Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN3376

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
187508
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:8577, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade.

Benoeming deskundige en formulering aan hem te stellen vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 187508 / HA ZA 09-1307

Vonnis van 28 juli 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M.C.J. Peters te Arnhem,

tegen

de stichting

STICHTING KATHOLIEKE UNIVERSITEIT (UMC ST. RADBOUD),

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

advocaat mr. A. van der Veen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en het ziekenhuis genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 maart 2010

- de akte houdende uitlating na tussenvonnis van [eiser]

- de akte uitlating deskundigen en vraagstelling van het ziekenhuis

- de antwoordakte van [eiser]

- de antwoordakte van het ziekenhuis.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het vorige vonnis heeft de rechtbank partijen de gelegenheid gegeven zich uit te laten over de persoon van een te benoemen deskundige en over de aan de deskundige te stellen vragen. Beide partijen hebben zich hierover uitgelaten en daarop zal hierna verder worden ingegaan.

2.2. Eerst zal worden ingegaan op de aanvulling van de grondslag van de vordering van [eiser]. In zijn laatste akte voegt [eiser], zo begrijpt de rechtbank, aan de gronden van zijn vordering op het ziekenhuis toe het verwijt dat het ziekenhuis noch in 1992 noch in 1995 [eiser] heeft gewaarschuwd voor de gebrekkigheid en het gevaar van de Miragelplombe. Had het ziekenhuis dat wel gedaan, dan had [eiser] de producent kunnen aanspreken op grond van artikel 6:185 BW. Doordat het ziekenhuis heeft gezwegen is [eiser] die mogelijkheid ontnomen en was het, gelet op de vervaltermijn van 10 jaar (artikel 6:191 BW), te laat om de producent aan te spreken. Het ziekenhuis heeft op de aanvulling van de grondslag als zodanig als ook op de inhoud daarvan nog niet kunnen reageren omdat partijen steeds gelijktijdig een akte hebben genomen. Het ziekenhuis zal daartoe in de conclusie na deskundigenbericht de gelegenheid krijgen. Daarna zal hierover verder worden geoordeeld. Vooruitlopend daarop zullen zo nodig in verband met deze grondslag vragen aan de deskundige worden voorgelegd. Voorts is het ziekenhuis in zijn eerste akte nader ingegaan op de eerst ter zitting door [eiser] nader toegelichte grondslag dat het ziekenhuis gebruik heeft gemaakt van een ongeschikte zaak (artikel 6:77 BW). Ook hierover zal in een later stadium verder worden geoordeeld.

2.3. Over de persoon van de te benoemen deskundige zijn partijen het eens. Overeenkomstig de voordracht van partijen zal prof. dr. J.M.M. Hooymans tot deskundige worden benoemd. Hooymans heeft haar kosten op basis van een voorlopige inschatting van 10 uren begroot op EUR 2.677,50 inclusief BTW. De rechtbank ziet, anders dan [eiser] verzoekt, geen aanleiding voor een uitlating van partijen over de hoogte van het voorschot alvorens tot benoeming over te gaan. Het voorschot op de kosten van de deskundige komt op grond van artikel 195 Rv voor rekening van [eiser].

2.4. Van weerszijden zijn aanvullingen en wijzigingen voorgesteld op de door de rechtbank in het vorige vonnis geformuleerde (concept)vragen. De voorstellen zullen per vraag worden langsgelopen.

2.5. Het ziekenhuis heeft als eerste aanvulling op vraag 3 voorgesteld: ‘Bent u – mede op basis van het antwoord op voornoemde vraag – van mening dat prof. [betrokkene] heeft gehandeld overeenkomstig de in 1992 heersende opvattingen binnen de beroepsgroep door te kiezen voor de Miragelplombe? Kunt u uw antwoord op deze vraag toelichten?

Deze vraag wordt overgenomen. Om te kunnen oordelen over de wijze waarop de behandelaars van [eiser] hebben gehandeld, heeft de rechtbank naast de antwoorden op de door haar geformuleerde vragen ook behoefte aan voorlichting door de deskundige over de visie vanuit de beroepsgroep op de toegepaste handelwijze. Daarin kunnen mogelijk nog aspecten aan bod komen waarop de vragen 1, 2 en 3 onvoldoende zijn gericht. Een en ander laat onverlet dat de beoordeling van de vraag of is gehandeld als een redelijk handelend en vakbekwaam oogarts aan de rechtbank is voorbehouden. Om dezelfde reden wordt ook de tweede voorgestelde aanvullende vraag overgenomen. De derde voorgestelde aanvullende vraag – naar de handelwijze van een redelijk handelend patiënt in 1992 – wordt eveneens overgenomen nu dat aspect (vgl. HR 23 november 2001, NJ 2002, 386) eveneens van belang is bij de beoordeling van de vraag hoe [eiser] in dat geval zou hebben gehandeld.

