Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN3994

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
202481
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing van gelegde beslag, primair op grond van een vormverzuim en subsidiair op grond van de onrechtmatigheid van de vordering, al dan niet onder de voorwaarde dat zekerheid voor die vordering wordt gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 202481 / KG ZA 10-440

Vonnis in kort geding van 14 juli 2010

in de zaak van

[eisers]

eisers,

advocaat mr. F.W. Drost te Baarn,

tegen

1. RUTGER JAN SCHIMMELPENNINCK,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van DSB Bank N.V.,

2. BERNARDUS FRANCISCUS MARIA KNÜPPE,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van DSB Bank N.V.,

beide woonplaats gekozen hebbend te Bleiswijk,

gedaagden,

advocaat mr. G.J. Houweling te Bleiswijk.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en Schimmelpenninck en Knüppe genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van Schimmelpenninck en Knüppe.

1.2. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter vanwege de grote spoedeisendheid van de zaak vonnis bepaald op 14 juli 2010 waarbij door de voorzieningenrechter aan partijen en hun advocaten heeft meegedeeld dat de motivering daarvan op een later tijdstip afzonderlijk op schrift zal worden gesteld.

2. De feiten

2.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2], destijds gehuwd, zijn op 3 januari 2000 een overeenkomst van doorlopend krediet met een maximum van fl. 112.500,- (verder: de overeenkomst) aangegaan met de De Vliet Voorschotbank. Deze overeenkomst heeft contractnummer 0199127514.

2.2. In 2002 zijn [eiser sub 1] en [eiser sub 2] van elkaar gescheiden. In het kader van de verdeling tussen beiden is overeengekomen dat de kredietschuld aan [eiser sub 1] zou worden toebedeeld. [eiser sub 2] is echter niet uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schuld ontslagen.

2.3. DSB Bank N.V. (hierna: DSB) is de rechtsopvolgster van de De Vliet Voorschotbank. DSB is failliet gegaan en Schimmelpenninck en Knüppe zijn als curatoren in dit faillissement benoemd.

2.4. [eiser sub 1] heeft op enig moment een beleggingsverzekering afgesloten bij DSB Verzekeringen, onder polisnummer HW00036428. Bij de stukken bevindt zich een brief van DSB Verzekeringen van maart 2010, waarin staat, voor zover van belang:

“(…)

Saldo per 31-12-2009 € 5.132,76”

2.5. Op 15 september 2009 is het faillissement van het bedrijf van [eiser sub 1] uitgesproken. Omdat [eiser sub 1] door het wegvallen van zijn inkomsten vanaf dat moment niet langer aan de betalingsverplichtingen uit hoofde van de overeenkomst kon voldoen, heeft [eiser sub 1] in een brief van 15 oktober 2009 aan DSB, voor zover van belang, geschreven:

“(…) Ik verzoek u vriendelijk om, als gevolg an sterke verandering van de persoonlijke omstandigheden, spoedig te komen tot een gesprek over de betalingen rondom contract 0199127514.

(…) Als gevolg hiervan ontstaat er een situatie welke het zeer moeizaam heeft gemaakt om aan de verplichtingen rondom het genoemde contract te voldoen.

Ik zou het dan ook op prijs stellen indien het mogelijk is om zo spoedig mogelijk overleg te plegen om problemen naar de toekomst toe te kunnen vermijden en een betalingsregeling te treffen zolang ik niet beschik over een nieuwe werkomgeving. (…)”

2.6. Bij brief van 13 december 2009 heeft [eiser sub 1] het verzoek om een gesprek herhaald. DSB, inmiddels failliet verklaard, heeft op de brieven van [eiser sub 1] niet gereageerd.

