Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN4467

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
19-08-2010
Zaaknummer
116082
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende feitelijke onderbouwing van de stelling van eisers dat sprake is geweest van een vennootschap onder firma, waarvan gedaagde een vennoot was. Dat valt immers in de geciteerde overwegingen van het arrest niet te lezen. Bovendien heeft, zoals eerder is overwogen, het arrest in het onderhavige geding geen gezag van gewijsde.

In het licht van de betwisting door gedaagde zullen eisers nader feitelijk dienen te onderbouwen waarop zij hun vordering jegens gedaagde baseren. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde gedaagde daartoe in de gelegenheid te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 116082 / HA ZA 04-1339

Vonnis in vrijwaring van 4 augustus 2010

in de zaak van

1. [eis.1],

wonende te [woonplaats],

2. [eis.2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. G.A. Speelman te Amersfoort.

Eisers zullen hierna ieder afzonderlijk [eiser1], [eiser2] genoemd worden en zij beiden tezamen [eisers] Gedaagde zal hierna [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 maart 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 24 juni 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij dagvaarding van 15 december 2003 heeft de maatschap naar burgerlijk recht [betrokkene3] & Co. (hierna: [betrokkene3]) [eisers] gedagvaard. Zij heeft in die procedure gevorderd dat [eisers] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 60.613,24 vermeerderd met rente en kosten, zulks op de grondslag dat zij vanaf 21 december 1999 in opdracht van LLP1 – waarvan de oprichters c.q. vennoten waren [eisers], [gedaagde], [betrokkene1] en [betrokkene2] – accountantswerkzaamheden heeft verricht op grond waarvan [betrokkene3] een bedrag van € 60.613,24 in hoofdsom van LLP1 heeft te vorderen. LLP1 is nooit opgericht zodat haar oprichters c.q. vennoten op de voet van artikel 2:203 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn (gebleven) voor de verplichtingen die door LLP1 in de oprichtingsfase zijn aangegaan.

2.2. Bij vonnis van deze rechtbank van 19 mei 2004 is aan [eisers] toegestaan om de heren [betrokkene1], [betrokkene2] en N. [gedaagde] in vrijwaring te dagvaarden.

2.3. Bij dagvaarding van 14 juli 2004 hebben [eisers] [gedaagde] voor deze rechtbank gedagvaard. Zij hebben gevorderd dat de rechtbank bij vonnis gedaagde in vrijwaring ([gedaagde]) gelijktijdig zal veroordelen om aan eisers in vrijwaring ([eisers]) tegen kwijting te betalen al datgene waartoe eisers in vrijwaring als gedaagden in de hoofdzaak bij dat vonnis ten behoeve van [betrokkene3] mochten worden veroordeeld met veroordeling van gedaagde in vrijwaring van de kosten ook van de eis in vrijwaring.

2.4. Bij vonnis van deze rechtbank van 1 november 2006 is de vordering van [betrokkene3] tegen [eisers] afgewezen. [betrokkene3] alsmede de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [betrokkene3] Holding B.V. hebben vervolgens van dat vonnis (en van de overige in de zaak gewezen vonnissen) hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem. Dat hof heeft bij arrest van 19 mei 2009 het vonnis van 1 november 2006 vernietigd en, opnieuw recht doende, [eisers] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [betrokkene3] Holding B.V. van een bedrag van € 60.613,24, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 48.520,45 vanaf 25 februari 2000 en over € 12.092,79 vanaf 24 maart 2000, alles tot de dag van de voldoening.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vorderen, na hun vordering te hebben veranderd, – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 20.204,41, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen, voor zover van belang, wordt hierna nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In de hoofdzaak tussen [betrokkene3] en [betrokkene3] Holding B.V. als appellanten en [eiser1] en [eiser2] als geïntimeerden heeft het Gerechtshof Arnhem op 19 mei 2009 arrest gewezen. In hun processtukken haken [eisers] in sterke mate aan bij dat arrest. Dat arrest heeft echter geen gezag van gewijsde tussen partijen in deze vrijwaringszaak, nu deze niet dezelfde zijn als die in de hoofdzaak.

