Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN4132

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-08-2010
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
05/701616-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van feit 1 :

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg terwijl het feit wordt ge-pleegd op de openbare weg

Ten aanzien van feit 2:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg erwijl het feit wordt egd op de openbare weg

Ten aanzien van feit 3:

Diefstal

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van 3 (drie) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Promis II

Parketnummer : 05/701616-10

Datum zitting : 3 augustus 2010

Datum uitspraak : 17 augustus 2010

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : 22 januari 1988 te Nijmegen,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Wilhelminastraat 16

Arnhem.

Raadsman: Mr. P.H.W.M. Roelofs, advocaat te Nijmegen.

Officier van justitie: Mr. B. Molenaar

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegestane wijziging ten aanzien van feit 3, ten-lastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 december 2009 te Nijmegen, op de openbare weg, te

weten op de Leliestraat, met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer1] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer pizza's en/of blikken

bier en/of een portemonnee (inhoudende een hoeveelheid geld en/of pasjes), in

elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam pizzeria]

en/olf [slachtoffer1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)

dat hij, verdachte, die [slachtoffer1] de woorden heeft toegevoegd: "sorry

knul/jongen, we kunnen dit makkelijk doen of kunnen het moeilijk doen" en/of

"geef mij maar gewoon die portemonnee, dan is er niets aan de hand", waarbij

hij, verdachte, een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (duidelijk)

zichtbaar voor die [slachtoffer1] heeft vastgehouden;

art. 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art. 321 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 23 november 2009 te Nijmegen, op de openbare weg, te

weten op de Oude Graafseweg, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen één of meer pizza's, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam pizzeria], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld

en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer2],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte

een mes heeft getrokken en/of (vervolgens) duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer2] heeft vastgehouden en/of (daarbij) die [slachtoffer2] de woorden heeft

toegevoegd: "ik wil je portemonnee en je pizza's", althans woorden van gelijke

aard en/of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 23 november 2009 te Nijmegen, op de openbare weg, te weten

op de Oude Graafseweg, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk

te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer2] heeft

gedwongen tot de afgifte van een portemonnee (inhoudende een hoeveelheid

geld), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[naam pizzeria], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte

een mes heeft getrokken en/of (vervolgens) duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer2] heeft vastgehouden en/of (daarbij) die [slachtoffer2] de woorden heeft

toegevoegd: "ik wil je portemonnee en je pizza's", althans woorden van gelijke

aard en/of strekking;

art. 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art. 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2009 tot en met 22 november 2009

te Nijmegen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer pizza’s en/of een portemonnee (inhoudende een hoeveelheid geld) en/of een sixpack bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer3] en/of [naam pizzeria], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 3 augustus 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P.H.W.M. Roelofs, advocaat te Nijmegen.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Feit 1

Ten aanzien van feit 1 is er sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering. Om die reden wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, zijnde:

- de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 3 augustus 2010;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer1], p.13-17;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant1], p.25-26;

- het proces-verbaal van verhoor van [verdachte], p.47-49;

- een aanvullend proces-verbaal van de politie Gelderland-Zuid, met bovengenoemd dossiernummer, gedateerd 17 juni 2010, opgemaakt door verbalisant [verbalisant2], met als bijlage het proces-verbaal van verhoor van [getuige1].

Feit 2

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen worden de volgende feiten, die verder ook niet ter discussie staan, vastgesteld.

Op 23 november 2009 heeft een man, die zich [verzonnen naam] noemde, omstreeks 21.18 uur bij [naam pizzeria] te Nijmegen twee pizza’s besteld voor de [adres] te Nijmegen. Deze man heeft daarbij een – naar later bleek – niet bestaand verificatietelefoonnummer opgegeven.

Vervolgens is koerier [slachtoffer2] omstreeks 21.30 uur naar de [adres] gegaan om de pizza’s te bezorgen. Terwijl [slachtoffer2] bezig was het adres te zoeken kwam er een man op hem toelopen die zichtbaar een mes voor zich hield en zei: “Ik wil je portemonnee en je pizza’s”. [slachtoffer2] heeft de pizza’s en de portemonnee met inhoud aan de man afgegeven.