2.7. Na telefonisch contact met DSB heeft op 16 februari 2010 een medewerker van Kroon Debiteurenbezoek (verder: Kroon) tijdens een huisbezoek met [eiser sub 1] overlegd over de inmiddels ontstane achterstand op de rentebetalingen. Bij de stukken bevindt zich een niet gedateerde brief van Kroon betreffende contractnummer 0199127514 waarin, voor zover van belang, staat:

“(…) Op verzoek van onze opdrachtgever DSB Bank hebben wij u vandaag bezocht. U heeft met een medewerker van Kroon Debiteurenbezoek afspraken gemaakt over de achterstand van uw hypotheek, krediet en/of kapitaalpolis. (…)

De door u getekende loonafdracht zal door Kroon Debiteurenbezoek worden doorgestuurd naar onze opdrachtgever (…)

Voor de volledigheid wijzen wij u erop dat de loonafdracht niet slechts ter inlossing van de achterstand dienen, maar zijn afgesloten voor de gehele verdere looptijd van het contract. (…)

Onze opdrachtgever zorgt ervoor dat u van alle getekende stukken, zoals de loonafdracht(en) en de afspraakbevestiging, een kopie krijgt. Heeft u originele stukken aan onze medewerker meegegeven, dan ontvangt u deze tevens retour.”

2.8. Met dagtekening 17 februari 2010 heeft DSB een brief aan [eiser sub 1] gestuurd waarin staat, voor zover van belang:

“Geachte heer [eiser sub 1] en mevrouw [eiser sub 2],

In de afgelopen periode heeft u, ondanks een aantal schriftelijke verzoeken en ingebrekestelling, de ongeoorloofde achterstand op bovengenoemd contract niet aangezuiverd.

Wij gaan, gegeven het vorenstaande, hierbij over tot vervroegde opeising van de gehele lening ad. € 52.951,40 (exclusief eventuele boete- en/of vertragingsrente). (…)

Indien het volledige leningsbedrag niet door ons is ontvangen binnen deze 5 dagen dan zullen wij uw dossier overdragen aan Incassobureau Inspectrum, met het verzoek direct incassomaatregelen tegen u te treffen. (…)”

2.9. Daarop heeft [eiser sub 1] gereageerd bij aangetekende brief van 22 februari 2010, waarin staat, voor zover van belang:

“(…) Op 16 februari jongstleden heb ik een huisbezoek gehad van een vertegenwoordiger van de DSB Bank waarmee afspraken zijn gemaakt over de afbetaling van de openstaande achterstanden. Hiertoe zijn allerlei acties gedefinieerd welke zorg dragen voor nakomen van deze afspraken. Een van de afspraken behelst de betaling van de achterstanden die daarmee zijn weggewerkt. (…)”

2.10. Bij brief van 24 februari 2010 heeft DSB aan [eiser sub 1], voor zover van belang, geschreven:

“(…) Geachte heer [eiser sub 1],

Hierbij doen wij u het volgende toekomen:

- Een kopie van de akte(n) van cessie;

(…)”

In de bijgevoegde akte van cessie (salarisaanspraken), met alleen een paraaf van [eiser sub 1],

staat, voor zover van belang:

“Datum: 16-02-10

(…) Cedent volgens de overeenkomst(en) van kredietverlening nr. 0199127514 verschuldigd is (…) de somma van € 53000,- (…).

Cedent echter wel een vordering heeft ter zake salaris, (…) hierna te noemen: werkgever.

Naam :

Adres :

Woonplaats :

Cedent bereid is om maandelijks een bedrag van zijn huidige en toekomstige vorderingen, op zijn huidige werkgever en mogelijk toekomstige andere werkgever(s) over te dragen aan DSB. (…)

Betreft: toelichting akte van cessie (…)

Een akte van cessie is een overeenkomst waarbij een gedeelte van het salaris van uw werkgever rechtstreeks door uw werkgever aan DSB Bank wordt overgemaakt ter voldoening van de maandtermijn van uw krediet bij DSB Bank. Deze werkwijze voorkomt het voeren van gerechtelijke procedures in verband met het niet nakomen van uw verplichtingen uit de kredietovereenkomst. (…)”

2.11. Bij brief van 24 februari 2010 zijn [eiser sub 1] en [eiser sub 2] door het incassobureau Inspectrum gesommeerd het openstaande bedrag van € 52.951,40 binnen zeven dagen te betalen. In een brief van 27 februari 2010 aan Incassobureau Inspectrum heeft [eiser sub 1] zijn verbazing over deze sommatie uitgesproken, en een kopie van zijn brief van 22 februari 2010 aangehecht.

