Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN4113

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-08-2010
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
05/900100-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van feit 1:

Medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen

Ten aanzien van feit 3:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Een gevangenisstraf voor de duur van 688 (zeshonderdenachtentachtig) dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 365 (driehonderdenvijfenzestig) dagen niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/900100-09

Data zitting : 19 mei 2009, 28 juli 2009, 20 oktober 2009, 22 december 2009 en 3 augustus

2010

Datum uitspraak : 17 augustus 2010

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : 7 november 1987 te Nijmegen,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen.

Officier van justitie : mr. H.J. Timmer.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

[medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] op of omstreeks 17 april 2008 te Nijmegen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een aan de [adres] aldaar

gelegen kapperszaak heeft weggenomen een geldbedrag van 300,- euro, althans

een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[benadeelde partij4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), waarbij [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] zich de

toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te

nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak, verbreking en/of inklimming (door een ruit en/of een deur van die

kapperszaak te vernielen/forceren),

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen aldaar opzettelijk behulpzaam

is geweest door op de uitkijk te staan en/of geld aan te nemen van een van

zijn mededader(s);

(incident 8, blz. 722 e.v.)

2.

hij op of omstreeks 31 juli 2008 te Beuningen in de gemeente Beuningen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 50,- euro,

althans een geldbedrag en/of een of meer pakje(s) sigaretten en/of een of meer

krat(ten) (Aldi Press) en/of een geldbedrag van 515,- euro, althans een

geldbedrag en/of een of meer (bank/giro-)pas(sen) en/of een rijbewijs en/of

een identiteitskaart, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [naam BV] BV en/of [benadeelde partij1], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld

en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij1],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij/zij die

[benadeelde partij1] toen aldaar met een mes, althans met een puntig en/of scherp

voorwerp en/of fysiek geweld heeft/hebben bedreigd;

(incident 1, blz. 3[nr] e.v.)

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

[medeverdachte1] en/of [medeverdachte4] op of omstreeks 31 juli 2008 te Beuningen in de

gemeente Beuningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van

50,- euro, althans een geldbedrag en/of een of meer pakje(s) sigaretten en/of

een of meer krat(ten) (Aldi Press) en/of een geldbedrag van 515,- euro,

althans een geldbedrag en/of een of meer (bank/giro-)pas(sen) en/of een

rijbewijs en/of een identiteitskaart, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [naam BV] BV en/of [benadeelde partij1], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat [medeverdachte1]

en/of [medeverdachte4] die [benadeelde partij1] toen aldaar met een mes, althans met een puntig

en/of scherp voorwerp en/of fysiek geweld heeft/hebben bedreigd, tot en/of bij

het plegen van welk misdrijf verdachte

op of omstreeks 31 juli 2008 te Beuningen en/of elders in Nederland

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan en/of goederen

en/of geld aan te nemen van zijn mededader(s);

3.

hij op of omstreeks 13 augustus 2008 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [benadeelde partij5] en/of een andere in het cafetaria aanwezige medewerker (genaamd [naam medewerker])

heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 380,- euro, althans een

geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

cafetaria "'[naam cafetaria]", gelegen aan de [adres], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) met voormeld

oogmerk gemaskerd met bivakmuts en/of capuchon en/of sjawl over zijn/hun hoofd

en/of bewapend met een pistool, althans een daarop gelijkend voorwerp,

voormeld cafetaria is binnengelopen en/of daarbij in de richting van die [benadeelde partij5] en/of een andere in het cafetaria aanwezige medewerker toen aldaar met

een pistool, althans een daarop gelijkend voorwerp, heeft/hebben bedreigd

en/of (vervolgens) daarbij in de richting van die [benadeelde partij5] en/of de andere in

het cafetaria aanwezige medewerker heeft geroepen "kassa open, geld geven"

en/of "geld, geld";

(incident 6, blz. 630 e.v.)

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 3 augustus 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

• [benadeelde partij1]

• [benadeelde partij2]

• [benadeelde partij3]

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

De vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen worden de navolgende feiten, die verder ook niet ter discussie staan, vastgesteld.

Op 17 april 2008 is ingebroken bij de kapsalon van [benadeelde partij4] aan de [adres] [nr] te Nijmegen. De buit bestond uit de dagopbrengst van € 200,- á € 300,-. Door het verbreken van een ruit heeft men zich de toegang tot de kapsalon verschaft.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring en baseert zich daarbij op de verklaringen van [medeverdachte2] en [medeverdachte1]. .

