Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN3550

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/2244
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting, strijkgelden, samenwerkingsverband, rechtstreeks verband.

Geen sprake van samenwerkingsverband omdat de deelnemers aan de veiling niet als groep naar buiten optreden en niet als groep prestaties jegens derden verrichten. De prestatie van eiser bestaat erin dat hij door zijn deelname aan het bieden op de veiling het bieden stimuleert en daardoor de door verkoper te behalen opbrengst verhoogt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 5 maart 1980 volgt niet dat het oogmerk waarmee eiser aan de veiling deelneemt van belang is. Het beroep van eiser op het arrest van het Hof van Justitie van 3 maart 1994 (zaak C-16/93, BNB 1994/271, [B]) faalt eveneens. De rechtsbetrekking tussen de verkoper van de woning en eiser ontstaat op het moment dat eiser in de eerste fase het hoogste bod doet. Anders dan in de zaak [B] betaalt de verkoper van de woning het strijkgeld niet op basis van vrijwilligheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/53.2.3
FutD 2010-1947
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 09/2244

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 29 juli 2010

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Almere, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000].F.01.3501) omzetbelasting opgelegd tot een bedrag van € 9.913, alsmede bij beschikking een boete van € 991 en heffingsrente van € 2.233.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 18 april 2009 de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 6.878, de boete verminderd tot € 687 en de heffingsrente tot € 1.549.

Eiser heeft daartegen bij brief van 5 mei 2009, ontvangen door verweerder op 8 mei 2009 en bij de rechtbank op

14 augustus 2009, beroep ingesteld. Verweerder heeft deze brief aangemerkt als een bezwaarschrift. Eiser heeft bij brief van 2 juni 2009, ontvangen bij de rechtbank op 5 juni 2009, nogmaals beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2010 te Arnhem. Namens eiser is verschenen [gemachtigde], verbonden aan [A] te [Z]. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser drijft zijn onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit de aan- en verkoop van woningen. De omzet bestaat in het onderhavige jaar uit de opbrengsten uit de verkoop van de woningen en uit strijkgelden.

Eiser koopt de woningen op openbare veilingen. De veilingen vinden plaats in twee fasen. In de eerste fase wordt de inzet van de veiling bepaald bij opbod. Degene die in de eerste fase het hoogste bod doet, de inzetter, heeft recht op een premie, het zogenaamde strijk- of plokgeld. Het strijkgeld bedraagt meestal 1% van de inzet. Dit strijkgeld wordt in het algemeen door de verkoper betaald. De inzetter is in principe gebonden aan zijn bod. De verkoper is niet gehouden om de woning aan de inzetter te leveren. In de tweede fase wordt gestart met een bedrag dat hoger ligt dan de bij opbod bepaalde inzet. Dit bedrag wordt steeds lager totdat iemand “mijn” roept (de afmijner). De afmijner verkrijgt de woning. Als er niet wordt gemijnd kan de woning aan de inzetter worden gegund.

Eiser werkt op veilingen vaak samen met andere deelnemers, teneinde een woning tegen een zo laag mogelijke prijs te verkrijgen. Het aantal deelnemers dat samenwerkt en de samenstelling van de groep verschilt per veiling of per te veilen object. De deelnemers treden niet naar buiten op als samenwerkingsverband. Er wordt vooraf afgesproken wie op de desbetreffende woning zal bieden en wat het plafond van de bieding zal zijn. De woning wordt altijd gekocht door één van de deelnemers en niet door de deelnemers gezamenlijk. Het eventueel ontvangen strijkgeld wordt aan één van de deelnemers, de penvoerder, uitbetaald en vervolgens onder de deelnemers verdeeld. Eiser heeft over de door hem als penvoerder ontvangen strijkgelden geen omzetbelasting voldaan.

Op 22 september 2008 heeft verweerder bij eiser een boekenonderzoek gestart. Daarbij is onder andere de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het onderhavige tijdvak onderzocht. Van het boekenonderzoek is met dagtekening 19 november 2008 een rapport opgemaakt.

Met dagtekening 24 december 2008 zijn de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente opgelegd. De naheffingsaanslag heeft onder meer betrekking op de door eiser ontvangen strijkgelden.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en tegen de boetebeschikking.

Bij de uitspraken op bezwaar van 18 april 2009 heeft verweerder de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente verminderd. De vermindering heeft betrekking op de door eiser aan derden doorbetaalde strijkgelden.