2.12. DSB heeft vervolgens in een brief, gedateerd 26 maart 2010, aan [eiser sub 1] geschreven, voor zover van belang:

“(…) Op dit moment bedraagt de hoogte van de achterstand op uw krediet onder bovenvermeld nummer EUR 2.292,00.

Ondanks dat onze vordering op u ter incasso aan Incassobureau Inspectrum is overgedragen zullen wij op vrijdag 26 maart 2010 in 3 afzonderlijke incasso’s een bedrag van in totaal EUR 1.531,50 van uw rekening incasseren. (…) Voor de resterende achterstand dient u direct contact op te nemen met Incassobureau Inspectrum teneinde een betalingsregeling voor dit bedrag te treffen. (…)”

2.13. Namens de curatoren van DSB heeft mr. Houweling op 31 maart 2010 aan [eiser sub 1] geschreven, voor zover van belang:

“(…) De achterstand in maandtermijnen bedroeg per 24 maart 2010 € 2.292,00. U was gedurende meer dan twee maanden achterstallig in de betaling van een vervallen termijnbedrag en bent, ondanks ingebrekestelling door cliënt terzake deze aanzienlijke en langdurige achterstand, nalatig gebleven in de nakoming van uw verplichtingen. (…) Zonodig wordt hierbij (herhaald) tot vervroegde opeising overgegaan. (…)

Voor de goede orde wijs ik u er op dat bij niet tijdige betaling, zonder nadere aankondiging, tot dagvaarding zal worden overgegaan (…) Nu mijn kantoor deze zaak verder behandelt, kunt u voor eventuele informatie over deze vordering uitsluitend nog met mijn kantoor – afdeling incasso – contact opnemen. (…)”

2.14. Per e-mail van 9 april 2010 heeft [eiser sub 1] op de brief van mr. Houwelingen gereageerd. In deze mail, die ook aan de curatoren van DSB is verzonden, staat, voor zover van belang:

“(…) Hieruit is op 16 februari 2010 een buitendienstmedewerker van bij me op bezoek geweest. Hiermee zijn afspraken gemaakt die er voor zorgden dat de achterstand weggewerkt was en nieuwe afspraken naar de toekomst toe. Ik heb hiervoor diverse documenten ondertekend (akte van Cessie, machtigingsformulier, stopzetten opbouw bedrag voor aflossing bij Holland Welvaren polisnummer HW00036428-1 voor afkoop om premieachterstand af te lossen). Door dezelfde buitendienstmedewerker is mij aangegeven dat daarmee huidige problemen waren opgelost en er zelfs naar de toekomst aflossing was gedaan waardoor de eerste maanden geen problemen zouden geven (…)

Op 18 februari ontvang ik een brief van DSB met de melding dat ik al het openstaande tegoed direct moet afbetalen. (…) heb ik op 22 februari 2010 een aangetekende brief aan DSB (…) gestuurd met een verzoek intern te controleren om zo één lijn te krijgen in alles. (…) Ook naar Inspectrum heb ik een aangetekende brief gestuurd met hetzelfde verzoek om intern DSB te laten checken. Helaas heb ik van hen ook niets mogen ontvangen. (…)

Dus is en blijft de vraag waar de actie vandaan komt om het gehele bedrag plots te vorderen. (…)

Conclusie uit bovenstaande kan dan ook naar mijn mening niet anders zijn dan dat er geen rechtsgrond is om tot vordering van het totaal leenbedrag te over te gaan. (…)

Met alles wat er echter nu speelt moge duidelijk zijn dat ik voorzichtig ben om welk document dan ook nog te ondertekenen of in te vullen omdat ik, zoals ik hierboven al heb aangegeven, constateer dat er diverse trajecten naast elkaar lijken te lopen bij DSB met negatieve gevolgen voor mij (en mijn ex-partner). Ik hoop dan ook spoedig te kunnen komen tot een goed overleg om snel te juiste afspraken te maken en aan beide zijden te weten wat werkelijk de gang van zaken is. (…)”

2.15. Op 20 april 2010 heeft DSB conservatoir beslag doen leggen op de woning [adres], eigendom van [eiser sub 2], tot zekerheid van verhaal voor de schuld uit de geldlening.