2.6. Als aanvulling op vraag 4 heeft [eiser] voorgesteld de overeenkomsten tussen de Miragelplombe en de MAIplombe te beschrijven alsmede de relevantie van de wijze waarop de plombe is aangebracht. [eiser] heeft toegelicht dat volgens hem de kennis die over de MAIplombe bestond ook van belang was voor de beoordeling van de Miragelplombe, omdat het ging om plombes van dezelfde medische samenstelling. Met vraag 4 vraagt de rechtbank de deskundige wanneer de oogheelkundige wereld ermee bekend raakte dat de Miragelplombe de eigenschap heeft na verloop van een aantal jaren te zwellen en te defragmenteren, waarbij de deskundige wordt gevraagd bij de beantwoording diverse publicaties te betrekken, waaronder die van Marin uit 1992. Met de beantwoording van die vraag zal de rechtbank erover worden voorgelicht wanneer er bekendheid was of had moeten zijn bij de behandelaars van [eiser] over de eigenschappen van de Miragelplombe die bij [eiser] is ingebracht. Voor zover die wetenschap viel af te leiden uit publicaties over de MAIplombe, zal de deskundige dat in haar antwoord betrekken. De aanvullende vraag van [eiser] zal daarom niet worden overgenomen. Het voorstel van het ziekenhuis om de zinsnede in vraag 4 ‘en het gegeven dat in 1995 de productie van de Miragelplombe is gestaakt’ te schrappen, wordt overgenomen. Terecht stelt het ziekenhuis dat in deze procedure niet is vastgesteld dat de staking van de productie van de Miragelplombe verband houdt met de problematiek bij verwijdering van deze plombe. Die suggestie gaat echter wel van deze zinsnede uit. Dit laat onverlet dat de deskundige kennis zal nemen van de diverse publicaties waarnaar [eiser] verwijst (onder meer op pagina 5 en 6 van zijn laatste akte) waaruit volgens [eiser] wel van een samenhang zou blijken. Ook voor het overige wordt de toevoeging aan vraag 4 overgenomen.

2.7. [eiser] heeft als aanvulling op vraag 5 voorgesteld de deskundige te vragen of uit het medisch dossier blijkt of [eiser]s klachten in de periode 2003-2006 naar behoren zijn onderzocht en gekwalificeerd en of uit het medisch dossier blijkt of [eiser] in de periode 2003-2006 is geïnformeerd over de verschillende behandelmethoden en de daaraan verbonden kansen en risico’s’. Het ziekenhuis heeft tegen die aanvullingen bezwaar omdat de door de behandelaars verrichte onderzoeken, behandelde klachten en verstrekte informatie niet uitsluitend in het dossier hoeven te zijn opgenomen. Dat is met deze aanvullende vragen en de daarop te geven antwoorden echter ook niet gezegd. De rechtbank wordt daarmee uitsluitend voorgelicht over hetgeen er uit het medisch dossier volgt. De rechtbank zal de aanvullende vragen dan ook overnemen. Het ziekenhuis heeft als eerste aanvulling op vraag 5 de vraag voorgesteld of uit het dossier kan worden afgeleid wanneer [eiser] bekend is geraakt met het feit dat de Miragelplombe in zijn oog is geplaatst. Die vraag wordt overgenomen omdat deze, mede ook gelet op de recente aanvulling van de grondslag van [eiser], relevant kan zijn. De daarop volgende voorgestelde vraag ‘Bent u van mening dat [eiser] op enig (eerder) moment geïnformeerd had moeten worden over de risico’s van het geplaatste materiaal in zijn oog c.q. de Miragelplombe en zo ja op welk moment en waarom’ wordt overgenomen op dezelfde gronden als de hiervoor voorgestelde aanvullingen op vraag 3 zijn overgenomen (rov. 2.5.). De daarop volgende voorgestelde aanvulling ‘Acht u het aannemelijk dat een dergelijke mededeling een ander beloop van de klachten en/of behandeling tot gevolg zou hebben gehad en zo ja, hoe zou de behandeling er redelijkerwijs hebben uitgezien en hoe zou het beloop dan naar verwachting zijn geweest’, wordt ook overgenomen omdat geen van de thans geformuleerde vragen deze kwestie dekt. De daarop volgende vraag of de Miragelplombe eerder had moeten worden verwijderd zal nog aan vraag 5 worden toegevoegd om dezelfde redenen als hiervoor genoemd. Dat geldt niet voor de voorgestelde aanvulling op vraag 6 – kort gezegd: zou het [eiser] anders zijn vergaan bij eerdere verwijdering van de Miragelplombe – omdat in die vraag is voorzien met de huidige vraag 14b. Wel zal vraag 14b worden aangevuld in die zin dat de deskundige wordt gevraagd naar het klachtenverloop en de eindtoestand bij [eiser] na eerdere verwijdering van de plombe. De toevoeging van [eiser] op vraag 6 wordt ook overgenomen. Het ziekenhuis heeft voor het overige nog her en der kleine toevoegingen voorgesteld, die worden overgenomen.

