Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN3362

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
197721
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering, door inmiddels meerderjarige dochter, tot (terug)betaling van het saldo op spaarrekening.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253i
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253j
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 175
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/346
VFP 2010, 931
JIN 2010/624
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 197721 / HA ZA 10-475

Vonnis van 28 juli 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. B.F.M. Bos te Nijmegen,

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. E.C.P.M. Kok te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 juni 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 16 juli 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is de dochter van [gedaagde]. [eiseres] heeft één oudere zus, [betrokkene]. De ouders van [eiseres] en [betrokkene] zijn in 1997 gescheiden.

Bij de scheiding is het gezag over de kinderen door de rechtbank aan de moeder toegekend.

2.2. Bij de geboorte van [eiseres] en [betrokkene] hebben hun ouders voor ieder van hen een spaarrekening geopend bij de ABN Amro bank, die op naam van de kinderen werd gesteld. [gedaagde] heeft op deze rekeningen regelmatig geld gestort.

2.3. [betrokkene] is op 26 januari 2005 18 jaar geworden. Zij heeft toen nagenoeg het gehele saldo dat op de spaarrekening die op haar naam stond opgenomen en in korte tijd uitgegeven.

2.4. Op 27 november 2006 heeft [gedaagde] een bedrag ad € 12.940,00 opgenomen van de spaarrekening die op naam van [eiseres] staat.

2.5. Op 21 oktober 2009 is [eiseres] 18 jaar geworden.

2.6. Bij de stukken bevindt zich een email van [eiseres] aan [gedaagde] d.d. 24 oktober 2009, waarin - voor zover relevant - staat:

“zoals je weet ben ik nu inmiddels 18 jaar geworden, en mag/kan ik veel zelf regelen. Eigenlijk zou het geld van de ABN Amro, nu van mij zijn. Ik stuur dit emailtje nu pas, nu ik 18 ben, omdat ik deze keuze zelf gemaakt heb, en mama niet wil mee werken. Ik zou het graag binnen één week op mijn bankrekening hebben.”

[gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan dit verzoek.

2.7. Bij brief van 23 december 2009 heeft de advocaat van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd om binnen acht dagen tot betaling van het bedrag van € 12.940,00 over te gaan, te vermeerderen met de handelsrente van 5% per jaar, bij gebreke waarvan hij in verzuim zal zijn en er een gerechtelijke procedure zal worden gestart.

Ook aan dit verzoek heeft [gedaagde] geen gehoor gegeven.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert bij dagvaarding samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 12.940,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente van 5% per jaar vanaf 27 november 2006 tot de dag der algehele voldoening, danwel subsidiair de wettelijke rente, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Aan haar vordering heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door op 27 november 2006 € 12.940,00 op te nemen van de spaarrekening die op haar naam staat en dit niet terug te betalen. Volgens [eiseres] behoort het geld aan haar toe en heeft zij [gedaagde] geen toestemming gegeven om dit op te nemen en ten eigen bate aan te wenden. Zij acht [gedaagde] tevens toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens haar.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vast staat dat [gedaagde] en zijn ex echtgenote destijds een rekening voor [eiseres] hebben geopend, die op haar naam werd gesteld en dat op die rekening diverse stortingen zijn gedaan door - voornamelijk - [gedaagde].

Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] hierover opgemerkt dat het de bedoeling was dat hij op deze wijze op een gegeven moment over een spaarbedrag kon beschikken dat hij, indien nodig, kon aanwenden voor de studiekosten van [eiseres], maar dat het niet de bedoeling was dat [eiseres] hierover bij meerderjarigheid zelf de beschikking zou krijgen. Tijdens de comparitie heeft hij nog verklaard dat hij de rekening destijds heeft geopend omdat hij, net als iedereen, geld wilde sparen voor zijn kinderen zodat hij ze later bijvoorbeeld een brommer kon geven of het rijbewijs kon betalen. Verder heeft [gedaagde] aangegeven dat hij destijds alleen voor een spaarrekening op naam van [eiseres] heeft gekozen vanwege de fiscale voordelen hiervan. Volgens [gedaagde] behoort het saldo op de spaar-rekening aan hem toe en niet aan [eiseres].

