Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN4498

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-08-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
AWB 10/335
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toerekening betalingsrisico WGA-uitkering aan eigenrisicodrager. Verhaalsbesluit. Artikelen 83 lid 3 en 84 lid 1 Wet WIA dwingend recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/335

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 5 augustus 2010

inzake

Flyer Meat Utrecht V.O.F., eiseres,

gevestigd te Brakel, vertegenwoordigd door mr. W. van den Brink,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 15 december 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2009 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de loongerelateerde uitkeringen in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) die aan [M] en [B] (hierna: de werknemers) zijn toegekend, vanaf 1 januari 2008 onder haar risico vallen.

Bij besluit van 31 augustus 2009 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de aan deze werknemers betaalde WGA-uitkeringen over de periode van 1 januari 2008 tot 1 september 2009, in totaal netto € 41.313,34, op haar worden verhaald en dat vanaf 1 september 2009 eiseres maandelijks een beslissing zal worden toegezonden waarin staat welk bedrag zij aan verweerder moet betalen vanwege de betaalde uitkeringen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de ingediende bezwaren ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten van 31 juli 2009 en 31 augustus 2009 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 1 juli 2010. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door haar gemachtigde, mr. Van den Brink voornoemd, werkzaam bij de Koninklijke Nederlandse Slagersorganisatie (KNS) te Rijswijk. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J. de Graaf, werkzaam bij het UWV te Arnhem.

3. Overwegingen

De werknemers van eiseres [B] en [M], zijn op

9 maart 2004, respectievelijk 12 oktober 2004, uitgevallen voor hun werkzaamheden wegens ziekte. Verweerder heeft de werknemers met ingang van 13 maart 2006, respectievelijk met ingang van 10 oktober 2006, een WGA-uitkering toegekend.

Eiseres is met ingang van 1 januari 2008 eigenrisicodrager geworden.

Op 18 mei 2009 heeft verweerder eiseres een vooraankondiging van de toerekening van de WGA-uitkeringen toegezonden.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres eigenrisicodrager voor de WGA is en dat de werknemers bij eiseres in dienst waren op de eerste dag van hun ziekte. Gelet daarop vallen de WGA-uitkeringen van beide werknemers onder het risico van eiseres en dienen de betaalde WGA-uitkeringen over de periode van 1 januari 2008 tot

1 september 2009, in totaal netto € 41.313,34, op eiseres verhaald te worden.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich op het standpunt gesteld dat ten tijde van haar besluit om eigenrisicodrager te worden, de werknemers al geruime tijd uit dienst waren. Sindsdien is er geen contact meer met hen geweest. Eiseres is een kleine werkgever, van wie redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat zij zich ten tijde van haar besluit om eigenrisicodrager te worden nog bewust was van deze werknemers. Analoog aan de in artikel 82, vierde lid, van de WIA opgenomen regeling voor werknemers waarvan het dienstverband na bepaalde tijd is geëindigd, dienen de WGA-uitkeringen van haar voormalige werknemers ook buiten beschouwing te worden gelaten, aldus eiseres. Eiseres betoogt voorts dat de toerekenings- en verhaalsbesluiten in strijd zijn met het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel en dat de besluiten niet binnen een redelijke termijn zijn genomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, van de Wet WIA draagt de eigenrisicodrager vanaf het moment dat hij eigenrisicodrager wordt overeenkomstig artikel 82 het risico van de betaling van de WGA-uitkering aan de verzekerde die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd tot hem in dienstbetrekking stond, ook als die wachttijd is ingegaan vóór de dag waarop deze werkgever eigenrisicodrager werd.

Ingevolge artikel 83, derde lid, van de Wet WIA, voorzover hier van belang, betaalt het UWV deze uitkering indien de eigenrisicodrager de uitkering niet betaalt en verhaalt het UWV de uitkering op de eigenrisicodrager.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat deze bepalingen van de Wet WIA een dwingendrechtelijk karakter hebben. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in haar uitspraken van 10 oktober 2006

(LJN: AZ0127) en van 5 juni 2007 (LJN: BA6724) heeft geoordeeld dat de artikelen 75a, vierde lid en 75b, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die betrekking hebben op het betalingsrisico van de eigenrisicodrager in de zin van de WAO bepalingen van dwingend recht zijn. Deze bepalingen van de WAO zijn naar het oordeel van de rechtbank van gelijke strekking als de artikelen 84, eerste lid en 83, derde lid, van de Wet WIA, die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd.

Niet in geschil is dat de werknemers tijdens hun dienstverband met eiseres zijn uitgevallen wegens ziekte. De rechtbank is ook overigens niet gebleken dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 84, eerste lid, van de Wet WIA. Verweerder heeft het risico van betaling van de aan de werknemers toegekende WGA-uitkeringen daarom terecht per 1 januari 2008 aan eiseres toegerekend.

In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond om te concluderen dat verweerder niet gehouden was om artikel 84, eerste lid, van de Wet WIA toe te passen. Zoals de CRvB reeds heeft bepaald in de hiervoor genoemde uitspraak van 10 oktober 2006 kunnen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waarop eiseres zich heeft beroepen, pas bij het verhaalsbesluit aan de orde komen en niet al bij het vaststellen van de betalingsverplichting.

De door eiseres voorgestane toepassing van artikel 82, vierde lid, van de WIA is niet aan de orde, nu zich niet een situatie voordoet als in die bepaling is omschreven.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiseres het risico van betaling van de WGA-uitkeringen van de werknemers draagt. Vaststaat dat verweerder de WGA-uitkeringen aan de werknemers heeft uitbetaald. Op grond van het bepaalde in artikel 83, derde lid, van de Wet WIA was verweerder verplicht de betaalde WGA-uitkeringen op eiseres te verhalen. Zoals de rechtbank heeft overwogen gaat het immers om een bepaling van dwingend recht, waarvan in beginsel niet kan worden afgeweken.

De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan toepassing van deze dwingendrechtelijke bepaling wegens strijd met algemene rechtsbeginselen geen rechtsplicht meer kan zijn. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd vormt naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder ter zitting besluiten heeft overgelegd die in mei 2007 aan eiseres, respectievelijk aan de KNS, de organisatie van haar gemachtigde, zijn toegezonden en waaruit blijkt dat aan de werknemers WGA-uitkeringen zijn toegekend. Afgezien van de toegezonden besluiten, rust op eiseres in het kader van het aanvragen van het eigenrisicodragerschap een eigen onderzoeksplicht naar mogelijke WGA-uitkeringen van haar werknemers. Indien eiseres niet reeds op grond van de toegezonden besluiten op de hoogte was van nog lopende arbeidsongeschiktheidsgevallen, had zij voorafgaand aan het besluit om eigenrisicodrager te worden uit eigen beweging hierover informatie kunnen inwinnen bij het verweerder. De rechtbank wijst ook in dit verband op de uitspraken van de CRvB van 10 oktober 2006 en van 5 juni 2007.

Zoals eiseres ter zitting heeft erkend, is de termijn voor het nemen van het verhaalsbesluit aangevangen met het eigenrisicodragerschap per 1 januari 2008. Eiseres is door verweerder bij brief van 18 mei 2009 geïnformeerd over het voorgenomen besluit tot toerekening en verhaal. Mede gelet op deze brief acht de rechtbank het tijdsverloop vanaf 1 januari 2008 tot 31 augustus 2009, ruim anderhalf jaar, niet dermate lang dat toepassing van artikel 83, derde lid van de Wet WIA daarom geen rechtsplicht meer kan zijn.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.R.H. Lutjes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.B.M. Vreeswijk, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2010

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 5 augustus 2010