Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN3553

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-08-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
AWB 08/5550
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vertrouwensbeginsel. Controleur mist tijdens boekenonderzoek een grote post niet aangegeven omzetbelasting op de levering van een kantoorpand. Geen in rechte te beschermen vertrouwen, omdat eiser zich ervan bewust moet zijn geweest dat hij de omzetbelasting ten onrechte niet had aangegeven en voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010/2254 met annotatie van Lammers
FutD 2010-1952

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 08/5550

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 10 augustus 2010

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Almelo, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 mei 2007 tot en met 31 mei 2007 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000].F.01.7501) omzetbelasting opgelegd van € 242.250. Daarbij is tevens bij beschikking een bedrag van € 6.952 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 oktober 2008 de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 2 december 2008, ontvangen door de rechtbank op 4 december 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2010 te Arnhem.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [gemachtigde]. Namens verweerder zijn verschenen mw. mr. [gemachtigde] en [A]. Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

2. Feiten

Eiser drijft in de vorm van een eenmanszaak een administratie-, belastingadvies-, assurantie- en financieringskantoor.

Eiser is in 2005 begonnen met de bouw van een nieuw kantoorpand aan de [A-straat 1 ] te [Z]. Het kantoorpand is door eiser op 3 mei 2007 geleverd aan [B] B.V. (hierna: [B]), waarvan eiser via [D] B.V., alle aandelen bezit. De koopsom van het kantoorpand was € 1.275.000. Over dit bedrag is blijkens de notariële akte van levering een bedrag van € 242.250 aan omzetbelasting in rekening gebracht aan [B].

Het kantoorpand wordt door [B] belast verhuurd aan eiser. Eiser heeft het kantoorpand op 7 mei 2007 in gebruik genomen.

Het aan [B] in rekening gebrachte bedrag aan omzetbelasting ter zake van de levering heeft eiser niet verantwoord als verschuldigde omzetbelasting in zijn aangifte omzetbelasting over de maand mei 2007.

Op 10 april 2008 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij eiser. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2007. Controleambtenaar [C] heeft van het onderzoek een controlerapport opgemaakt met dagtekening 22 april 2008.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft verweerder bij beschikking van 6 juni 2008 een teruggaaf van omzetbelasting verleend aan eiser van € 5.422 over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007. In deze beschikking is rekening gehouden met € 13.571 aan betaalde omzetbelasting in verband met het kantoorpand. Er is geen rekening gehouden met de ter zake van de levering van het kantoorpand verschuldigde omzetbelasting van € 242.250.

Op 18 juni 2008 heeft [B] haar aangifte omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2007 tot en met 31 december 2007 ingediend. In de aangifte heeft [B] het bedrag van € 242.250 als voorbelasting in aanmerking genomen en voor dat bedrag een teruggaaf gevraagd.

Bij de controle die ter zake van dit verzoek om teruggaaf is uitgevoerd, is gebleken dat eiser de omzetbelasting over de levering van het pand niet had aangegeven en ook niet had voldaan. Op 25 juli 2008 heeft verweerder de ter zake van de levering van het kantoorpand verschuldigde omzetbelasting bij eiser nageheven door middel van de onderhavige naheffingsaanslag omzetbelasting.

3. Geschil

In geschil is of verweerder de naheffingsaanslag omzetbelasting terecht aan eiser heeft opgelegd. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of het vertrouwensbeginsel aan naheffing in de weg staat.

Niet in geschil is dat eiser ter zake van de levering van het kantoorpand omzetbelasting is verschuldigd op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel a 1º, van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Hij stelt zich op het standpunt dat hij aan het boekenonderzoek het vertrouwen heeft ontleend dat de levering van het kantoorpand op zijn fiscale merites was beoordeeld en door verweerder akkoord was bevonden.