2.16. Verder heeft DSB [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op 22 april 2010 gedagvaard voor de rechtbank Arnhem en veroordeling tot betaling van € 55.719,37 gevorderd.

2.17. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben in deze zaak verstek laten gaan. De vordering van DSB is bij vonnis van 9 juni 2010 toegewezen. Het verstekvonnis is op 25 juni 2010 aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] betekend.

2.18. Bij de stukken bevindt zich een overzicht van het betalingsverloop op het lopend krediet van [eiser sub 1] en [eiser sub 2]. In dit overzicht staat, voor zover van belang:

“Valutadatum Afschrift Soort Omschrijving Verhoging Verlaging Bedrag

(…)

10/06/2010 126 Betaling Retour HW € 5.232,64

(…)”

2.19. De woning was voor het leggen van het conservatoir beslag verkocht. Bij de verkoop is overeengekomen dat de woning zal worden geleverd op 15 juli 2010.

3. Het geschil

3.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen – samengevat – dat de voorzieningenrechter het gelegde beslag opheft, primair op grond van een vormverzuim en subsidiair op grond van de onrechtmatigheid van de vordering van Schimmelpenninck en Knüppe, al dan niet onder de voorwaarde dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zekerheid voor die vordering stellen. Daarnaast vorderen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat de voorzieningenrechter de executie van het verstekvonnis schorst, al dan niet onder zekerheidstelling voor de vordering van Schimmelpenninck en Knüppe, een en ander met veroordeling van Schimmelpenninck en Knüppe in de kosten van het geding.

3.2. Schimmelpenninck en Knüppe voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Schimmelpenninck en Knüppe voeren allereerst aan dat er geen spoedeisend belang bestaat, omdat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zich niet hebben gesteld in de bodemprocedure en het dus aan zichzelf te wijten hebben dat Schimmelpenninck en Knüppe rechtsmaatregelen hebben getroffen. Dit betoog wordt niet gevolgd. De vraag die moet worden beantwoord is of [eiser sub 1] en [eiser sub 2] voldoende spoedeisend belang hebben bij de voorziening(en), die zij vragen. Dat hebben zij, omdat het beslag op het huis de levering blokkeert die op 15 juli 2010 moet plaatsvinden.

4.2. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] voeren aan dat aan het proces-verbaal van het conservatoir beslag een gebrek kleeft dat tot nietigheid leidt, zodat het gelegde beslag moet worden opgeheven. Schimmelpenninck en Knüppe hebben in het proces-verbaal ten onrechte en in strijd met art. 504 lid 1 sub d Rv geen woonplaats gekozen ten kantore van de deurwaarder. Door niet aan dit wettelijk voorschrift te voldoen, was het voor [eiser sub 1] en [eiser sub 2] moeilijk te achterhalen waar het exploot van dagvaarding moest worden gedaan, aldus [eiser sub 1] en [eiser sub 2]. Daarnaast vorderen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, waartegen verzet is ingesteld, wordt geschorst en dat het beslag wordt opgeheven, op grond van de onrechtmatigheid van de vordering van Schimmelpenninck en Knüppe. Schimmelpenninck en Knüppe zijn ten onrechte voorbij gegaan aan de betalingsafspraken die zij met [eiser sub 1] hebben gemaakt, aldus [eiser sub 1] en [eiser sub 2]. De voortzetting van de tenuitvoerlegging zal ertoe leiden dat de overwaarde in de failliete boedel van DSB zal vallen, waardoor een restitutierisico bestaat. Er bestaat bovendien geen vrees voor betalingsachterstanden meer en Schimmelpenninck en Knüppe hebben met het opeisen van het volledige krediet disproportioneel gehandeld.