4.2. Dit verweer faalt. Doordat de spaarrekening op naam van [eiseres] is gesteld, is zij als rechthebbende op het saldo op die rekening aan te merken. Daaraan doet op zichzelf niet af dat dit bedrag grotendeels afkomstig is van [gedaagde] en dat het wellicht niet zijn bedoeling was dat [eiseres] hierover zelf de beschikking zou krijgen zodra zij meerderjarig werd.

De stortingen die [gedaagde] in de loop der jaren heeft gedaan op de spaarrekening op naam van [eiseres], dienen immers voorshands als schenkingen in de zin van art. 7:175 BW te worden aangemerkt, waardoor deze bedragen tot het vermogen van [eiseres] zijn gaan behoren. Dit zou anders kunnen zijn indien sprake was van feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat [gedaagde] de verrijking van [eiseres] niet heeft gewild, maar dat is niet het geval. Integendeel, ook [betrokkene] heeft destijds het geld dat op haar spaarrekening stond vrij kunnen opnemen, zonder tussenkomst van haar vader, zodat [eiseres] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de bedragen die [gedaagde] op háár spaarrekening had gestort, ook daadwerkelijk voor haar bestemd waren. Er is ook niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] ooit aan [eiseres] kenbaar heeft gemaakt dat dit niet zijn bedoeling was.

4.3. Nu [eiseres] als rechthebbende op het saldo van de spaarrekening wordt aangemerkt, moet het er voor worden gehouden dat [gedaagde] in beginsel onrechtmatig heeft gehandeld door dit in november 2006 op te nemen zonder haar toestemming.

Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat hij als wettelijk vertegen-woordiger van de destijds minderjarige [eiseres] het beheer had over haar vermogen, zodat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld. Voorts heeft hij er op gewezen dat hij het bedrag heeft opgenomen ter bescherming en in het belang van [eiseres], zoals bedoeld in art. 1:253i en 1:253j BW, en dat noch [eiseres], noch haar moeder daartegen toen bezwaar heeft gemaakt.

Nog daargelaten of [gedaagde] gelet op de uitspraak van de rechtbank wel het gezag over [eiseres] had - en dus het beheer c.q. bewind over de spaarrekening -, valt niet in te zien waarom het in het kader van ‘goed bewindvoerderschap’ noodzakelijk was om destijds (nagenoeg) het gehele saldo van de spaarrekening van [eiseres] op te nemen. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde] hierover verklaard dat hij op enig moment merkte dat [eiseres] c.q. haar moeder het adres dat bij de rekening hoorde had veranderd en dat hij niet meer bij het geld kon. Hieruit volgt op zichzelf echter niet dat hij er ook gerechtvaardigd voor moest vrezen dat [eiseres] hierdoor gedupeerd zou worden of dat het geld niet aan haar ten goede zou komen, terwijl hij ook verder geen argumenten heeft aangevoerd waaruit dit volgt. Waarom hij dacht dat [eiseres] van plan was het saldo geheel op te nemen heeft [gedaagde] niet nader toegelicht, terwijl ook dit er op zichzelf niet toe leidt dat er een noodzaak voor hem bestond om dit te voorkomen. De gebeurtenissen rondom [betrokkene] zijn daarvoor in ieder geval onvoldoende, alleen al omdat het hier om twee verschillende personen gaat, terwijl zonder nadere toelichting - die ontbreekt - ook niet kan worden vastgesteld dat [eiseres] tegen zichzelf (of haar moeder) in bescherming genomen diende te worden.

Dat [eiseres] (of haar moeder) niet eerder heeft geprotesteerd tegen de opname betekent niet dat zij thans geen aanspraak meer zou kunnen maken op het geld. [gedaagde] heeft ook geen juridische consequenties verbonden aan deze stelling, zodat hierop verder niet wordt ingegaan.

4.4. [gedaagde] heeft verder nog aangevoerd dat hij in de loop der jaren al diverse contante betalingen aan [eiseres], danwel haar moeder, heeft gedaan en dat hij het gevorderde bedrag

- zo niet meer - dus al aan [eiseres] heeft verstrekt. [eiseres] heeft dit weersproken, met dien verstande dat zij erkent eenmalig een bedrag van € 2.000,00 te hebben ontvangen, op haar zestiende verjaardag in oktober 2007.