3. Geschil

In geschil is of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht en tot een juist bedrag zijn opgelegd.

In het bijzonder is in geschil of eiser met betrekking tot de ontvangen strijkgelden voor zichzelf of namens een samenwerkingsverband is opgetreden en of er een rechtstreeks verband bestaat tussen de ontvangen strijkgelden en door eiser geleverde prestaties. Voorts is in geschil of verweerder heeft gehandeld in strijd met vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Tenslotte is in geschil of de boete terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Ontvankelijkheid beroep

Alvorens de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil, dient de rechtbank te beoordelen of eiser ontvankelijk is in zijn beroep.

De uitspraak op bezwaar is gedaan op 18 april 2009. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Eiser heeft met dagtekening 5 mei 2009 een beroepschrift ingediend bij verweerder. Verweerder heeft het beroepschrift op 8 mei 2009, derhalve binnen de wettelijke termijn van zes weken na de uitspraak op bezwaar, ontvangen.

Indien een bezwaar -of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter, wordt het nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender (artikel 6:15, eerste lid, van de Awb).

Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht (artikel 6:15, derde lid, van de Awb).

Verweerder had de brief van eiser van 5 mei 2009 moeten aanmerken als een beroepschrift en op de voet van artikel http://earchief.bistro.ro.minjus.nl/earchief_zoeken.aspx - 0#06:15 van de Awb moeten doorzenden aan de rechtbank. De brief van 5 mei 2009 geldt derhalve als een tijdig ingediend beroepschrift. De rechtbank zal overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

4.2 Worden de prestaties verricht door eiser of door een samenwerkingsverband?

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet voor zichzelf is opgetreden op de veilingen maar namens het samenwerkingsverband waarvan hij op dat moment deel uitmaakte. Volgens eiser verricht niet hij maar het samenwerkingsverband een prestatie jegens degene die het strijkgeld betaalt.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zelfstandig en voor eigen rekening en risico optreedt. Het samenwerkingsverband treedt niet als entiteit naar buiten op, maar heeft slechts interne werking.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) is ondernemer ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. Onder het begrip ‘ieder’ vallen niet alleen natuurlijke personen of rechtspersonen, maar ook combinaties van natuurlijke personen en/of rechtspersonen die als zodanig optreden in het economische verkeer. Uit onder meer het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 1983 (nr. 20 808, BNB 1983/76) volgt dat een samenwerkingsverband als een ‘ieder’ wordt aangemerkt indien het zich gezamenlijk naar buiten presenteert en als zodanig jegens derden prestaties verricht.

Ter zitting heeft eiser verklaard dat de deelnemers aan de veiling niet als groep naar buiten optreden. Het is weliswaar van algemene bekendheid dat deelnemers aan een veiling in wisselende samenstellingen samenwerken, maar de samenwerkende groep presenteert zich op de veiling niet als zodanig. De samenwerkende groep verricht ook geen prestaties jegens derden. Zowel het inzetten als het afmijnen geschiedt door de deelnemers individueel. De notaris die de veiling organiseert, is weliswaar informeel vaak op de hoogte van het bestaan van samenwerking tussen de deelnemers, maar de strijkgelden worden niet aan de samenwerkende groep maar aan de inzetter uitbetaald. Het feit dat deze inzetter vervolgens gehouden is een deel van de strijkgelden door te betalen aan de overige deelnemers vloeit slechts voort uit de interne verhoudingen, maar heeft geen betekenis in de relatie tot derden. De levering van het geveilde pand geschiedt ook niet aan de samenwerkende groep, maar aan de inzetter of de afmijner.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de samenwerkende groep niet als ondernemer in de zin van artikel 7, eerste lid, Wet OB kan worden aangemerkt.

4.3 Is sprake van een rechtstreeks verband tussen prestaties van eiser en de ontvangen strijkgelden?

Eiser stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen de ontvangen strijkgelden en enige prestatie van eiser. Eiser beoogt, naar zijn zeggen, niet om strijkgelden te ontvangen maar om een pand te verwerven.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bieden in de opbodfase van de veiling een dienst vormt van de inzetter aan de verkoper van het pand. Het strijkgeld vormt volgens verweerder de vergoeding voor deze prestatie.

