Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN5034

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
192378
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op gedaagde, de contractspartij van Liander, rust de verplichting te zorgen voor en toe te zien op correct gebruik van de aansluiting en de meetinrichting. Dat vloeit niet alleen voort uit de algemene voorwaarden van Liander, maar ook uit de aard van de contractuele verhouding tussen de partijen. De aansluiting en de meetinrichting bevinden zich in beginsel in de macht van gedaagde, de contractspartij van Liander. Aan de zorgplicht van gedaagde doet niet af dat hij de woonruimte van het aansluitadres aan een derde heeft verhuurd. Op de keuze van de huurder heeft Liander geen invloed. De gevolgen van deze keuze van gedaagde - zoals het eventueel ontbreken van mogelijkheden tot toezicht op het gebruik van de aansluiting en meetinrichting, op grond van het huisrecht van de huurder - komen naar de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening gedaagde. Van overmacht in de zin van art. 6:75 BW is daarom geen sprake.

Over het bedrag dat aan gedaagde in rekening is gebracht ter vergoeding van de gestolen elektriciteit ad EUR 7.286,78, dat voor het overige niet door gedaagde is betwist, hoeft hij geen omzetbelasting te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/367
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 192378 / HA ZA 09-2022

Vonnis van 21 juli 2010

in de zaak van

de naamloze vennootschap

LIANDER N.V.,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

procesadvocaat mr. F.A.M. Knüppe,

behandelend advocaat mr. Z.L.F. Reiss te Arnhem

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Liander en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 februari 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 28 mei 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. 2.2. Tussen Liander als netbeheerder in de zin van de Elektriciteitswet 1998 en [gedaagde] als afnemer bestaat een overeenkomst inzake de verzorging en het onderhoud van (een aansluiting op) het elektriciteitsnet, het transport van elektriciteit en het verstrekken van meetgegevens met betrekking tot het adres [adres]. Met ingang van 25 maart 2009 heeft Liander [gedaagde] op dat adres als klant geregistreerd.

2.3. Met ingang van 1 april 2009 heeft [gedaagde] de woonruimte gelegen aan het adres [adres] verhuurd aan een derde.

2.4. Op 29 juli 2009 was op voornoemd adres een hennepkwekerij aanwezig. Een fraudespecialist van het aan Liander gelieerde Liandon Meetbedrijf heeft die dag een onderzoek in gesteld naar de meetinrichting van Liander, naar de aangetroffen hennepkwekerij en naar de daarbij gebruikte zaken. Gebleken is dat de zegels van de aansluiting waren verbroken en dat een illegale aansluiting was gemaakt, waardoor buiten de meetinrichting om energie is verbruikt. Van de bevindingen ter plaatse is een frauderapport opgesteld.

2.5. Liander heeft direct het transport van elektriciteit naar dit adres onderbroken en de elektriciteitsmeter daar weggehaald.

2.6. In genoemd frauderapport is op basis van de aan de [adres] aangetroffen situatie een berekening gemaakt van de hoeveelheid elektriciteit die voor de hennepkwekerij is gebruikt en die niet door de meter is geregistreerd.

2.7. Op basis van het voorgaande heeft Liander aan [gedaagde] een factuur gezonden met een totaal beloop van EUR 12.697,65. Na ontvangst van deze factuur heeft [gedaagde] bij

e-mail van 28 augustus 2009 aan Liander geschreven, voor zover hier van belang:

“Naar aanleiding van de brief die ik op 13 augustus 2009 (...) heb ontvangen op de [adres] en na het telefoon gesprek van afgelopen week met een van jullie medewerkers, wil ik het verschuldigde bedrag betalen alleen wil ik hiervoor een betalingsregeling treffen.

Ik heb daarbij een overzicht gemaakt van wat ik eventueel verdien en wat mijn vaste lasten zijn. (...)

Tevens wil ik ook precies weten waar het bedrag van € 12.647,65 uit opgemaakt is.

Bij deze ben ik dan bereid om een bedrag van € 158,10 per maand te betalen, dit bedrag kan eventueel verhoogd worden als er meer inkomsten zijn. Bij het ingaan van de betalingsregeling wil ik ook dat de stroommeter wordt aangesloten voor de [adres].”

