

niet inkomsten had genoten uit arbeid of anderzins en/of tot bewijs van al

datgene wat van belang was voor de verlening van bijstand of de voortzetting

van verleende bijstand,

valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande dat verdachte (telkens) opzettelijk

valselijk en/of in strijd met de waarheid op dat formulier schriftelijk -

zakelijk weergegeven - heeft vermeld/verklaard dat geen inkomsten of

omstandigheden waren verzwegen die van belang konden zijn voor de voortzetting

en/of de hoogte van de uitkering en/of dat verdachte geen inkomsten (uit

werkzaamheden en/of uit onbekende bron(nen) heeft genoten in het tijdvak

waarop dat formulier betrekking had, en/of (telkens) opzettelijk valselijk

en/of in strijd met de waarheid op dat formulier niet heeft vermeld/verklaard

- zakelijk weergegeven - dat verdachte een economische eenheid heeft gevormd

en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en/of heeft

samengewoond met X. [medeverdachte] op het adres [adres] en/of dat

verdachte werkzaamheden heeft verricht en/of dat verdachte inkomsten (uit

arbeid en/of als zelfstandige en/of uit onbekende bron(nen)heeft genoten in

dat tijdvak, vervolgens dat formulier heeft ondertekend als ware het

overeenkomstig de waarheid ingevuld, een en ander (telkens) met het oogmerk om

dat formulier als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken;

2.

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli

2000 tot en met 31 juli 2006 in de gemeente Nijmegen, in elk geval in

Nederland, in strijd met een verdachte krachtens wettelijk voorschrift

opgelegde verplichting, te weten de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en

bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig het/de benodigde gegeven(s) aan

de gemeente Nijmegen, danwel aan het bestuur van die gemeente te verstrekken,

immers heeft verdachte (telkens) niet (volledig) aan genoemde instantie(s)

gemeld - zakelijk weergegeven - dat verdachte een economische eenheid heeft

gevormd en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en/of

heeft samengewoond met X. [medeverdachte] op het adres [adres] te

Nijmegen en/of dat verdachte werkzaamheden heeft verricht en/of dat verdachte

inkomsten (uit arbeid en/of als zelfstandige en/of uit onbekende bron(nen))

heeft genoten, terwijl dit/deze feit(en) kan/kunnen strekken tot bevoordeling

van zichzelf en/of een ander of anderen, (zulks) terwijl verdachte wist,

althans redelijkerwijze moest vermoeden dat dat/die gegeven(s) van belang

was/waren voor de vaststelling van verdachtes en/of eens anders recht op een

verstrekking en/of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte en/of de duur van

die verstrekking of tegemoetkoming;

3.

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari

2007 tot en met 30 juni 2008 te Nijmegen, in elk geval in Nederland, in strijd

met een verdachte krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te

weten de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand, opzettelijk

heeft nagelaten tijdig het/de benodigde gegeven(s) aan de gemeente Nijmegen,

danwel aan het bestuur van die gemeente te verstrekken, immers heeft verdachte

(telkens) niet (volledig) aan genoemde instantie(s) gemeld - zakelijk

weergegeven - dat verdachte werkzaamheden heeft verricht en/of dat verdachte

inkomsten (uit arbeid en/of als zelfstandige en/of uit onbekende bron(nen))

heeft genoten,terwijl dit feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf

en/of een ander of anderen, (zulks) terwijl verdachte wist, althans

redelijkerwijze moest vermoeden dat dat/die gegeven(s) van belang was/waren

voor de vaststelling van verdachtes en/of eens anders recht op een

verstrekking en/of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte en/of de duur van

die verstrekking of tegemoetkoming;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 12 augustus 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en voorts tot het verrichten van 240 uren werkstraf subsidiair 120 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Aan verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat hij “valsheid in geschrift” (artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht) heeft gepleegd gedurende de periode van 1 juli 1997 tot en met

30 juni 2000. Voor artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht geldt een verjaringstermijn van twaalf jaren. De verjaring is in deze zaak gestuit met betekening van de dagvaarding aan verdachte op 2 februari 2010. Dit heeft tot gevolg dat het onder 1 tenlastegelegde is verjaard voor zover het de periode gelegen voor 2 februari 1998 betreft. De rechtbank zal dan ook de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in zijn vervolging voor de periode van 1 juli 1997 tot en met 1 februari 1998.