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte op de uitkijk heeft gestaan nu verdachte dit ontkent en de andere verdachten hier niet over verklaren. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het enkel delen in de buit niet kan worden beschouwd als opzettelijk behulpzaam zijn. Het kan slechts een factor zijn die bij het medeplegen wordt betrokken maar van medeplegen is in casu geen sprake. De raadsman verzoekt verdachte vrij te spreken van het onder 1 tenlastegelegde.

De beoordeling door de rechtbank

[medeverdachte2] (hierna: [medeverdachte2]) heeft verklaard dat hij op een avond met [medeverdachte1] (hierna [medeverdachte1]), [medeverdachte5] (hierna: [medeverdachte5]) en [naam verdachte] (verdachte) naar een kapperszaak ging. [medeverdachte1] sloeg het raam in en verdachte bleef buiten bij het opengebroken raam staan terwijl [medeverdachte1] naar binnen ging. Toen [medeverdachte1] terugkwam met geld, hebben zij de buit verdeeld.

[medeverdachte5] heeft verklaard dat het best zo kan zijn dat hij die avond samen met zijn broer (verdachte) in een auto aan het rondrijden was en dat zij onderweg [medeverdachte1] en [medeverdachte2] ergens in Nijmegen hebben opgepikt. [medeverdachte1] heeft in de auto gesproken over geld maken en heeft de weg naar de kapperszaak gewezen. [medeverdachte5] en verdachte zijn in de buurt van de auto gebleven.

Zij moesten direct wegrijden toen [medeverdachte1] en [medeverdachte2] terugkwamen en vervolgens werd in de auto gezegd dat [medeverdachte1] bij de kapsalon had ingebroken. [medeverdachte5] heeft

€. 50,- gekregen van [medeverdachte1].

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij omstreeks 18 april 2008 met [medeverdachte5]), [medeverdachte1] en [medeverdachte2] is gaan rondrijden en dat [medeverdachte1] en [medeverdachte2] in de omgeving van de [adres] zijn uitgestapt.

In het begin hebben zij even gewacht maar zijn kort daarna weggegaan. Later op de avond heeft hij [medeverdachte1], mogelijk bij [medeverdachte2] maar dat weet hij niet zeker meer, opgehaald. Hoewel verdachte ten tijde van dit verhoor nog stelde dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan deze inbraak, heeft hij ter terechtzitting van 19 mei 2009 zijn betrokkenheid bij een inbraak in die kapsalon niet langer ontkend en erkend dat hij ook heeft meegedeeld in de buit.

Hoewel er ook op 4 juli 2008 is ingebroken in die kapsalon, is uitsluitend bij de inbraak op 17 april 2008 buit gemaakt en waren bij díe inbraak ook de overige drie verdachten betrokken.

De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte’s bekennende verklaring betrekking heeft op de inbraak op 17 april 2008, ook al heeft hij die datum ter terechtzitting van 19 mei 2009 betwist en gesteld dat het rond juli of augustus 2008 moet zijn geweest. Daar komt bij dat hij bij de politie heeft verklaard dat hij op de betreffende avond ‘even heeft gewacht’ toen [medeverdachte1] en [medeverdachte2] waren uitgestapt en uit de hiervoor aangehaalde verklaring van [medeverdachte2] volgt dat verdachte toen bij het raam heeft gestaan, waarmee onmiskenbaar is bedoeld het raam dat door [medeverdachte1] is ingeslagen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de aangifte, de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 mei 2009 en de hiervoor in onderling verband en samenhang beschouwd genoemde verklaringen van [medeverdachte2] en [medeverdachte5], het tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen, in die zin dat verdachte op de uitkijk heeft gestaan bij de inbraak en dat dit medeplichtigheid oplevert.

Ten aanzien van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van deze feiten is er sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 19 mei 2009;

- het proces-verbaal van aangifte van (naam) namens [naam BV] BV (pagina’s 402-405);

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij1] (pagina’s 406-415)

- het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte1] (pagina’s 510-511)

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 19 mei 2009;

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij2], inclusief de goederenbijlage (pagina 634-640)

- het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte1] (pagina 681-682)

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

[medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] op 17 april 2008 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een aan de [adres] aldaar

gelegen kapperszaak heeft weggenomen een toebehorende aan [benadeelde partij4]waarbij [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak, (door een van die kapperszaak te vernielen),bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen aldaar opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan

2.

hij op 31 juli 2008 te Beuningen in de gemeente Beuningen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 50,- euro, en pakjes sigaretten en krat Aldi Press en een geldbedrag van 515,- euro, en bank/giro-passen en een rijbewijs en een identiteitskaart, toebehorende aan [naam BV] BV en/of [benadeelde partij1], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te welke bedreiging met geweld hierin bestonddat zij die [benadeelde partij1] toen aldaar met een mes, en fysiek geweld hebben bedreigd;