3. Het geschil

3.1. Liander heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van EUR 12.632,59, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2. Aan deze eis heeft zij primair ten grondslag gelegd dat [gedaagde] is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de met Liander gesloten overeenkomst, doordat, kort gezegd, de elektriciteitsmeter aan de [adres] zo is gemanipuleerd dat de hoeveelheid naar dit adres getransporteerde elektriciteit niet (juist) kon worden vastgesteld. In dit verband heeft Liander meerdere bepalingen uit haar algemene voorwaarden en de Netcode opgesomd die door [gedaagde] althans zijn huurder niet zijn nageleefd. Op basis van de overeenkomst, waaronder haar algemene voorwaarden, is [gedaagde] gehouden de door Liander geschatte hoeveelheid energie die buiten de meter om is afgenomen (in dit geval: circa 40.960 kWh) te betalen, evenals de transportkosten en de overige kosten en de omzetbelasting hierover, aldus Liander. Voor zover deze vordering niet bij wijze van nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst kan worden toegewezen vordert zij hetzelfde bedrag als schadevergoeding ten gevolge van de genoemde tekortkoming. Subsidiair heeft Liander haar vordering gegrond op de stelling dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en uit dien hoofde de schade dient te vergoeden.

3.3. Het verweer van [gedaagde] zal, voor zover nodig, bij de beoordeling worden weergegeven.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagde] erkent dat tussen hem en Liander een overeenkomst met betrekking tot het transport en dergelijke van elektriciteit tot stand is gekomen met betrekking tot het adres [adres], dat aan dat adres een hennepkwekerij heeft bestaan en ook dat ten behoeve daarvan de meetinrichting van Liander is gemanipuleerd. Hij betwist echter de stelling van Liander dat hij met zijn e-mail van 28 augustus 2009 aansprakelijkheid voor het verschuldigde heeft erkend. [gedaagde] stelt slechts een betalingsvoorstel te hebben willen doen, ter voorkoming van erger.

4.2. Uit de tekst van de e-mail (zie onder 2.7) blijkt dat [gedaagde] het door Liander in rekening gebrachte bedrag heeft willen voldoen onder (onder meer) de voorwaarde dat een bij zijn financiële positie passende betalingsregeling tot stand zou komen. Vast staat dat het tot een betalingsregeling niet is gekomen en ook dat [gedaagde] niet heeft betaald. Bij deze stand van zaken is zonder nadere toelichting, die Liander niet heeft gegeven, niet aannemelijk dat de e-mail van [gedaagde] een ondubbelzinnige erkenning van zijn aansprakelijkheid inhoudt en ook niet dat Liander de e-mail zo heeft mogen opvatten. Voor de verdere beoordeling kan dan ook niet tot uitgangspunt worden genomen dat [gedaagde] aansprakelijkheid voor het gevorderde heeft erkend.

4.3. [gedaagde] betwist op grond van de algemene voorwaarden van Liander en/of de Netcode gehouden te zijn de vordering van Liander te voldoen. De toepasselijkheid van de algemene voorwaarden was hem voor het ontstaan van de overeenkomst niet bekend en deze zijn hem ook nimmer ter hand gesteld, terwijl uit de Netcode als zodanig geen verplichtingen voor hem voortvloeien, aldus [gedaagde]. Liander heeft ter comparitie erkend dat de Netcode geen zelfstandige grondslag van de vordering vormt. Inzake de algemene voorwaarden heeft Liander gesteld, bij dagvaarding en ter comparitie, dat die niet ter hand zijn gesteld, maar dat vanaf het begin van de contractuele relatie in alle correspondentie naar de algemene voorwaarden is verwezen met de opmerkingen daarbij dat deze bij Liander ter inzage liggen en op verzoek (kosteloos) worden toegezonden en dat deze ook op haar website zijn te downloaden. Volgens Liander leidt de bijzondere wijze van totstandkoming van de overeenkomst, waarbij de stroomleverancier Liander (de lokale netbeheerder) de gegevens van de nieuwe afnemer verstrekt, ertoe dat het onmogelijk en bezwaarlijk is vooraf de algemene voorwaarden ter hand te stellen.

4.4. Ook met betrekking tot de vraag of de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden door de partijen is overeengekomen gelden als uitgangspunt de regels van aanbod en aanvaarding (artt. 6:217 e.v. BW). In gevolge de artikelen 23 en 24 Elektriciteitswet 1998 (E-wet) is de netbeheerder verplicht degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net en hem een aanbod te doen om met gebruikmaking van het door hem beheerde net ten behoeve van de verzoeker transport van elektriciteit uit te voeren, tegen tarieven en andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met de paragrafen 5 en 6 van hoofdstuk 3 van die wet. In het onderhavige geval moet het doorgeven door de stroomleverancier aan Liander van de gegevens van [gedaagde] worden aangemerkt als een namens [gedaagde] gedaan verzoek om aansluiting en transport zoals bedoeld in de artikelen 23 en 24 E-wet. Vaststaat dat [gedaagde] daarop is voorzien van een aansluiting. Ook wordt als vaststaand aangenomen dat aan [gedaagde] een aanbod inzake het transport van de elektriciteit, in de hiervoor bedoelde zin, is gedaan. Op grond van de door [gedaagde] niet betwiste stellingen van Liander moet het ervoor worden gehouden dat (onder meer) in de schriftelijke bevestiging van de ‘inhuizing’ (zoals in dit verband het verzorgen van een nieuwe aansluiting en dergelijke op een bepaald adres wordt genoemd) is verwezen naar de algemene voorwaarden, de vindplaatsen daarvan en de mogelijkheid die kosteloos toegezonden te krijgen. Doordat vervolgens de aansluiting op de [adres] in gebruik is genomen en op dat adres door Liander getransporteerde stroom is verbruikt, is sprake van stilzwijgende aanvaarding door [gedaagde] van het aanbod van Liander. Op deze wijze is de overeenkomst tussen hen tot stand gekomen, waarvan de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden deel uitmaakt.