4.3. Schimmelpenninck en Knüppe betwisten dat het voorschrift van art. 504 lid 1 sub d Rv is geschonden, omdat er – conform art. 439 lid 3 Rv – woonplaats is gekozen. Voor zover er al sprake zou zijn van een gebrek, zijn [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hierdoor niet onredelijk benadeeld, aldus Schimmelpenninck en Knüppe. Schimmelpenninck en Knüppe voeren tegen de vordering tot schorsing van de executie en opheffing van het beslag vanwege de gestelde betalingsafspraken aan dat het instellen van verzet de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis niet schorst, en dat daarvoor ook in dit kort geding geen aanleiding bestaat. Na het ontstaan van een achterstand in de betalingen is het volledige krediet rechtmatig opgeëist. Dat er betalingsafspraken met [eiser sub 1] zijn gemaakt, door een daartoe overigens niet bevoegde medewerker van de buitendienst, wordt betwist. Het restitutierisico bestaat niet, omdat de overwaarde die in de boedel van DSB zou komen te vallen, dient ter voldoening van een hoe dan ook bestaande schuld van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aan DSB. Voorts voeren Schimmelpenninck en Knüppe aan dat van de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aangeboden zekerheid niets is gebleken.

4.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat Schimmelpenninck en Knüppe in het proces-verbaal geen woonplaats hebben gekozen ten kantore van de deurwaarder die het beslag heeft gelegd, terwijl dat ingevolge art. 504 lid 1 sub d Rv wel had gemoeten. Dit gebrek brengt in beginsel nietigheid met zich. Naar analogie van art. 66 lid 1 Rv overweegt de voorzieningenrechter echter dat, indien een exploot lijdt aan een gebrek dat tot nietigheid daarvan leidt, dit rechtsgevolg slechts op zijn plaats is indien en voor zover degene voor wie het exploot is bestemd door het gebrek onredelijk is benadeeld. Daarvan is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake, nu de woonplaatsen van Schimmelpenninck en Knüppe gezien hun hoedanigheid betrekkelijk eenvoudig zijn te achterhalen en de dagvaarding is betekend. De nietigheid van het proces-verbaal van beslaglegging dient daarom, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, achterwege te blijven.

4.5. Ten aanzien van de vordering tot schorsing van de executie en opheffing van het beslag op grond van de gestelde betalingsafspraken overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Vooropgesteld moet worden dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis zijn veroordeeld tot terugbetaling van het opgenomen krediet, hetgeen een executoriale titel oplevert. Op grond van het bepaalde in art. 704 lid 1 Rv is het gelegde conservatoir beslag door de betekening van het vonnis op 25 juni 2010 van rechtswege overgegaan in een executoriaal beslag. De gronden voor opheffing van het beslag zoals genoemd in art. 705 Rv zijn daarmee niet langer toepasselijk. De voorzieningenrechter ziet voorshands geen aanleiding het executoriale beslag op te heffen, tenzij ook de executie van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis moet worden geschorst.

4.6. De schorsing van de executie van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis dient volgens vaste jurisprudentie slechts te worden bevolen indien Schimmelpenninck en Knüppe, mede gelet op de belangen van de [eiser sub 1] en [eiser sub 2], geen in redelijkheid te respecteren belang bij die executie hebben. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien de executie aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (vgl. HR 22 april 1983, NJ 1984,145; HR 8 oktober 1993, NJ 1994,508).

4.7. Als klaarblijkelijke misslag in een vonnis is te beschouwen een misslag ten aanzien van de feiten of het recht, die uit het vonnis blijkt en zo in het oog springt dat er in redelijkheid niet aan getwijfeld kan worden dat het een misslag betreft. Dat is niet aangevoerd en daarvan is, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, in het verstekvonnis ook geen sprake.