In mei 2010 heeft een analyse van de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [naam pizzeria] plaatsgevonden. Het naar aanleiding daarvan opgestelde proces-verbaal vermeldt dat op 23 november 2009 om 21.13 uur naar [naam pizzeria] is gebeld door het mobiele nummer [nr]. Het proces-verbaal vermeldt tevens dat met genoemd mobiel nummer van verdachte op 23 november 2009 om 21:13:25 uur éénmaal is gebeld met [naam pizzeria].

Standpunt officier van justitie

Het openbaar ministerie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde. Van het primair tenlastegelegde dient verdachte te worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van feit 2 dient te worden vrijgesproken nu het twijfelachtig is of de bekentenis van verdachte daadwerkelijk betrekking heeft op de overval die hier ten laste is gelegd. Op een aantal punten komt de aangifte niet overeen met de bekentenis van verdachte, waarbij als belangrijkste verschil kan worden gewezen op de door aangever genoemde lengte van de dader die totaal niet overeenkomst met de lengte van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en zal hem daarvan vrijspreken.

Het subsidiair tenlastegelegde acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de door verdachte bij de politie en ter zitting afgelegde verklaringen getuigen van daderinformatie en dermate veel overeenkomsten vertonen met de aangifte van [slachtoffer2] dat tot een bewezenverklaring dient te worden geconcludeerd. Zij overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft bij de politie en ter zitting een bekennende verklaring afgelegd. Meer in het bijzonder heeft hij verklaard dat het mobiele nummer waarmee om 21.13 uur met [naam pizzeria] is gebeld, toentertijd bij hem in gebruik was. Het tijdstip waarop is gebeld, is vlak vóór het moment waarop de bestelling voor de Oude Graafseweg in het computersysteem is ingevoerd, te weten 21.17 uur.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij op 23 november 2009 op de Oude Graafseweg een koerier van [naam pizzeria] heeft opgewacht nadat hij telefonisch met een verzonnen naam een bestelling had geplaatst.

Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt dat verdachte dit adres niet van de verbalisanten heeft vernomen maar zelf heeft genoemd, hetgeen van daderinformatie getuigt. Verdachte heeft verklaard dat hij een huisnummer had opgegeven dat niet bestond en dat hij, toen hij de koerier zag zoeken naar het huisnummer, heeft gezegd dat hij zijn hand heeft opgestoken en de pizza’s heeft aangepakt.

Dat het door verdachte genoemde huisnummer niet bestaat, komt overeen met de bevindingen van aangever die het adres niet kon vinden.

Hoewel verdachte ter zitting heeft ontkend dat hij het mes tegen de jas van [slachtoffer2] heeft geduwd, zoals door [slachtoffer2] bij zijn aangifte is gesteld, heeft verdachte bekend dat hij hem het mes wel heeft getoond en voor zich heeft gehouden, dat hij tegen de jongen heeft gezegd dat hij zijn portemonnee wilde hebben, althans woorden van gelijke strekking, en dat de jongen hem toen de portemonnee heeft gegeven.

De omstandigheid dat de omschrijving van het lemmet enigszins afwijkt, dat [slachtoffer2] spreekt over €. 15,- in de portemonnee en verdachte over €. 40,- en dat [slachtoffer2] de speciale ‘loop’ van verdachte niet bij het signalement heeft genoemd, staat een bewezenverklaring niet in de weg nu de aangifte en verklaringen van verdachte op de meest essentiële punten overeenkomen.

Opvallend is wel dat [slachtoffer2] zijn overvaller omschrijft als kleiner dan hijzelf (ongeveer 1.70 m) terwijl verdachte beduidend langer is dan [slachtoffer2]. Aan dit verschil kent de rechtbank echter geen beslissende betekenis toe nu zeer wel mogelijk is dat aangever mede door de gevoelens van angst die hem naar eigen zeggen bekropen, een minder nauwkeurige waarneming kan hebben gedaan.