3.

hij op 13 augustus 2008 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld, [benadeelde partij5] en een andere in de cafetaria aanwezige medewerker (genaamd [naam medewerker]) heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 380,- euro toebehorende aan cafetaria "'[naam cafetaria]", gelegen aan de [adres], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededaders met voormeld oogmerk gemaskerd met bivakmuts en/of capuchon en/of sjawl over hun hoofd en bewapend met een pistool, althans een daarop gelijkend voorwerp,

voormelde cafetaria zijn binnengelopen en daarbij in de richting van die [benadeelde partij2] en een andere in het cafetaria aanwezige medewerker toen aldaar met een pistool, althans een daarop gelijkend voorwerp, hebben bedreigd en (vervolgens) daarbij in de richting van die [benadeelde partij2] en de andere in de cafetaria aanwezige medewerker heeft geroepen "kassa open, geld geven" en"geld, geld";

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen

Ten aanzien van feit 3:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 323 dagen gevangenisstraf met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij Groot Batelaar voor de maximale duur van 7 (zeven) maanden; en

- een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis.

Ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij:

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] tot een bedrag van €. 515,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2] tot een bedrag van €. 750,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft verder verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3] tot een bedrag van €. 380,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

De officier van justitie is van oordeel dat gelet op het feit dat de behandeling van verdachte bij Groot Batelaar tot nu toe positief verloopt, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een langere duur dan verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, niet zinvol is nu dit de behandeling zou ondermijnen. De officier van justitie acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf ter voorkoming van recidive noodzakelijk.

Met de te stellen bijzondere voorwaarde beoogt de officier van justitie dat verdachte de behandeling in Groot Batelaar afrondt.

Gelet op de ernst van de feiten acht de officier van justitie een werkstraf naast de deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd de onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk te laten zijn aan het deel dat verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De raadsman verzoekt aan een eventueel voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich aan de aanwijzingen van de reclassering zal houden en de behandeling bij Groot Batelaar zal afronden nu de te verwachten behandelingsduur bekend is.

De raadsman heeft voort nog aangevoerd dat twijfelachtig is of de door de officier van justitie geëiste combinatie van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar in combinatie met een werkstraf mogelijk is.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 23 juni 2010;

• een monodisciplinaire pro-justitia rapportage opgemaakt door [naam psycholoog], gezondheidpsycholoog, gedateerd 24 juli 2009;

• een aanvullend adviesrapport van de Reclassering Nederland, gedateerd 19 oktober 2009;

• een Reclasseringsadvies (beknopt), gedateerd 11 december 2009;

• een Reclasseringsadvies (beknopt), gedateerd 2 augustus 2010;

• een brief van Forensische GGZ Groot Batelaar, gedateerd 15 juni 2010: en

• een door de officier van justitie overlegd email bericht van [naam reclasseringswerker], reclasseringswerker, gedateerd 2 augustus 2010.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft in een tijdsbestek van circa vier maanden samen met anderen onder meer een tweetal brute overvallen gepleegd.

Bij het laatste feit heeft verdachte niet geschroomd om samen met zijn mededaders gebruik te maken van een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, teneinde de buit van dhr. [benadeelde partij2] en zijn collega, die die avond in de cafetaria aan het werk waren, afhandig te maken.

Met name de bedreiging met een (als echt lijkend) pistool en het feit dat verdachte en zijn mededaders zich met bivakmutsen of sjaals of capuchons onherkenbaar hadden vermomd hebben ertoe geleid dat aangever [benadeelde partij2] zich - blijkens zijn aangifte en zijn slachtofferverklaring - ernstig bedreigd heeft gevoeld en doodsbang was voor verdachte en zijn mededaders.

Zoals [benadeelde partij2] ter zitting naar voren heeft gebracht heeft hij hiervan lange tijd (psychische) gevolgen ondervonden, onder meer dat hij niet meer (’s avonds) in het cafetaria durfde te werken en daarom zijn baan heeft opgezegd, dat hij sinds het gebeuren financiële zorgen heeft gehad en dat zijn leven voorgoed is veranderd.

Ook de overval die onder feit 2 is bewezen verklaard, is uitermate grof geweest.

Het slachtoffer [benadeelde partij1] werd gedurende haar werkzaamheden in een benzinestation geconfronteerd met gemaskerde mannen die haar bedreigden en meevoerden, deels onder bedreiging van een mes.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [benadeelde partij1] blijkt dat de overval een enorme impact heeft gehad en nog altijd heeft op haar leven.