4.2. Onder punt 1 van de dagvaarding geven [eisers] weer wat [betrokkene3] in de hoofdzaak van hen vordert. Vervolgens stellen zij onder punt 2 ten aanzien van de grondslag van hun vordering in deze vrijwaringsprocedure:

Eén van de grondslagen van de onder 1 genoemde vorderingen is dat de heren [eiser1] en [eiser2] als vennoten van een vennootschap onder firma zouden zijn opgetreden. Gedaagde in vrijwaring, is, indien de vordering van [betrokkene3] & Co. geheel of gedeeltelijk juist is en wordt toegewezen, dan eveneens als vennoot van de desbetreffende vennootschap onder firma mede voor betaling van genoemde bedrag hoofdelijk aansprakelijk. De heer [gedaagde] is echter niet door [betrokkene3] & Co in de onderhavige procedure betrokken.

Naar de rechtbank hieruit begrijpt, leggen [eisers] dus aan hun vordering ten grondslag dat [gedaagde] evenals zijzelf vennoot was van een vennootschap onder firma.

4.3. [gedaagde] betwist uitdrukkelijk dat sprake is geweest van een vennootschap onder firma of een maatschap en dat [eisers] bevoegd waren namens hem opdracht te geven.

4.4. Ter comparitie heeft [eiser1] in reactie daarop uitsluitend verklaard dat hij voor de participanten het aanspreekpunt zou zijn. Dit vormt in het licht van dat verweer een onvoldoende onderbouwing van de stelling dat [gedaagde] vennoot was.

4.5. In hun akte hebben [eisers] nog wel gesteld dat zij uitgaan “van de feiten en omstandigheden zoals vastgesteld in de hoofdzaak, zie rechtoverwegingen 3.1 t/m 3.2.12 van het arrest van het Gerechtshof Arnhem d.d. 22 mei 2009”. Die overwegingen luiden:

3.1 De rechtbank heeft in haar vonnis van 22 juni 2005 onder 1.1 tot en met 1.6 feiten vastgesteld.

[betrokkene3] c.s. heeft in de grieven 1 en 2 bezwaar gemaakt tegen verschillende onderdelen van deze feitenvaststelling. Het hof zal daarom hierna de feiten opnieuw vaststellen.

Dit betekent dat [betrokkene3] c.s. bij de bespreking van deze grieven geen belang meer heeft.

3.2 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van de overgelegde producties, dan wel als door de rechtbank vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

3.2.1 Op 2 november 1999 is aan [betrokkene4] (hierna: [betrokkene4]), een van de werkmaatschappijen binnen het [betrokkene5]-concern, surseance van betaling verleend, met benoeming van (onder andere) mr. M. [betrokkene6] tot bewindvoerder.

3.2.2 Op diezelfde dag heeft B. [gedaagde] (hierna: [gedaagde]), die was geïnteresseerd in de overname van [betrokkene5] vanuit de surseance, contact opgenomen met de maatschap [betrokkene3].

3.2.3 In de periode van 2 november 1999 tot en met (de vroege ochtend van) 23 november 2000 heeft [betrokkene7] (hierna: [betrokkene7]), vennoot van maatschap [betrokkene3], in verband met de beoogde doorstart van [betrokkene4], diverse werkzaamheden in opdracht en voor rekening van [gedaagde] verricht. Deze werkzaamheden heeft maatschap [betrokkene3] aan [gedaagde] in rekening gebracht.

3.2.4 Nadat was gebleken dat [gedaagde] de doorstart niet zelfstandig kon realiseren, zijn vanaf 22 december 1999, tezamen met [gedaagde], nog vier andere belangstellenden in beeld gekomen, te weten [eiser1], [eiser2], [betrokkene1] en [betrokkene2] (hierna ook gezamenlijk: de participanten).

3.2.5 Een door de participanten op of omstreeks 23 december 1999 ondertekend (ongedateerd) stuk met het opschrift “aandeelhoudersovereenkomst”vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

DE ONDERGETEKENDEN:

[…] [betrokkene1] […]);

[…][betrokkene2] […];

[…] N. [gedaagde] […]);

[…] [eiser2] […] en [eiser1] […]

Samen de aandeelhouders zijnde van LLP1 komen de volgende verdeling van de aandelen overeen […]

3.2.6 Op 23 december 1999 hebben de participanten en de bewindvoerders van [betrokkene4] een overeenkomst van optie op aandelen en overdracht van activa (hierna: de optieovereenkomst) gesloten. In de optieovereenkomst werd uitgegaan van twee mogelijke doorstartscenario’s.