Verweerder meent dat eiser geen vertrouwen kan ontlenen aan het boekenonderzoek omdat eiser te kwader trouw is geweest. Verweerder neemt hierbij de volgende omstandigheden in aanmerking:

- Eiser heeft de controleambtenaar niet erover geïnformeerd dat de levering van het kantoorpand niet was verwerkt in het grootboek;

- Eiser heeft niet aan de controleambtenaar gezegd dat de ter zake van de levering verschuldigde omzetbelasting niet is aangegeven en betaald;

- De notariële afrekening ter zake van de levering en de facturen ter zake van de huurpenningen zijn niet aan de controleambtenaar ter beschikking gesteld; eiser heeft deze informatie bewust achtergehouden;

- Eiser heeft aan verweerder verteld dat hij de omzetbelasting bewust niet heeft aangegeven en niet heeft betaald omdat hij de BTW niet wilde voorfinancieren;

- Alleen de aftrekbaarheid van de voorbelasting op de huurprijs is expliciet aan de orde gesteld en beoordeeld.

De rechtbank stelt voorop dat voor een in rechte te beschermen vertrouwen in verband met een boekenonderzoek niet is vereist dat de aangelegenheid bij dat boekenonderzoek daadwerkelijk op haar fiscale merites is beoordeeld. Voldoende is dat in de gegeven omstandigheden de belastingplichtige mocht aannemen dat zulks het geval was (vgl. HR 18 december 1991, nr. 27 127, BNB 1992/182 en HR 21 februari 2001, nr. 35 989, BNB 2001/166).

Dit zal zich in het algemeen voordoen, aldus de Hoge Raad in de zaak van BNB 1992/182, indien de betrokken aangelegenheid verhoudingsgewijs van zodanig belang is dat zij niet aan de aandacht van de met de controle belaste ambtenaren kan zijn ontsnapt, en bovendien de gevolgen voor de belastingheffing van dien aard zijn dat het voor de hand ligt om kritische opmerkingen te maken, zo niet tot naheffing over te gaan. Alsdan zal de inspecteur, door niettemin generlei opmerking te maken en naheffing achterwege te laten, in het algemeen bij de belastingplichtige het gerechtvaardigde vertrouwen wekken dat de wijze waarop deze de betrokken aangelegenheid in fiscaal opzicht heeft behandeld, zijn goedkeuring kan wegdragen.

De rechtbank acht de levering van een nieuw kantoorpand voor de omzetbelasting van zodanig groot belang dat deze niet aan de aandacht van de controleambtenaar kan zijn ontsnapt, zeker nu deze levering van rechtswege een belaste levering is. Uit de stukken volgt overigens ook dat de controleambtenaar op de hoogte was van het feit dat het kantoorpand was overgedragen in mei 2007.

De omstandigheid dat de controleambtenaar heeft nagelaten om de omzetbelastingaspecten van de levering nader te beoordelen, levert een verzuim op van de controleambtenaar dat in beginsel voor risico van verweerder komt. Uit de verklaring van verweerder ter zitting volgt dat de controleambtenaar heeft volstaan met een controle tussen het grootboek en de aangiften en dat hij de onderliggende stukken uit de administratie niet heeft beoordeeld. Het is dus goed mogelijk dat de afrekening van de notaris wel bij de door eiser overhandigde stukken zat en dat de controleambtenaar dit stuk desondanks niet heeft gezien. De keuze om de onderliggende stukken niet te controleren moet in beginsel voor rekening en risico van verweerder komen. In zoverre is het gelijk dus aan eiser.

Toch kan eiser in de omstandigheden van dit geval niet met succes een beroep doen op het vertrouwensbeginsel, omdat de rechtbank niet aannemelijk acht dat eiser op de uitkomsten van het boekenonderzoek heeft vertrouwd op een wijze die in rechte bescherming verdient.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een belanghebbende geen beroep kan doen op gewekt vertrouwen als hij zich ervan bewust is dat zijn handelwijze onjuist is (zie HR 2 mei 2003, nr. 37.147, BNB 2003/287). Naar het oordeel van de rechtbank moet dit ook gelden als sprake is van een boekenonderzoek.