De overtuiging ontleent de rechtbank echter met name aan het gebruik van verdachtes telefoon voor het bestellen van een pizza en de opgave van het bovengenoemde adres.

Feit 3

Gelet op de omstandigheid dat in de oorspronkelijke tenlastelegging onder feit 3 naast de plaatsnaam tevens de straat, te weten de Hatertseveldweg, was opgenomen, gaat de rechtbank er van uit dat de straatnaam in de gewijzigde tenlastelegging abusievelijk is vergeten maar wel bedoeld is deze ook in de gewijzigde tenlastelegging op te nemen.

Ten aanzien van feit 3 is er sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering. Om die reden wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, zijnde:

- de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 3 augustus 2010;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de politie Gelderland-Zuid, dossiernummer PL081R-2010069075, gedateerd 7 juli 2010, opgemaakt door [verbalisant3], met bijlagen, voor zover inhoudende:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer3], p. 47-52;

- het proces-verbaal van verhoor van [naam], p. 61-64.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, onder 2 subsidiair en het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 04 december 2009 te Nijmegen, op de openbare weg, te weten op de Leliestraat, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer1] heeft gedwongen tot de afgifte van pizza’s en blikken bier en/of een portemonnee (inhoudende een hoeveelheid geld toebehorende aan [naam pizzeria] welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [slachtoffer1] de woorden heeft toegevoegd: "sorry

knul/jongen, we kunnen dit makkelijk doen of kunnen het moeilijk doen" en"geef mij maar gewoon die portemonnee, dan is er niets aan de hand", waarbij hij, verdachte, een mes, (duidelijk) zichtbaar voor die [slachtoffer1] heeft vastgehouden;

2.

hij op 23 november 2009 te Nijmegen, op de openbare weg, te weten op de Oude Graafseweg, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer2] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee (inhoudende een hoeveelheid geldtoebehorende aan [naam pizzeria] welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte een mes duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer2] heeft vastgehouden en daarbij die [slachtoffer2] de woorden heeft toegevoegd: "ik wil je portemonnee en je pizza's", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

3.

hij in de periode van 1 november 2009 tot en met 22 november 2009

te Nijmegen, op de openbare weg, te weten de Hatertseveldweg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen pizza’s en een portemonee (inhoudende een hoeveelheid geld) en een sixpack bier,geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer3] en [naam pizzeria], art 310 Wetboek van Strafrecht

Ter zake van feit 3 merkt de rechtbank op dat in de gewijzigde tenlastelegging het medeplegen van de overval niet meer is opgenomen, anders dan in de oorspronkelijke tenlastelegging.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 :

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg terwijl het feit wordt ge-pleegd op de openbare weg

Ten aanzien van feit 2:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg erwijl het feit wordt egd op de openbare weg

Ten aanzien van feit 3:

Diefstal

4b. De strafbaarheid van het/de feit(en)

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden – ook niet uit de pro justitia rapportage van 30 juli 2010 opgemaakt door drs.[naam deskundige], klinisch-psycholoog-psychotherapeut – waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, het onder 2 subsidiair en onder 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden, waarvan 6 (zes) voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde op te leggen het opvolgen van voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens reclassering zullen worden gegeven, ook als dat inhoudt het opvolgen van aanwijzingen van medewerkers van ‘Moria’, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij de straf rekening te houden met de relatief ‘milde’ vorm waarin de overvallen hebben plaatsgevonden.

De verdediging heeft primair een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest bepleit met daarnaast de maximale taakstraf en verplichte begeleiding door de reclassering.

Subsidiair heeft de verdediging om aanhouding van het onderzoek ter zitting verzocht om nader advies in te winnen bij psycholoog [naam deskundige], nu uit het beschikbare rapport blijkt dat de psycholoog ten tijde van het opstellen van het rapport slechts wetenschap had van feit 1. Een aanhouding zou tevens de mogelijkheid bieden om te laten onderzoeken welke concrete mogelijkheden Moria biedt om verdachte verder te helpen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 23 juni 2010; en

- een pro justitia rapportage opgemaakt door drs. [naam deskundige], klinisch-psycholoog-psychotherapeut, betreffende verdachte, gedateerd 30 juli 2010; en

- een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, betreffende verdachte, gedateerd 22 juli 2010.