3.2.7 Een door [eiser1] namens Investeringmaatschappij LLP1 B.V.i.o. opgestelde en door J. [betrokkene8] namens [betrokkene5] Leasing III B.V. voor akkoord getekende brief aan [betrokkene5] Leasing III B.V., gedateerd 19 januari 2000, vermeldt het volgende, voor over van belang:

1. Investeringmaatschappij LLP1 B.V. i.o. (oprichters [betrokkene1], [betrokkene2], N. [gedaagde], [eiser2] en [eiser1]) is bereid [betrokkene5] Leasing III B.V. (AHL) een geldlening te verstrekken op de navolgende voorwaarden

3.2.8 Een brief van 31 januari 2000 aan mr. [betrokkene6] luidt, voor zover van belang, als volgt:

Hierbij roept ondergetekende, de besloten vennootschap Investeringmaatschappij LLP1 B.V.

(thans nog genaamd [betrokkene11].), de optie in om alle aandelen in het kapitaal van [betrokkene5] Finance B.V. te verkrijgen welk optierecht is neergelegd in artikel 4 van de overeenkomst van 23 december 1999 en bijlage 12 van die overeenkomst. […]

Hoogachtend,

LLP i B.V. (thans nog genaamd [betrokkene11].)

[betrokkene9] (bestuurder)

3.2.9 Een door [eiser1] namens LLPi B.V. i.o. ondertekende brief van 7 februari 2000 aan Gilt Guaranty Trust Ltd., te Jakarta, Indonesië, welke vennootschap belangstelling had te participeren in AHF, vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

De door ons gevormde groep investeerders, Investeringmaatschappij LLP1 B.V.i.o.,kan beschikken over de aandelen in [betrokkene5] Finance(AHF), de holding die indirect alle aandelen houdt in AHL. […]

3.2.10 Een door [betrokkene7] op 16 februari 2000 opgemaakt chronologisch verslag van de gebeurtenissen over de periode van 2 november 1999 tot en met 16 februari 2000 vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

11 januari 2000

[…]

Aan de orde is tevens geweest de onderlinge verhoudingen binnen de kring van optiehouders. Hierbij wordt (nogmaals) afgesproken dat de heren [eisers] namens de optiehouders naar buiten zullen treden, waarbij de heer [betrokkene9] als directeur zal optreden van LLP1 B.V. (zijnde de vennootschap [betrokkene11].)en de heer [betrokkene10] als adviseur.

3.2.11 De hiervoor genoemde vennootschap [betrokkene11]. (hierna: [betrokkene11]) is op 13 december 1993 opgericht en maakt onderdeel uit van het [naam concern]-concern. [eiser1] was (in ieder geval) in de periode van 23 december 1999 tot en met 16 februari 2000 bestuurder van [betrokkene11]. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister heeft [betrokkene11] op 31 december 1999 opgegeven dat zij vanaf 23 december 1999 ook van de handelsnaam LLP1 gebruik maakt.

3.2.12 De in de optieovereenkomst voorziene doorstart van [betrokkene4] is uiteindelijk niet doorgegaan. Bij vaststellingsovereenkomst van 13 april 2000 is de optieovereenkomst vervallen verklaard.

4.6. [eisers] stellen niet dat zij die in het arrest vastgestelde feiten, weergegeven in de r.ov. 3.1 tot en met 3.2.12 van het arrest, mede aan hun vordering ten grondslag leggen. Indien zij wel bedoeld zouden hebben dat te stellen, vormt ook dat een onvoldoende feitelijke onderbouwing van de stelling van [eisers] dat sprake is geweest van een vennootschap onder firma, waarvan [gedaagde] een vennoot was. Dat valt immers in de geciteerde overwegingen van het arrest niet te lezen. Bovendien heeft, zoals eerder is overwogen, het arrest in het onderhavige geding geen gezag van gewijsde.

4.7. In het licht van de betwisting door [gedaagde] zullen [eisers] nader feitelijk dienen te onderbouwen waarop zij hun vordering jegens [gedaagde] baseren. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde [eisers] daartoe in de gelegenheid te stellen.

4.8. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verwijst de zaak naar de rol van 1 september 2010 voor uitlating aan de zijde van [eisers] omtrent hetgeen is overwogen in r.ov. 4.7,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2010.