3. De beslissing inzake het bewijs

Aan verdachte is - kort gezegd - onder 1 en 2 tenlastegelegd dat hij uitkeringsfraude heeft gepleegd door aan de gemeente Nijmegen te verzwijgen dat hij:

a) een economische eenheid heeft gevormd met en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft vervoerd met en/of heeft samengewoond met X.[medeverdachte];

b) werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten (uit arbeid en/of als zelfstandige en/of uit onbekende bron) heeft genoten.

Aan verdachte is voorts onder 3 tenlastegelegd dat hij uitkeringsfraude heeft gepleegd door aan de gemeente Nijmegen te verzwijgen dat hij werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten (uit arbeid en/of als zelfstandige en/of uit onbekende bron) heeft genoten.

Door de raadsman is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte met [medeverdachte] heeft samengewoond in een andere periode dan de periode van 25 oktober 1998 tot 1 juni 2001.

Met betrekking tot de periode tot 25 oktober 1998 is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte een economische eenheid heeft gevormd met en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft vervoerd met en/of heeft samengewoond met X.[medeverdachte]. Voor dat gedeelte van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte vrijspreken.

De rechtbank acht met betrekking tot de periode van 25 oktober 1998 tot 1 juni 2001 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een economische eenheid heeft gevormd met en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft vervoerd met en/of heeft samengewoond met X.[medeverdachte]. Verdachte en [medeverdachte] hebben tegenover de sociale recherche verklaard in die periode op hetzelfde adres te hebben gewoond en zijn samen de ouders van een minderjarig kind dat ook op dat adres woonde.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde wat betreft de periode van 1 juni 2001 tot en met 31 juli 2006 wordt weerlegd door de verklaringen die de getuigen [getuige1], [getuige2], [getuige3], [getuige4] en [getuige5] hebben afgelegd tegenover de sociale recherche. Uit al deze verklaringen valt af te leiden dat verdachte ook na 1 juni 2001 op hetzelfde adres woonde als mevrouw [medeverdachte] en hun dochter [naam], terwijl uit de verklaringen van [getuige5] en [getuige4] is op te maken dat verdachte daar in ieder geval tot 31 juli 2006 woonde. Het betreft allemaal onafhankelijke getuigen, die buren waren aan de [adres]. De rechtbank heeft geen enkele reden om aan het waarheidsgehalte van die verklaringen te twijfelen. Hun verklaringen worden ondersteund door de getuigen [getuige6] en [getuige7] die aan de [adres] woonden en hebben verklaard dat zij verdachte na het vertrek van [medeverdachte] weinig meer hebben gezien ([getuige6]) en dat verdachte daar tegelijk met [medeverdachte] is vertrokken en er daarna niet meer heeft gewoond ([getuige7]). Voorts heeft verdachte zelf verklaard dat zijn relatie met [medeverdachte] is beëindigd in 2006. De rechtbank komt op grond van deze bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van voornoemd onderdeel a) van de tenlastegelegde feiten, te weten dat verdachte een economische eenheid heeft gevormd met en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft vervoerd met en/of heeft samengewoond met X. [medeverdachte] in de periode van 25 oktober 1998 tot en met 31 juli 2006.

De rechtbank acht tevens bewezen dat verdachte inkomsten heeft genoten uit de verhuur van woonruimte aan fietsers en vierdaagselopers. Verdachte heeft dit ook bekend en diverse getuigen hebben hierover verklaard. De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van de verdediging dat inkomsten uit logies bieden aan vierdaagselopers worden vrijgelaten, nu deze bewering niet met stukken is onderbouwd. De rechtbank acht derhalve ook voornoemd onderdeel b) van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten en feit 3 bewezen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

verdachte op tijdstippen in de periode van 25 oktober 1998 tot en met

30 juni 2000, in de gemeente Nijmegen, telkens een zogenaamde controleformulier, aan de

