Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN3508

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
199772
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering ex. art. 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/356
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 199772 / HA ZA 10-843

Vonnis in incident van 21 juli 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CONCLUSION B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. R.W. de Vrey te Utrecht,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EXELLIOR B.V.,

gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudend te Vianen (gemeente Utrecht),

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. A.A.M. Simons te Breda.

Partijen zullen hierna Conclusion, [gedaagde sub 1] en Excellior worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten

2.1. Het incident is vooralsnog te plaatsen in het volgende feitelijk kader.

2.2. Conclusion is, blijkens het uittreksel van 26 april 2010 uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel, opgericht op 22 juni 1990 en houdt zich, onder meer, bezig met het verlenen van diensten en het geven van adviezen op het gebied van bedrijfsvoering, management, projectvoering en human resource management.

2.3. [gedaagde sub 1] is (of was) bestuurder van Company Training Nederland B.V. te Druten.

Deze vennootschap hield 50% van de aandelen in Mansal International B.V. (hierna: Mansal International). Mansal International was enig aandeelhouder en bestuurder van Mansal Nederland B.V. Deze beide vennootschappen zijn op 24 maart 2009 gefailleerd. Zij waren actief op het gebied van business consultancy, corporate solutions, management-, sales- en leiderschapstrainingen.

2.4. Op 21 december 2001 heeft Mansal International, als opdrachtgever, een managementovereenkomst gesloten met Company Training Nederland B.V., als opdrachtnemer, krachtens welke overeenkomst de laatstgenoemde onderneming zich heeft verbonden om met ingang van 1 januari 2002 tezamen met R.N. Bax Beheer B.V. de directie van Mansal International te voeren (hierna: de managementovereenkomst). In de managementovereenkomst zijn, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 5 geheimhoudingsplicht

Opdrachtnemer is tijdens de duur en na het beëindigen van deze overeenkomst gehouden tot strikte geheimhouding van alles wat omtrent (de onderneming van) Opdrachtgever bekend is geworden en waaromtrent geheimhouding is opgelegd of waarvan het vertrouwelijke karakter redelijkerwijs vermoed kan worden, alles in de meest ruime zin des woords.

De managementovereenkomst is inmiddels beëindigd.

2.5. Excellior is opgericht op 25 juli 2005 en houdt zich blijkens het uittreksel van 26 april 2010 uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel bezig met het verkopen en uitvoeren van trainingen, werving en selectie. Enig bestuurder van Excellior is momenteel LDD B.V, opgericht op 18 juni 2009. Enig bestuurder en aandeelhouder van LDD B.V. is de heer [ ] [betrokkene]. [gedaagde sub 1] verricht werkzaamheden voor Excellior.

2.6. Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter in deze rechtbank heeft Conclusion op 30 december 2009 ten laste van [gedaagde sub 1] en Excellior conservatoir beslag tot afgifte (bewijsbeslag) ex 843a juncto 730 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv.) laten leggen op een groot aantal schriftelijke en elektronische bescheiden, zoals genoemd in de processen-verbaal van beslaglegging van 30 december 2009. Die bescheiden zijn vervolgens – eveneens op 30 december 2009 – in gerechtelijke bewaring gegeven aan de door de voorzieningenrechter benoemde gerechtelijke bewaarder, Digi Juris B.V. te Nijkerk.

3. De vordering in de hoofdzaak

3.1. Conclusion vordert in de hoofdzaak, verkort weergegeven, [gedaagde sub 1] en Excellior op straffe van verbeurte van een dwangsom te bevelen:

a) iedere inbreuk op de auteursrechten van Conclusion , meer in het bijzonder de auteursrechten ten aanzien van haar trainingsdocumentatie en – materialen en offertes, te staken en gestaakt te houden,

b) aan de advocaat van Conclusion schriftelijk op te geven, door middel van een verklaring van een registeraccountant en onderbouwd door schriftelijke bewijsstukken zoals facturen e.d.:

i) de exacte naam en het adres van de klanten aan wie de inbreukmakende trainingsdocumentatie en materialen ter beschikking zijn gesteld, met vermelding en omschrijving van de inbreukmakende trainingsdocumentatie en materialen,

ii) de hoeveelheid inbreukmakende trainingsdocumentatie en materialen die [gedaagde sub 1] en Excellior nog in voorraad hebben,

c) aan alle hierboven onder b) bedoelde personen of ondernemingen schriftelijk of per fax mee te delen – onder gelijktijdige toezending van kopieën van deze mededeling aan de advocaat van Conclusion – dat de onder hen berustende trainingsdocumentatie en – materialen door [gedaagde sub 1] en Excellior wordt teruggenomen, onder aanbieding van terugbetaling van koopprijzen, vergoeding van kosten voor retournering en eventuele andere kosten of schade van die personen of ondernemingen,