4.5. Daarmee wordt toegekomen aan de vraag of de door Liander ingeroepen bedingen in de algemene voorwaarden op grond van art. 6:233 onder b BW vernietigbaar zijn, omdat aan [gedaagde] geen redelijke mogelijkheid is geboden daarvan kennis te nemen. Art. 6:234 BW regelt wanneer een gebruiker van algemene voorwaarden aan een wederpartij een redelijke mogelijkheid heeft geboden daarvan kennis te nemen. Vast staat dat de voorwaarden [gedaagde] niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand zijn gesteld, zoals in dit artikel in het eerste lid, onder a als mogelijkheid is genoemd. Met Liander is de rechtbank echter van oordeel dat het gelet op de wijze van totstandkoming van de overeenkomst - de contacten verlopen aanvankelijk via de stroomleverancier - in het onderhavige geval redelijkerwijs niet mogelijk is voor of bij het sluiten van de overeenkomst de algemene voorwaarden ter hand te stellen. Aangezien Liander wel heeft voldaan aan het bepaalde in art. 6:234 lid 1, aanhef en onder b. en lid 2 BW (zie hiervoor, rov. 4.4), geldt dat zij niettemin aan [gedaagde] een redelijke mogelijkheid heeft geboden voor het tot stand komen van haar algemene voorwaarden kennis te nemen. Voor vernietiging op deze grond van de door Liander ingeroepen bedingen is geen plaats.

4.6. [gedaagde] heeft voorts als verweer aangevoerd dat niet hij, maar zijn huurder de meter heeft gemanipuleerd en de illegaal afgetapte stroom heeft verbruikt. Hij betwist op grond van enige op hem als verhuurder rustende zorgplicht aansprakelijk te zijn voor de gevolgen daarvan. Hij stelt dat hij zijn huurder zorgvuldig heeft uitgezocht en dat het huisrecht van zijn huurder (neergelegd in art. 12 Grondwet en art. 8 EVRM) hem belet effectief controle op de verhuurde woning te houden. Daarbij komt dat hij in verband met zijn eigen onderneming en de ziekte van zijn moeder geen tijd had zijn huurder op fraude te controleren. Volgens [gedaagde] is sprake van overmacht. Liander heeft hiertegen ter comparitie ingebracht dat volgens vaste jurisprudentie op [gedaagde] als contractant/verhuurder op grond van de redelijkheid en billijkheid een zorg- en controleplicht rust ten aanzien van het gebruik van de elektriciteitsvoorzieningen en dat hij zijn huurder op eigen naam had moeten laten contracteren als hij deze op hem rustende verplichtingen niet kon of wilde dragen.

4.7. Op [gedaagde], de contractspartij van Liander, rust de verplichting te zorgen voor en toe te zien op correct gebruik van de aansluiting en de meetinrichting. Dat vloeit niet alleen voort uit de algemene voorwaarden van Liander, maar ook uit de aard van de contractuele verhouding tussen de partijen. De aansluiting en de meetinrichting bevinden zich in beginsel in de macht van [gedaagde], de contractspartij van Liander. Aan de zorgplicht van [gedaagde] doet niet af dat hij de woonruimte van het aansluitadres aan een derde heeft verhuurd. Op de keuze van de huurder heeft Liander geen invloed. De gevolgen van deze keuze van [gedaagde] - zoals het eventueel ontbreken van mogelijkheden tot toezicht op het gebruik van de aansluiting en meetinrichting, op grond van het huisrecht van de huurder - komen naar de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van [gedaagde]. Van overmacht in de zin van art. 6:75 BW is daarom geen sprake. Hetzelfde geldt voor het achterwege blijven van toezicht wegens tijdgebrek in verband met zijn persoonlijke omstandigheden. [gedaagde] had zijn aansprakelijkheid jegens Liander voor de gevolgen van het onrechtmatig handelen van zijn huurder kunnen voorkomen door deze op eigen naam contracten met een stroomleverancier en Liander te laten sluiten. Ook deze verweren van [gedaagde] worden derhalve verworpen.

4.8. Op grond van het voorgaande staat vast dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn zorgplicht uit hoofde van de met Liander gesloten overeenkomst. Op grond daarvan is Liander gerechtigd nakoming te vorderen van de eveneens door de overeenkomst c.q. in de algemene voorwaarden geregelde gevolgen van de tekortkoming.