2.8. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

4.1. beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

Aansprakelijkheid

1. Welke plombes waren in (juli) 1992 beschikbaar ten behoeve van operaties zoals [eiser] die heeft ondergaan?

2. Wilt u de verschillen tussen de diverse plombes beschrijven en uiteenzetten welke voor- en nadelen er aan die plombes verbonden zijn, uitgaande van de kennis in de oogheelkundige wereld in juli 1992?

3. Bestond er in juli 1992 in de oogheelkundige wereld een voorkeur voor een van de plombes en zo ja, voor welke en op welke gronden?

Bent u – mede op basis van het antwoord op voornoemde vraag – van mening dat prof. [betrokkene] heeft gehandeld overeenkomstig de in 1992 heersende opvattingen binnen de beroepsgroep door te kiezen voor de Miragel plombe? Kunt u uw antwoord op deze vraag toelichten?

Bent u van mening dat de keuze van dr. [betrokkene] voor de Miragelplombe in 1992 met [eiser] had moeten worden besproken? Kunt u uw antwoord nader toelichten?

Bent u van mening dat als een redelijk handelend patiënt in 1992 geïnformeerd was over de in 1992 bekende werking van de Miragel plombe, deze had afgezien van de behandeling met de Miragelplombe? Wilt u bij de beantwoording van deze vraag eveneens rekening houden met de mogelijke alternatieve behandelingen alsmede de risico’s die daarvan in 1992 bekend waren?

4. Wanneer raakte de oogheelkundige wereld ermee bekend dat de Miragelplombe de eigenschap heeft na verloop van een aantal jaren te zwellen en te defragmenteren bij verwijdering van de plombe? Wilt u bij uw antwoord betrekken de wetenschappelijke publicaties die partijen in hun processtukken hebben genoemd, waaronder, maar daartoe niet beperkt, de publicaties in 1992 (Marin e.a.) en 1997 (Hwang e.a.)?

5. Wat was nadat de oogheelkundige wereld bekend was geraakt met deze eigenschappen van de Miragelplombe het in de literatuur beschreven en in de praktijk gevoerde beleid in (academische) ziekenhuizen in Nederland? Kunt u uit het medische dossier van [eiser] afleiden of dat beleid ook bij hem is gevoerd? Zo nee, welk beleid is er bij hem gevoerd? Kunt u uit het medische dossier afleiden wanneer [eiser] bekend is geraakt met het feit dat de Miragel plombe in zijn oog is geplaatst? Kunt u uit het medische dossier afleiden of [eiser]s klachten in de periode 2003-2006 naar behoren zijn onderzocht en gediagnosticeerd? Kunt u uit het medisch dossier afleiden of [eiser] in de periode 2003-2006 is geïnformeerd over de verschillende behandelmethoden en de daaraan verbonden kansen en risico’s?

Bent u van mening dat [eiser] op enig (eerder) moment geïnformeerd had moeten worden over de risico’s van het geplaatste materiaal in zijn oog c.q. de Miragelplombe? Zo ja, op welk moment had deze informatie dan aan [eiser] verstrekt moeten worden en waarom?

Acht u het aannemelijk dat een dergelijke mededeling een ander beloop van de klachten en/of de behandeling tot gevolg zou hebben gehad? Zo ja, hoe zou de behandeling er dan redelijkerwijze hebben uitgezien en hoe zou het beloop dan naar redelijke verwachting zijn geweest?

Had de Miragelplombe naar uw mening eerder moeten worden verwijderd dan thans het geval is geweest? Zo ja, kunt u aangeven wanneer en op welke indicatie dit had moeten gebeuren?