d) hun gehele voorraad inbreukmakende trainingsdocumentatie en materialen en offertes alsmede de ingevolge onderdeel c) geretourneerde materialen, alsmede exemplaren van de bedoelde materialen die na de datum van het vonnis nog bij hen mochten binnenkomen aan Conclusion af te geven dan wel in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van Conclusion te vernietigen,

e) ieder anderszins onrechtmatig handelen jegens haar te staken en gestaakt te houden, waaronder het op stelselmatige wijze klanten van Conclusion benaderen, het proberen te bewegen van deze klanten om naar hen over te stappen, het zonder toestemming van Conclusion gebruik maken van haar know-how, deze te kopiëren en onder derden te verspreiden, het aanzetten van (ex)werknemers van Conclusion tot wanprestatie jegens haar en het ertoe leiden dat het in aanmerking nemend publiek de diensten van Conclusion verwart met de diensten van [gedaagde sub 1] en Excellior.

Verder vordert Conclusion:

f) [gedaagde sub 1] te bevelen de managementovereenkomst, in het bijzonder artikel 5, na te (blijven) komen,

g) [gedaagde sub 1] en Excellior hoofdelijk te veroordelen in volledige de kosten van dit geding ex artikel 1019h Rv., zijnde de volledige kosten aan salaris en verschotten van haar advocaat alsmede de beslagkosten.

3.2. Conclusion baseert haar vorderingen in de hoofdzaak en in het incident op de stelling dat zij rechthebbende is op álle activa en bedrijfsactiviteiten van de op 24 maart 2009 gefailleerde ondernemingen Mansal International en Mansal Nederland B.V. (samen ook te noemen: Mansal). Zij stelt deze op 7 mei 2009 te hebben gekocht en overgenomen van de curator van Mansal, mr. D.V. Meijers. Onder die overgenomen activa en bedrijfsactiviteiten vallen volgens haar bestaande overeenkomsten, nog uit te voeren trainingen, de managementovereenkomst van 21 december 2001, het klantenbestand en alle (intellectuele eigendoms)rechten, onder meer ten aanzien van de door of namens Mansal ontwikkelde trainingen.

Uitgaande van deze rechten, stelt Conclusion dat [gedaagde sub 1] en Excellior inbreuk maken op haar auteursrechten of, subsidiair, haar geschriftenbescherming op de trainingsdocumentatie, trainingsmaterialen en offertes, omdat [gedaagde sub 1] en Excellior zich bedienen van offertes, trainingen, trainingsdocumentatie en trainingsmaterialen die vrijwel gelijkluidend zijn aan dan wel in opvallende mate overeenstemmen met die waarvan Conclusion gebruik maakt. Zij stelt dat [gedaagde sub 1] en Excellior daarnaast onrechtmatig handelen en oneerlijk concurreren, en dat [gedaagde sub 1] toerekenbaar tekort schiet (in strijd handelt met het geheimhoudingsbeding), door het op stelselmatige wijze klanten van Conclusion benaderen, het proberen te bewegen van deze klanten om naar hen over te stappen, het zonder toestemming van Conclusion gebruik maken van haar know-how, deze te kopiëren en onder derden te verspreiden, het aanzetten van (ex)werknemers van Conclusion tot wanprestatie jegens haar en het ertoe leiden dat het in aanmerking nemend publiek de diensten van Conclusion verwart met de diensten van [gedaagde sub 1] en Excellior. Zij stelt ten slotte dat [gedaagde sub 1] de drijvende kracht achter Excellior is. Hij zou Excellior B.V. op naam hebben laten zetten van [ ] [betrokkene] (LDD B.V.), die werkzaam is bij Conclusion.

4. De vordering en het verweer in het incident

4.1. Conclusion vordert, in het incident, op grond van artikel 843a Rv. juncto artikel 1019a Rv. juncto artikel 223 Rv. te bepalen dat zij onmiddellijk inzage krijgt in, en door afgifte de beschikking krijgt over, de door de deurwaarder in bewijsbeslag genomen en bij Digi Juris B.V. in bewaring gegeven navolgende bescheiden van [gedaagde sub 1] en Excellior, die informatie bevatten over de in de hoofdzaak gestelde auteursrechtinbreuk alsmede het anderszins onrechtmatige handelen van [gedaagde sub 1] en Excellior jegens Conclusion:

• trainingsdocumentatie en trainingsmaterialen van [gedaagde sub 1] en Excellior,

• (email)correspondentie van [gedaagde sub 1] en Excellior met de klanten van Conclusion (voor haar ‘Mansal’activiteiten, d.w.z. training) die zijn weergegeven in de klantenlijst van Conclusion, overgelegd als productie 15,

• aan deze klanten door [gedaagde sub 1] en Excellior verzonden offertes en facturen,

• lijst van klanten aan wie [gedaagde sub 1] en Excellior trainingen hebben aangeboden, vergelijkbaar met de trainingen die [gedaagde sub 1] voorheen via Mansal aanbood, en

• overeenkomsten tussen enerzijds [gedaagde sub 1] of Excellior en anderzijds (haar ex-werknemer) [betrokkene 2] respectievelijk De [betrokkene], alsmede (email)correspondentie tussen deze partijen betrekking hebbend op de door hen georganiseerde trainingen.

4.2. Conclusion stelt een zeer sterk en gefundeerd vermoeden te hebben dat [gedaagde sub 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van artikel 5 van de managementovereenkomst en dat [gedaagde sub 1] en Excellior inbreuk maken op haar intellectuele eigendomsrechten en ook anderszins willens en wetens onrechtmatig jegens haar handelen. Dit levert volgens haar een relevante rechtsbetrekking op als bedoeld in artikel 843a Rv. Zij stelt een rechtmatig belang te hebben bij inzage in de genoemde, bepaalde bescheiden ter nadere bepaling van de feiten op grond waarvan de auteursrechtinbreuk en het onrechtmatige handelen van [gedaagde sub 1] en Excellior kunnen worden vastgesteld. Het betreft geen ‘fishing expedition’, omdat zij niet inzage in de gehele administratie vordert. Zij heeft alles in het werk gesteld om de vertrouwelijkheid van de bepaalde bescheiden zoveel mogelijk te waarborgen door het verzoek tot gerechtelijke bewaring bij een onafhankelijke bewaarnemer, totdat zal zijn beslist over de vraag of inzage in deze stukken is toegestaan.

4.3. [gedaagde sub 1] en Excellior voeren gemotiveerd verweer tegen deze incidentele vordering. Primair voeren zij aan dat Conclusion om diverse redenen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar incidentele vordering. Voor het geval dat de rechtbank Conclusion wel ontvankelijk acht in haar vordering, betwist zij uitvoerig dat is voldaan aan de vereisten van artikel 843a en 1019a Rv. en concludeert zij tot afwijzing van deze vordering.

4.4. De rechtbank zal hierna, voor zover van belang, nader op de stellingen van partijen ingaan.

5. De beoordeling in het incident

5.1. De incidentele vordering is gebaseerd op de bijzondere exhibitieplicht zoals geregeld in artikel 843a Rv. juncto artikel 1019a Rv. en is ingesteld in het kader van een provisionele vordering ex artikel 223 Rv.

5.2. De rechtbank overweegt ten eerste dat artikel 843a Rv. vier cumulatieve voorwaarden stelt voor toewijzing van een dergelijke vordering tot inzage en / of afgifte van afschriften of uittreksels van bescheiden:

a. eiser dient een rechtmatig belang bij afgifte of inzage te hebben;

b. het moet gaan om bepaalde bescheiden;

c. die bescheiden moeten zien op een rechtsbetrekking waarin eiser partij is;

d. die bescheiden moeten ter beschikking staan of onder berusting zijn van degene tegen wie afgifte of inzage daarvan wordt gevorderd.

Artikel 1019a lid 1 Rv. bevestigt dat artikel 843a Rv. ook van toepassing is op rechtsbetrekkingen uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom. In lid 2 van dat artikel is de exhibitieplicht uitgebreid tot ander materiaal dan ‘bescheiden’, zoals bijvoorbeeld inbreukmakende voorwerpen.

5.3. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde sub 1] en Excellior ziet op de niet-ontvankelijkheid van Conclusion in haar incidentele vordering.

5.4. Als eén van de redenen voor de niet-ontvankelijkheid dan wel ongegrondheid van de vordering voeren zij aan dat deze vordering van Conclusion tot inzage en afgifte niet kan worden behandeld in het kader van een provisionele voorziening in de zin van artikel 223 Rv. Een dergelijke voorziening kan immers naar haar aard niet alleen gelden voor de duur van het geding, omdat afgifte een blijvend karakter heeft. [gedaagde sub 1] en Excellior verwijzen daarbij naar een arrest van 24 augustus 2006 van het Gerechtshof ’s-Gravenhage (LJN AY7534).