4.9. [gedaagde] heeft ook de omvang van de vordering betwist. Volgens hem brengt Liander ten onrechte omzetbelasting in rekening, aangezien het hier om diefstal van een goed gaat, een - volgens het arrest van 14 juli 2005 van het Hof van Justitie van de (toen nog) Europese Gemeenschappen (C-435/03) - niet met omzetbelasting belastbaar feit.

4.10. Met betrekking tot de verschuldigdheid van omzetbelasting wordt het volgende overwogen. Uit de onderbouwing van het verweer volgt dat het zich richt tegen de over het netverlies gevorderde omzetbelasting. Diefstal van elektriciteit kan niet worden gekwalificeerd als reguliere levering die leidt tot overdracht of overgang van dat goed (vgl. onder meer Hof Leeuwarden 4 april 2007, NJF 2007, 258 en Rechtbank Arnhem 29 april 2009, LJN BI6828). Zo bezien vormt de ongewilde levering van de elektriciteit geen belastbaar feit in de zin van de artikelen 3 en 4 van de Wet op de omzetbelasting 1968, zodat langs die weg daarover geen omzetbelasting hoeft te worden geheven en dus ook niet kan worden gevorderd van de afnemer. Dat Liander over dergelijke ‘leveringen’ feitelijk - maar naar moet worden aangenomen dus onverplicht - wel omzetbelasting afdraagt, maakt dit op zichzelf niet anders. Over het bedrag dat aan [gedaagde] in rekening is gebracht ter vergoeding van de gestolen elektriciteit ad EUR 7.286,78, dat voor het overige niet door [gedaagde] is betwist, hoeft hij geen omzetbelasting te betalen. Van de vordering van Liander is daarom een bedrag van EUR 1.384,49 niet toewijsbaar. In zoverre slaagt dit verweer van [gedaagde].

4.11. Voor het overige faalt dit verweer, bij gebreke van onderbouwing daarvan. Liander heeft haar vordering primair ingesteld als een vordering tot nakoming van hetgeen op basis van de overeenkomst, meer in het bijzonder haar algemene voorwaarden, betaald moet worden voor de geleverde transportdienst, energiebelasting en overige diensten, inclusief omzetbelasting. Het verweer van [gedaagde] dat over ‘schade’ als hier gevorderd wordt geen omzetbelasting verschuldigd is, volstaat dan niet.

4.12. Voorts heeft [gedaagde] het verweer gevoerd dat het gevorderde bedrag wegens de feitelijke levering van elektriciteit blijkens de dagvaarding (onder nr. 64) een niet gespecificeerd bedrag aan administratiekosten bevat. Ter comparitie heeft Liander toegelicht dat het tarief dat wordt berekend per eenheid weggenomen elektriciteit een component aan administratiekosten bevat die verband houdt met de extra administratieve last die de inkoop wegens netverlies met zich brengt. Aangezien dit tarief per weggenomen eenheid stroom aan de afnemer in rekening wordt gebracht, betaalt deze slechts naar evenredigheid mee aan die kosten. Namens [gedaagde] is in reactie hierop verklaard, samengevat, dat daarmee de angst dat hij onevenredig veel aan die administratiekosten moest bijdragen is weggenomen. Hieruit wordt afgeleid dat [gedaagde] dit verweer niet langer handhaaft.

4.13. [gedaagde] heeft ook nog verweer gevoerd tegen buitengerechtelijke kosten. Zoals Liander ter comparitie heeft verklaard, worden echter geen afzonderlijke buitengerechtelijke kosten gevorderd. Dit verweer hoeft dan ook niet (verder) te worden beoordeeld.

4.14. Op grond van al het voorgaande is van het gevorderde bedrag ad EUR 12.632,59 een bedrag van EUR 11.248,10 toewijsbaar.

4.15. Tegen de gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd, zodat die zal worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de kosten van de conservatoire beslaglegging door Liander. Deze beslagkosten zijn gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. Zij worden begroot op EUR 397,18 voor verschotten en EUR 452,00 voor salaris advocaat (1 rekest x EUR 452,00).

4.16. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten en in de eveneens gevorderde nakosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van Liander worden begroot op:

- dagvaarding EUR 88,88

- vast recht 214,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.206,88.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Liander te betalen een bedrag van EUR 11.248,10 (elfduizendtweehonderdachtenveertig euro en tien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 14 augustus 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 849,18, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Liander tot op heden begroot op EUR 1.206,88, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4. veroordeelt [gedaagde] tevens in de nakosten, aan de zijde van Liander bepaald op EUR 131,00 voor nasalaris advocaat, te vermeerderen met, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, EUR 68,00 voor nasalaris advocaat,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op

21 juli 2010.