gemeente Nijmegen, dan wel aan het bestuur van die gemeente, zijnde een

geschrift bestemd om tot bewijs te dienen van al datgene wat van belang was voor de verlening van bijstand of de voortzetting van verleende bijstand, valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande dat verdachte (telkens) opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op dat formulier schriftelijk - zakelijk weergegeven - heeft vermeld dat geen inkomsten of

omstandigheden waren verzwegen die van belang konden zijn voor de voortzetting

en/of de hoogte van de uitkering en dat verdachte geen inkomsten heeft genoten in het tijdvak

waarop dat formulier betrekking had, en telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op dat formulier niet heeft vermeld - zakelijk weergegeven - dat verdachte een economische eenheid heeft gevormd en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en heeft

samengewoond met X. [medeverdachte] op het adres [adres] en dat

verdachte inkomsten heeft genoten in dat tijdvak, vervolgens dat formulier heeft ondertekend als ware het overeenkomstig de waarheid ingevuld, een en ander telkens met het oogmerk om

dat formulier als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken;

2.

verdachte op tijdstippen in de periode van 1 juli 2000 tot en met 31 juli 2006 in de gemeente Nijmegen in strijd met een verdachte krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de Algemene bijstandswet en de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens aan de gemeente Nijmegen, danwel aan het bestuur van die gemeente te verstrekken, immers heeft verdachte telkens niet aan genoemde instantie(s)

gemeld - zakelijk weergegeven - dat verdachte een economische eenheid heeft

gevormd en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en/of

heeft samengewoond met X. [medeverdachte] op het adres [adres] te

Nijmegen en dat verdachte inkomsten heeft genoten, terwijl deze feiten kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf en/of een ander of anderen, (zulks) terwijl verdachte wist,

althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes en/of eens anders recht op een verstrekking en/of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte en/of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming;

3.

verdachte op tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 juni 2008 te Nijmegen, in strijd met een verdachte krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te

weten de Algemene bijstandswet en de Wet werk en bijstand, opzettelijk

heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens aan de gemeente Nijmegen, danwel aan het bestuur van die gemeente te verstrekken, immers heeft verdachte telkens niet aan genoemde instantie(s) gemeld - zakelijk weergegeven - dat verdachte inkomsten heeft genoten,terwijl dit feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en/of een ander of anderen, (zulks) terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren

voor de vaststelling van verdachtes en/of eens anders recht op een

verstrekking en/of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte en/of de duur van

die verstrekking of tegemoetkoming;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2 en 3 telkens:

In strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of een tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 15 januari 2010; en

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 1 december 2009, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft gedurende een lange periode, terwijl hij een uitkering genoot op grond van de Algemene bijstandswet en later op grond van de Wet werk en bijstand, geen melding gemaakt van de omstandigheid dat hij een economische eenheid heeft gevormd met en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met en/of heeft samengewoond met zijn vriendin X. [medeverdachte]. Daarnaast heeft verdachte verzuimd melding te maken van het feit dat hij neveninkomsten genoot. Dit zijn ernstige feiten. Een dergelijke handelwijze ondermijnt het stelsel van sociale zekerheid en de onderlinge solidariteit waarop degenen die daar terecht aanspraak op maken en zich wel aan de daarvoor geldende regels houden, moeten kunnen rekenen. Daarbij is de gemeente Nijmegen voor een groot bedrag benadeeld.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit, de hoogte van het benadelingsbedrag, de lange fraudeperiode en de persoonlijke omstandigheden van verdachte de eis van de officier van justitie een juiste is. Zij zal daarom een straf aan verdachte opleggen die gelijk is aan de eis.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 225 en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde voor zover het de periode 1 juli 1997 tot en met 1 februari 1998 betreft.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

A. Een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

B. het verrichten van een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdenveertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 120 (eenhonderdentwintig) dagen.

Aldus gewezen door:

mr. I.D. Jacobs, als voorzitter,

mr. M.F.Gielissen rechter,

mr. M.M.L.A.T. Doll, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 augustus 2010.

mr. Jacobs en mr. Gielissen zijn buiten

staat dit vonnis mede te ondertekenen