Verdachte en zijn mededaders zijn volledig voorbij gegaan aan het feit dat hun daden bij de slachtoffers, persoonlijk leed hebben veroorzaakt. Daarnaast brengen dergelijke feiten bij burgers in het algemeen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

De rechtbank acht op zichzelf, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.

De rechtbank heeft echter ook kennis genomen van het laatste reclasseringsadvies en hetgeen hierover op het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht, waaruit blijkt dat de behandeling bij Groot Batelaar tot nu toe positief verloopt.

De rechtbank deelt de standpunten van de officier van justitie en de raadsman dat door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor een langere duur dan de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, de ingezette weg van behandeling die zeer belangrijk is, wordt doorkruist en zal hier dan ook niet toe overgaan.

De rechtbank overweegt dat het ook in het belang van de samenleving is dat verdachte zijn (nu eenmaal ingezette behandeling met succes kan voortzetten en afronden, omdat zulks een waarborg kan zijn dat verdachte feiten als de onderhavige niet meer zal plegen.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

In het verhandelde ter terechtzitting ziet de rechtbank aanleiding aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht te koppelen.

De rechtbank deelt het standpunt van de raadsman dat de combinatie van gevangenisstraf en werkstraf, zoals door de officier van justitie is geëist, niet mogelijk is.

Artikel 9, vierde lid, Wetboek van Strafrecht bepaalt immers dat in geval van veroordeling tot gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste 6 maanden bedraagt, de rechter ook een taakstraf kan opleggen, Nu het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf langer is dan 6 maanden is cumulatie van gevangenisstraf en werkstraf niet mogelijk.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij1] vordert een bedrag van €. 515,- aan materiele schade, zijnde het geldbedrag dat de daders uit haar portemonnee hebben weggenomen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat dit bedrag door verdachte is weggenomen en zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot de hoogte van dit bedrag, vermeerderd met de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf de datum waarop het feit is gepleegd.

De benadeelde partij [benadeelde partij2] vordert een bedrag van €. 2.600,- aan immateriële schade. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat [benadeelde partij2] door hetgeen hem is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat hij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade.

Zij is van oordeel dat in ieder geval een bedrag van €. 750,00 aan schadevergoeding op zijn plaats is zodat zij de vordering tot dit bedrag zal toewijzen.

De vordering is voorzover zij strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade niet van eenvoudige aard zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij [benadeelde partij3] vordert een bedrag van €. 600,- aan materiële schade, zijnde het geld dat de daders hebben meegenomen bij de overval op cafetaria [naam cafetaria].

Nu in de goederenbijlage bij de aangifte een bedrag van €. 380,- wordt genoemd zal de rechtbank de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige gedeelte zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voorzover het gevorderde door zijn mededaders is of wordt voldaan.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 47, 48, 57, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 688 (zeshonderdenachtentachtig) dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 365 (driehonderdenvijfenzestig) dagen niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven, ook indien dit zal inhouden het vervolgen en afronden van de behandeling bij Groot Batelaar voor de maximale duur van 7 maanden, te rekenen vanaf de datum van het vonnis.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van veroordeelde voornoemd.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] (feit 2).

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover medeveroordeelden betalen ook veroordeelde daardoor tegenover [benadeelde partij1] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [benadeelde partij1], wonende te [adres], te betalen €. 515,- (zegge vijfhonderdenvijftien euro ), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2008.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken alsmede de wettelijke rente vanaf 31 juli 2008.

Maatregel van schadevergoeding ad €. 515,- subsidiair 10 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij1], wonende te [adres], te betalen € .515, -(zegge vijfhonderdenvijftien euro ), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2008, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2] (feit 3).

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover medeveroordeelden betalen ook veroordeelde daardoor tegenover [benadeelde partij2] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [benadeelde partij2], wonende te [adres], te betalen €. 750,- zegge zevenhonderdenvijftig euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk nu de vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Maatregel van schadevergoeding ad €. 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij2], wonende te [adres], te betalen €. 750,- (zegge zevenhonderenvijftig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere betalingsverplichting doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3] (feit 3).

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover medeveroordeelden betalen ook veroordeelde daardoor tegenover [benadeelde partij3] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [benadeelde partij3], wonende te [adres] te betalen €. 380,- (zegge driehonderdentachtig euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk nu de vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Maatregel van schadevergoeding ad €. 380,-, subsidiair 7 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij3], wonende te [adres] te betalen €. 380,- (zegge driehonderdentachtig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 7 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere betalingsverplichting doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. F.J.H. Hovens, als voorzitter,

mr. T.H.P. de Roos, rechter,

mr. M.S.T. Belt, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Westerdijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 augustus 2010.