Eiser verkoopt en levert woningen en treedt in die hoedanigheid op als ondernemer in de zin van artikel 7, eerste lid, van de Wet OB. Het bieden op veilingen is zodanig met de aan- en verkoop van de woningen verweven, dat deze activiteit geacht moet worden door eiser in het kader van zijn onderneming te zijn verricht. Anders dan eiser stelt is daarbij niet relevant dat eiser niet beoogt om strijkgelden te verwerven maar om woningen te verwerven.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een prestatie van eiser jegens de verkoper van de woning en vormt het strijkgeld de vergoeding voor die prestatie. De prestatie van eiser bestaat erin dat hij door zijn deelname aan het bieden op de veiling het bieden stimuleert en daardoor de door verkoper te behalen opbrengst verhoogt (vergelijk Hoge Raad 5 maart 1980, nr. 19 608, BNB 1980/169). In het midden kan worden gelaten of eiser primair beoogt de woning te verwerven. Anders dan eiser stelt volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 5 maart 1980 niet dat het oogmerk waarmee eiser aan de veiling deelneemt van belang is.

Het beroep van eiser op het arrest van het Hof van Justitie van 3 maart 1994 (zaak C-16/93, BNB 1994/271, [B]) faalt eveneens. Uit dit arrest volgt dat een dienst enkel ‘onder bezwarende titel’ wordt verricht en dus enkel belastbaar is, wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst. De rechtsbetrekking tussen de verkoper van de woning en eiser ontstaat op het moment dat eiser in de eerste fase het hoogste bod doet. Daaraan doet niet af dat eiser mogelijk primair is gericht op het verwerven van de woning en de strijkgelden slechts als ‘bijvangst’ beschouwt. Anders dan in de zaak [B] betaalt de verkoper van de woning het strijkgeld niet op basis van vrijwilligheid.

4.4 Heeft verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld?

Eiser heeft gesteld dat in het verleden een boekenonderzoek heeft plaatsgevonden, dat eiser toen ook al strijkgelden ontving en dat er toen geen opmerkingen over zijn gemaakt en geen naheffingsaanslagen omzetbelasting zijn opgelegd. Bovendien vult eiser naar zijn zeggen tweejaarlijks een vragenformulier in. Ook dit formulier heeft volgens eiser de belastingdienst nimmer aanleiding gegeven tot het stellen van vragen.

Verweerder betwist dat sprake is van opgewekt vertrouwen. Hij kent het boekenonderzoek niet, heeft het ook niet aangetroffen in het dossier, weet niet wat de reikwijdte van het onderzoek is geweest en weet evenmin of de aangiften omzetbelasting onderwerp van de controle zijn geweest. Volgens verweerder zijn de formulieren waarschijnlijk vragenformulieren voor vrijgestelde ondernemers. Verweerder heeft deze formulieren niet aangetroffen in het dossier. Volgens verweerder leiden de formulieren vrijwel nooit tot het stellen van vragen.

Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat vertrouwen is gewekt door het boekenonderzoek of door het feit dat de belastingdienst niet heeft gereageerd na het inzenden van de vragenformulieren. Eiser heeft zijn stellingen niet met verifieerbare gegevens onderbouwd. Zo beschikt hij niet over het rapport boekenonderzoek en evenmin over kopieën van de vragenformulieren. De rechtbank verwerpt eisers beroep op het vertrouwensbeginsel.

4.5 Heeft verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld?

De rechtbank verwerpt tevens eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat het beleid van de belastingdienst is om strijkgelden in de heffing van omzetbelasting te betrekken en dat in zoveel mogelijk gevallen naheffingsaanslagen zijn en worden opgelegd. Eiser heeft zijn stelling dat in een groot aantal vergelijkbare gevallen geen naheffingsaanslagen zijn opgelegd niet met verifieerbare gegevens onderbouwd.

Gelet op het vorenstaande is de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag opgelegd.

4.6 Is de boete terecht en tot een juist bedrag opgelegd?

Eiser stelt dat in een vergelijkbare zaak de boete is vernietigd.

Verweerder stelt dat geen sprake is van een vergelijkbare zaak, omdat in die zaak een vergrijpboete is opgelegd, terwijl aan eiser een verzuimboete is opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in vergelijkbare zaken de boete is vernietigd. Overigens is gesteld noch gebleken dat de boete ten onrechte is opgelegd. De rechtbank acht de boete passend en geboden.

4.7 Is de heffingsrente terecht en tot een juist bedrag opgelegd?

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN: BJ7907). Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep ook in zoverre ongegrond.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, mr. E.C.G. Okhuizen en mr. J. Rakhan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.J.G. Tiemessen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 29 juli 2010

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.