Dat [gedaagde] daadwerkelijk een bedrag van € 12.940,00 (contant) aan [eiseres] heeft (terug) betaald, nadat hij dit bedrag van haar spaarrekening had gehaald op 27 november 2006, kan niet worden vastgesteld. Desgevraagd heeft [gedaagde] verklaard dat hij niet meer precies weet wanneer hij geld aan [eiseres] (of haar moeder) heeft gegeven en hoeveel dit was. Hij heeft hiervan ook geen bewijsstukken. Wel heeft hij [eiseres], naar eigen zeggen, op haar zestiende verjaardag meer gegeven dan € 2.000,00, maar over de exacte hoeveelheid heeft hij geen mededelingen gedaan. Dit brengt mee dat de stelling van [gedaagde] dat hij reeds een aanzienlijk bedrag contant aan [eiseres] heeft gegeven dat afgetrokken dient te worden van het bedrag van € 12.940,00, als onvoldoende onderbouwd moet worden verworpen en dat er ook geen aanleiding bestaat om hem toe te laten tot het leveren van bewijs op dit punt.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt overigens ook niet in te zien waarom de bedragen die [gedaagde] vóór 27 november 2006 aan [eiseres] heeft gegeven afgetrokken zouden moeten worden van het - ten onrechte - door hem op die datum opgenomen bedrag.

Ten aanzien van het door [eiseres] genoemde bedrag van € 2.000,00 wordt nog opgemerkt dat [gedaagde] bij conclusie van antwoord heeft aangegeven dat hij [eiseres] destijds heeft gevraagd of zij voor haar zestiende verjaardag een scooter of iets dergelijks wilde, omdat [betrokkene] dat ook had gekregen, maar dat [eiseres] niet op deze vraag heeft gereageerd, waarna hij haar een groot contant bedrag heeft gegeven in een enveloppe. Hieruit blijkt dat dit geld was bedoeld als verjaardagscadeau. Dat dit anders zou zijn is niet gesteld of gebleken. Ook ten aanzien van dit bedrag valt dus niet in te zien waarom dit afgetrokken zou moeten worden van het geld dat reeds aan [eiseres] toebehoorde en dat in november 2006 door [gedaagde] van haar spaarrekening is opgenomen.

4.5. Gelet op het voorgaande wordt de vordering tot betaling van € 12.940,00 toege-wezen. Ten aanzien van de gevorderde rente wordt opgemerkt dat tijdens de comparitie namens [eiseres] is aangegeven dat enkel de (subsidiaire) wettelijke rente van art. 6:119 BW wordt gevorderd en niet de wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW.

Deze rente zal, als onbetwist, worden toegewezen vanaf 27 november 2006.

4.6. De argumenten van [gedaagde] tegen de vordering van [eiseres] om het vonnis uitvoer-baar bij voorraad te verklaren worden ten slotte verworpen. Daartoe wordt overwogen dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkreeg reeds vermoed wordt het vereiste belang bij uitvoerbaarheid bij voorraad te hebben (HR 27 februari 1998, NJ 1998, 512), terwijl van het tegendeel in dit geval ook niet is gebleken.

[eiseres] heeft bovendien gemotiveerd en onderbouwd met stukken betwist dat zij op dit moment geen inkomsten zou hebben, zodat de stelling van [gedaagde] dat sprake is van een restitutierisico als onvoldoende geconcretiseerd moet wordt verworpen (HR 17 juni 1994, NJ 1994, 591). Daarbij wordt nog opgemerkt dat de mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, op zichzelf niet in de weg staan aan een uitvoerbaarverklaring bij voorraad (HR 28 mei 1993, NJ 1993, 468). Voor het stellen van (extra) zekerheid, zoals [gedaagde] heeft gevorderd, bestaat geen aanleiding.

4.7. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [eiseres] begroot op:

- dagvaarding € 73,89

- betaald vast recht 82,50

- in debet gesteld vast recht 247,50

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.307,89

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 12.940,00 (twaalfduizendnegenhonderdveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 27 november 2006 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.307,89, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Verra en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2010.