5.5. In de toelichting op het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Tekst en Commentaar, artikel 843a staat onder punt 7 (Procedure):

“Nakoming vorderen van de bijzondere exhibitieplicht van dit artikel geschiedt tijdens de procedure door middel van een incidentele vordering, indien het stuk zich bij de wederpartij bevindt. Buiten de procedure wordt de vordering bij dagvaarding ingesteld, bijvoorbeeld in kort geding, een bodemprocedure of een reconventionele vordering. Betreft de vordering inzage, afschrift of uittreksel van een stuk dat zich bij een derde bevindt, dan wordt de vordering bij dagvaarding ingesteld.”

Niet valt in te zien dat Conclusion haar vordering niet bij dagvaarding in de bodemzaak als bijkomende provisionele vordering heeft kunnen instellen zoals zij heeft gedaan. Het genoemde arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage kan niet worden vergeleken met de onderhavige vordering, omdat dit arrest betrekking heeft op een vordering tot afgifte van originele tekeningen en niet van kopieën, afschriften of uittreksels.

5.6. Als andere reden voor de niet-ontvankelijkheid voeren [gedaagde sub 1] en Excellior aan dat niet gebleken is van de pretense overeenkomst met de curator tot overname van de activa en bedrijfsactiviteiten van de gefailleerde vennootschappen Mansal, terwijl het op de weg van Conclusion had gelegen om deze overeenkomst in het geding te brengen. Zij betwisten, bij gebrek aan deze overeenkomst, dat Conclusion ter zake enige rechten jegens [gedaagde sub 1] en Excellior geldend zou kunnen maken, en zij betwisten daarmee het bestaan van een rechtsbetrekking tussen partijen. Als er al sprake zou zijn van een overname van de activa en eventuele auteursrechten van Mansal, dan zou dit zijn gebeurd door HuCaG Talent Development B.V., een dochter van Conclusion, omdat die onderneming blijkens het handelsregister de naam Mansal als handelsnaam voert. Conclusion is dus geen recht-/en belanghebbende. Ten slotte zou Conclusion de verkeerde partijen hebben gedagvaard, omdat zij geen partij zijn bij de managementovereenkomst.

5.7. Overwogen wordt dat de hiervoor genoemde verweren allen betrekking hebben op het ontbreken van een rechtsbetrekking dan wel een rechtmatig belang, twee van de hiervoor onder 5.2. genoemde voorwaarden voor toewijzing van de gevorderde inzage en afgifte van de gemaakte en in bewaring gegeven kopieën. Overwogen wordt dat het bestaan dan wel het ontbreken van een rechtsbetrekking en/of een rechtmatig belang afhankelijk is van de (inhoud van) de gestelde overeenkomst met de curator tot overname van de activa en bedrijfsactiviteiten van de gefailleerde vennootschappen Mansal, waarop Conclusion haar vorderingen baseert. Vastgesteld wordt dat Conclusion geen bewijs heeft overgelegd van het bestaan van die overeenkomst.

5.8. Nu Conclusion zich beroept op de overeenkomst tot overname van de activa en bedrijfsactiviteiten van de gefailleerde vennootschappen Mansal, zal de rechtbank, op grond van artikel 150 Rv., Conclusion opdragen om het bestaan van de gestelde overeenkomst tot overname te bewijzen. Indien zij daarin niet slaagt, zal de incidentele vordering moeten worden afgewezen. Indien Conclusion wel slaagt in dit bewijs, zal nog moeten worden beoordeeld of aan de overige onder 5.2. genoemde vereisten van voor toewijzing van de gevorderde inzage en afgifte van de gemaakte en in bewaring gegeven kopieën is voldaan.

6. De beoordeling in de hoofdzaak

6.1. De rechtbank zal in dit stadium van het geding iedere beslissing aanhouden. [gedaagde sub 1] en Excellior hebben in de hoofdzaak nog niet geconcludeerd voor antwoord.

7. De beslissing

De rechtbank

in het incident

7.1. draagt Conclusion op te bewijzen dat er sprake is van een overeenkomst tot overname van de activa en bedrijfsactiviteiten van de gefailleerde vennootschappen Mansal International B.V. en / of Mansal Nederland B.V.,

7.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 augustus 2010 voor uitlating door Conclusion of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

7.3. bepaalt dat Conclusion, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren, maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

7.4. bepaalt dat Conclusion, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de dinsdagen in de maanden oktober tot en met december 2010 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

7.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. N.W. Huijgen in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

7.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

7.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

in de hoofdzaak

7.8. houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2010.

Coll.: ES