4.8. Ten aanzien van de vraag of de onverwijlde tenuitvoerlegging van het verstekvonnis niet kan worden aanvaard, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Voor zover [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de opeisbaarheid van het krediet betwisten, hadden zij zich in de bodemprocedure kunnen stellen om de veroordeling te voorkomen. Nu zij dit niet hebben gedaan, heeft de rechtbank de vorderingen van Schimmelpenninck en Knüppe toegewezen. Dat dit vonnis ten uitvoer kan worden gelegd, is op zichzelf een voorzienbaar gevolg van dat vonnis. Van misbruik van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging is om deze reden geen sprake. Dit kan anders zijn, indien [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op grond van handelingen of uitlatingen van Schimmelpenninck en Knüppe erop konden en mochten vertrouwen dat de tenuitvoerlegging van een toewijzend vonnis achterwege zou blijven.

4.9. Aan de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gestelde betalingsafspraken hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat vertrouwen, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, in de gegeven omstandigheden niet kunnen ontlenen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt. Voorshands is voldoende aannemelijk geworden dat tussen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en Schimmelpenninck en Knüppe, door tussenkomst van een medewerker van Kroon, is overlegd over het treffen van een betalingsregeling. Het betoog van Schimmelpenninck en Knüppe, dat de medewerker van Kroon niet bevoegd was om betalingsafspraken te maken, volgt de voorzieningenrechter niet. Deze medewerker bracht zijn bezoek nadat [eiser sub 1] contact met DSB had gezocht, [eiser sub 1] heeft tijdens dat bezoek een standaardakte van cessie van loonaanspraken op papier van DSB getekend en DSB heeft daarvan een kopie aan [eiser sub 1] gezonden op 24 februari 2010. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen dat er toen afspraken zijn gemaakt over de afkoop van de beleggingsverzekering ter aflossing van de betalingsachterstand, over de afdracht van (toekomstig) loon en over een regeling voor toekomstige periodieke betalingen. Deze afspraken zijn echter niet op schrift gesteld, zoals [eiser sub 1] ter zitting heeft verklaard, en zijn door Schimmelpenninck en Knüppe betwist. Op 10 juni 2010 is wel een aflossing op het krediet van € 5.232,64 gedaan, wat er gezien de hoogte van het bedrag en de omschrijving op het overzicht (2.18.) op wijst dat de polis van [eiser sub 1] is afgekocht ter voldoening van de betalingsachterstand. Verder is de akte van cessie, waarop geen werkgever was vermeld, zonder ondertekening van de zijde van DSB geretourneerd, zodat van een afspraak over de afdracht van toekomstig loon niet kan worden uitgegaan. Het bestaan van een afspraak over de toekomstige aflossingen is evenmin gebleken, terwijl dat bij een getroffen betalingsregeling wel voor de hand zou hebben gelegen, nu de afgekochte polis bestemd was om aan het einde van de looptijd het krediet af te lossen. Tegenover het ontbreken van bevestiging van de gestelde afspraken staat het gegeven dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] na het bezoek van de medewerker van Kroon en na de brief van DSB van 24 februari 2010 nieuwe aanmaningen hebben ontvangen van achtereenvolgens DSB zelf, Incassobureau Inspectrum en de advocaat van Schimmelpenninck en Knüppe. Gelet op het bovenstaande was er niet een zodanig concrete betalingsregeling dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] er in redelijkheid op mochten te vertrouwen dat de tenuitvoerlegging van een toewijzend vonnis achterwege zou blijven, zodat zij verstek konden laten gaan. Er was eerder alle aanleiding hun standpunt in die procedure naar voren te brengen.

4.10. Uit het voorgaande volgt dat er, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, geen sprake is van een juridische of feitelijke misslag en dat de onverwijlde tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 9 juni 2010 niet onaanvaardbaar moet worden geacht. De vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zullen daarom worden afgewezen.

4.11. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Schimmelpenninck en Knüppe worden begroot op:

- vast recht € 263,00

- salaris advocaat 527,00

Totaal € 790,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van Schimmelpenninck en Knüppe tot op heden begroot op € 790,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.T.C. Wijsman op 14 juli 2010, terwijl de motivering van voormelde beslissing afzonderlijk op schrift is gesteld op 26 juli 2010.