Indien u van mening bent dat eerder ingegrepen had moeten worden c.q. eerder tot verwijdering van de Miragelplombe had moeten worden overgegaan, kunt u dan aangeven waarop u dit baseert? Wilt u uw antwoord onderbouwen met literatuurgegevens?

6. Wilt u de precieze risico’s bij de verwijdering van de Miragelplombe beschrijven? Zijn de risico’s groter naarmate de Miragelplombe meer gezwollen raakt? Zijn die risico’s anders en/of groter dan bij het verwijderen van andere plombes? Wilt u uw antwoord op deze vraag nader toelichten aan de hand van literatuurgegevens? In hoeverre is hierbij van belang of de plombe intrascleraal of episcleraaal is aangebracht?

7. Zou het risico op een netvliesdefect kleiner zijn geweest wanneer de Miragelplombe bij [eiser] eerder uit het oog zou zijn verwijderd? Kunt u uw antwoord toelichten?

Causaal verband

8. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de huidige oogheelkundige toestand van [eiser]. Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

9. Wilt u op basis van het medische dossier van [eiser] een beschrijving geven van:

- de medische voorgeschiedenis van [eiser] op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van [eiser] en het resultaat daarvan.

10. Wat is de diagnose op uw vakgebied?

11. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij [eiser] in zijn huidige toestand ongeacht of deze voortvloeien uit het gebruik van de Miragelplombe?

12. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel? Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u en op welke termijn en met welk effect op de beperkingen?

13. Bestonden voor de operatie bij [eiser] reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die [eiser] thans nog steeds heeft? Zo ja, tot welke beperkingen leiden deze?

14. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, wanneer:

a. in juli 1992 bij de operatie van [eiser] niet de Miragelplombe was gebruikt maar een andere, destijds voorhanden plombe;

b. de Miragelplombe eerder zou zijn verwijderd, meer in het bijzonder wanneer deze zou zijn verwijderd in 1995, 1997, november 2003 of mei 2005? Wilt u bij de beantwoording van deze vraag rekening houden met de eventuele oogproblematiek van [eiser] voor de operatie in 1992? Van welk voorzienbaar klachtenverloop zou sprake zijn geweest en welke eindtoestand zou zijn ontstaan bij eerdere verwijdering vergeleken met het huidige klachtenverloop en de huidige (eind)toestand?

15. Zo ja (dus ondanks sub a en b ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

16. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

17. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde klachten en afwijkingen als omschreven onder 15?

18. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u, op welke termijn en in welke mate en met welk effect op de beperkingen?

19. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

Prof. dr. J.M.M. Hooymans

Hanzeplein 1

9713 GZ Groningen

bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,

bepaalt dat [eiser] binnen twee weken na datum van dit vonnis (kopieën van) de overige processtukken aan de rechtbank Sector civiel, roladministratie, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem zal doen toekomen,

bepaalt dat [eiser] binnen twee weken na datum van dit vonnis als voorschot op de kosten inclusief omzetbelasting van de deskundige € 2.677,50 ter griffie van deze rechtbank dient te deponeren door dit bedrag over te maken op rekening nummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen,

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek dient te beginnen,

bepaalt dat de deskundige binnen twee weken nadat zij bericht heeft gekregen dat het voorschot is gedeponeerd met de partijen een afspraak moet hebben gemaakt voor een datum en tijdstip waarop het onderzoek zal plaatsvinden en die datum aan de rechtbank moet hebben doorgegeven, tenzij een dergelijke afspraak vanwege de aard van het onderzoek naar het oordeel van de deskundige niet nodig is,

bepaalt dat indien een partij of de deskundige de aldus afgesproken datum voor het onderzoek wil wijzigen, die partij of de deskundige daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek moet doen aan de griffie van de rechtbank, met afschrift aan de andere betrokkenen,

bepaalt dat de deskundige zich met vragen over het onderzoek kan wenden tot de rechter-commissaris mr. S.C.P. Giesen,

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk en ondertekend conceptrapport zal inleveren ter griffie van deze rechtbank voor 3 november 2010, waarna schriftelijk nadere instructies van de rechtbank zullen volgen over de indiening van het definitieve rapport en de declaratie van de deskundige,

verwijst de zaak naar de rolzitting van vier weken na de datum waarop het definitieve rapport ter griffie is ingeleverd voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [eiser],

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp, mr. A.E.B. ter Heide en mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2010.?