Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN4417

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-08-2010
Datum publicatie
19-08-2010
Zaaknummer
AWB 10/801
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel heeft een verzoek om handhavend op te treden op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening tegen overlast door kraaiende hanen afgewezen. Op basis van een bureauonderzoek is vastgesteld dat de prioriteit bij handhaving laag is en dat optreden, gezien de beperkte handhavingscapaciteit niet in het algemeen belang is. De rechtbank Arnhem accepteert deze motivering niet. Het college had moeten vaststellen of in dit geval sprake is van een overtreding. De rechtbank vernietigt het besluit van het college en draagt het college op om een nieuw besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/3453

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/801

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 3 augustus 2010

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [plaats], vertegenwoordigd door mr. P.M.F. Jansen,

tegen

het college van de burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel, verweerder

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 20 januari 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2009 heeft verweerder een verzoek om handhavend op te treden tegen de overlast door kraaiende hanen afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het eerder genoemde besluit herroepen en het verzoek opnieuw afgewezen, onder een gewijzigde motivering.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 23 juni 2010. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.M.F. Jansen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Volmer en drs. O. Braspenning.

3. Overwegingen

Eiser heeft bij brief van 18 mei 2009 aan verweerder te kennen gegeven dat hij overlast ondervindt van kraaiende hanen, waarvan er zich twee bevinden op het perceel [adres 1] en één haan zich bevindt op het perceel [adres 2]. In deze brief heeft eiser verzocht om op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening van de Gemeente Tiel (APV) handhavend op te treden.

Verweerder heeft dit verzoek bij besluit van 10 juni 2009 afgewezen. Aan dat besluit lag samengevat ten grondslag dat verweerder vanwege de beperkte capaciteit die aanwezig is om toezicht te houden, in zijn handhavingsbeleid heeft neergelegd dat geen capaciteit wordt ingezet ten aanzien van geschillen tussen buren.

Naar aanleiding van een daartegen door eiser gemaakt bezwaar heeft verweerder, onder overneming van een advies van gemeentelijke bezwarencommissie het besluit van 10 juni 2009 herroepen. Bij dat besluit heeft verweerder het verzoek van eiser opnieuw afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat hij een jaarprogramma integrale veiligheid 2009 heeft vastgelegd waarin een prioritering is aangebracht op het gebied van handhaving. In dat programma hebben overtredingen waarbij een beperkt aantal belanghebbenden is betrokken en waarbij het algemeen belang ‘klein’ is de laagste prioriteit (5). Het verzoek van eiser is onderworpen aan een bureauonderzoek, waarbij het verzoek is beoordeeld aan de hand van het jaarprogramma, de APV, kadastrale gegevens, gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie, bestemmingsplannen, jurisprudentie en binnengekomen meldingen en klachten. Het verzoek is op basis van de voorhanden zijnde gegevens passend in de beschrijving onder prioriteit 5 van het jaarprogramma. Optreden tegen deze situatie dient gelet op de beperkte toezicht- en handhavingscapaciteit niet het algemeen belang, aldus verweerder.

Eiser heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op zijn stellingen zal de rechtbank hierna, waar nodig, nader ingaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 4.1.6.c, van de APV 2009 moet degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier, voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt. In de tot 16 juli 2009 geldende APV 2006 was een gelijkluidende bepaling opgenomen.

Vast staat dat verweerder op grond van voormelde bepaling bevoegd is om handhavend op te treden tegen hinder veroorzakende dieren. Uit de toelichting bij artikel 4.1.6.c van de APV 2009 blijkt dat het artikel slechts grond biedt om op te treden indien sprake is van significante overlast.

Zoals ook in het verweerschrift naar voren is gebracht, kan in dit geval, waarin hanen in een intensief bebouwde omgeving worden gehouden, niet op voorhand worden uitgesloten dat sprake is van hinder als bedoeld in artikel 4.1.6.c van de APV 2009. Ter zitting is namens verweerder toegelicht dat op basis van het bureauonderzoek niet is komen vast te staan of sprake is van een overtreding, maar dat is gebleken dat een overtreding niet aannemelijk is en dat een nader onderzoek erg kostbaar zou zijn. Verweerder heeft echter niet onderzocht of in dit geval naar objectieve maatstaven sprake is van een overtreding ten aanzien waarvan hij bevoegd is om handhavend op te treden. Verweerder heeft derhalve volstaan met een beoordeling van de mate waarin aan het verzoek van eiser prioriteit dient te worden toegekend en op grond daarvan besloten van handhavend optreden af te zien.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, op grond waarvan een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis dient te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik zal moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen.

Tegen de achtergrond van deze beginselplicht zal ingeval een derde verzoekt om tegen een beweerdelijke overtreding op te treden, het bestuursorgaan dienen te onderzoeken of zij daartoe bevoegd is. De omstandigheid dat verweerder over beperkte middelen beschikt om toezicht te houden en om tegen overtredingen op te treden, kan aanleiding zijn tot een prioritering in de afhandeling van de verzoeken. Dit is echter geen bijzondere omstandigheid om geheel van handhavend optreden af te zien ingeval een derde daarom om heeft verzocht, laat staan dat deze omstandigheid het achterwege laten van een feitelijk onderzoek naar de vraag of sprake is van een overtreding zou kunnen rechtvaardigen.

Het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het daartoe strekkende betoog van eiser slaagt. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd, behoeft thans geen bespreking.

De rechtbank merkt nog op dat verweerder het nieuw te nemen besluit op bezwaar zal moeten baseren op de APV 2009. In artikel 6.5, vierde lid, van de APV 2009 is een overgangsregeling neergelegd met betrekking tot bezwaren die aanhangig zijn gemaakt vóór de inwerkingtreding van de APV 2009. Deze overgangsbepaling ziet echter slechts op bezwaren tegen verleende vergunningen en ontheffingen of tegen opgelegde voorschriften of beperkingen. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiser om vergoeding van de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover dient te beslissen.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 3 augustus 2010