De rechtbank heeft eiser ter zitting voorgehouden dat op de afrekening van de notaris staat vermeld dat de levering belast met omzetbelasting is geschied, onder vermelding van het bedrag van € 242.250. Deze afrekening is door [B] gebruikt als de factuur waarop zij de voorbelasting heeft teruggevraagd. Een andere factuur bestaat kennelijk niet. Ter zitting is voorts gebleken dat in de akte van levering een uitgebreide bepaling is opgenomen over de door de koper verschuldigde omzetbelasting ter zake van de levering van het kantoorpand en over de wijze van betaling daarvan, namelijk door storting op de derdengeldrekening van de notaris (artikel 1, lid 2, onder a, van de akte). Deze akte is door eiser ondertekend.

Eiser heeft desgevraagd verklaard dat zowel hij als [B] een afschrift hebben ontvangen van de afrekening van de notaris, maar dat hem de post omzetbelasting niet is opgevallen. De betaling heeft volgens hem plaatsgevonden door verrekening in rekening-courant, zodat hem de post ook daarbij niet is opgevallen. Verder heeft eiser verklaard dat hij er vanuit is gegaan dat op de levering van het kantoorpand de verleggingsregeling van toepassing was. De aangifte over mei 2007 is volgens eisers verklaring door een aangiftemedewerker ingevuld en niet door hem gecontroleerd. Nadat eiser door de rechtbank werd geconfronteerd met het feit dat [B], een vennootschap waarin eiser de volledige zeggenschap heeft, de voorbelasting op de levering wel heeft teruggevraagd kort nadat eiser de door de controleambtenaar berekende teruggaaf over 2007 had ontvangen, verklaarde hij dat ook daar een aangiftemedewerker van hem de aangifte heeft gedaan en dat [B] een andere belastingplichtige is die buiten deze zaak staat.

De rechtbank acht de verklaringen van eiser deels niet geloofwaardig en deels niet relevant voor de beoordeling. Eiser is belastingadviseur van beroep en is bovendien in bezit van de meesterstitel. Hij moet dan ook worden geacht zowel de inhoud van de akte van levering als de afrekening te hebben begrepen en op zijn merites te hebben beoordeeld. Niet aannemelijk is dat hij de post omzetbelasting over het hoofd heeft gezien, mede omdat het om een aanzienlijk bedrag gaat. Bovendien heeft eiser kennelijk tegen verweerder gezegd dat hij de omzetbelasting bewust niet heeft aangegeven en niet heeft betaald omdat hij de BTW niet wilde voorfinancieren. Als eiser echt dacht dat de verleggingsregeling van toepassing was, dan had hij een factuur moeten (laten) opstellen waarop vermeld was dat de BTW was verlegd naar de koper. Ook de stelling dat een aangiftemedewerker de aangifte heeft gedaan zonder dat eiser deze heeft gecontroleerd, maakt niet dat kan worden aangenomen dat eiser dacht dat hij juist handelde. Eiser is zelf verantwoordelijk voor de aangiften die namens hem worden gedaan.

Eiser kan zich niet verschuilen achter de handelingen van een aangiftemedewerker en ook niet achter het feit dat [B] een apart rechtssubject is. Eiser is immers de beleidsbepaler van [B] en is verantwoordelijk voor de handelingen van [B]. De handelingen van [B] kunnen daarom niet los worden gezien van de handelingen van eiser voor zijn eenmanszaak.

Alle omstandigheden bij elkaar bezien is de rechtbank van oordeel dat eiser zich ervan bewust moet zijn geweest dat hij de in rekening gebrachte omzetbelasting over de levering van het kantoorpand ten onrechte niet had aangegeven en voldaan. In dat licht kon hij dan ook niet aan het feit dat tijdens het boekenonderzoek geen opmerkingen zijn gemaakt op dit punt het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat hij die belasting niet hoefde te voldoen.

Gelet op het voorgaande dient het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond te worden verklaard. Nu geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd tegen de beschikking heffingsrente, is het beroep daartegen eveneens ongegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, mr. M.C.G.J. van Well en mr. E.C.G. Okhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier.

De griffier is buiten staat om deze De voorzitter,

uitspraak mede te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op: 10 augustus 2010

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.