Verdachte heeft driemaal een pizzakoerier overvallen en heeft bij deze overvallen in ieder geval tweemaal gedreigd met een mes.

De rechtbank beschouwt dit soort daden als zeer ernstige feiten.

Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen [naam pizzeria] financieel benadeeld, maar veel belangrijker nog is dat dergelijke feiten gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers veroorzaken. Hoewel verdachte naar zijn zeggen heeft getracht de ervaring voor de betrokken koeriers niet onnodig bedreigend te laten zijn door zelf niet paniekerig of agressief over te komen en niet met messen te zwaaien, neemt dat niet weg dat een en ander bedreigend moet zijn overgekomen op de betreffende koeriers. Algemeen bekend is dat slachtoffers van dergelijke overvallen daar nog geruime tijd last van kunnen houden en dergelijke overvallen voor onrust in de maatschappij zorgen.

Verdachte heeft verklaard dat hij tot zijn handelen is gekomen doordat hij geen geld had en honger had. Nog daargelaten dat verdachte zelf heeft verklaard dat zijn geld opgaat aan drugs, coke en wiet, had verdachte zich dienen te realiseren dat hij zich op een andere manier van financiële middelen en voedsel had moeten voorzien. De rechtbank acht het zeer laakbaar dat verdachte zo lichtzinnig is overgegaan tot het plegen van deze afpersingen en de diefstal.

In beginsel zou een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden voor dergelijke feiten op zijn plaats zijn. Verdachte heeft echter geen noemenswaardige documentatie en is verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank ziet in genoemde omstandigheden aanleiding om ten gunste van verdachte af te wijken van de strafeis van de officier van justitie. Met de officier acht zij een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte in de toekomst ervan te weerhouden om zich wederom schuldig te maken aan dergelijke feiten. Zij zal daaraan een bijzondere voorwaarde verbinden.

De tijd door verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 106 dagen, zal overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht van de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

6a. De beoordeling van de civiele vordering van [slachtoffer2]

De benadeelde partij [slachtoffer2] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade. Hij vordert ter zake van geleden immateriële schade een bedrag van €. 750,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd een bedrag van €. 500,- toe te wijzen en de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk te verklaren.

Bij het toe te wijzen deel van de vordering verzoekt de officier van justitie een schade-ergoedingsmaatregel op te leggen.

Door en namens de verdachte is de vordering van de benadeelde niet betwist.

De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij door het onder feit 2 bewezen-verklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan schadevergoeding komt de rechtbank onder de gegeven omstandigheden billijk voor, zodat zij de vordering in zoverre zal toewijzen aan de benadeelde partij. De rechtbank zal de benadeelde partij niet in haar vordering ontvangen voor zover de vordering strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade De rechtbank zal tevens de wettelijke rente vanaf de datum van het delict toewijzen en de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht toepassen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 57, 310, 312 lid 2 aanhef en sub 1 en 2 en artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair ten laste gelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft be-gaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het/de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van 3 (drie) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, ten¬zij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proef¬tijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan voorts worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proef¬tijd van 2 (twee) jaren de navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

- Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven, ook indien dit zal inhouden het opvolgen van aanwijzingen van medewerkers van Moria, voor zover en voor zolang dat door de reclassering nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2] (feit 2)

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer2], wonende aan de [adres], te betalen €. 500,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 november 2009.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 500,- subsidiair 10 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer2], wonende aan de [adres], te betalen €. 500,- , te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 24 november 2009 bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer2], het daarmee corresponderende gedeelte van de civielrechtelijke verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. F.J.H. Hovens, rechter, als voorzitter,

mr. T.H.P. de Roos, rechter,

mr. M.S.T. Belt, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. G. Croes, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 augustus 2010.