Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN3354

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
202120
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing conservatoir derdenbeslag dat nodeloos is gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 202120 / KG ZA 10-418

Vonnis in kort geding van 21 juli 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te 's-Hertogenbosch,

eiser,

advocaat mr. P.L.M.F. Roosendaal te Oss,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RCI FINANCIAL SERVICES B.V.,

gevestigd te Woerden,

gedaagde,

advocaten mr. W.B.J. van Overbeek en M.J. Bollen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en RCI genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van RCI.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. RCI houdt zich bezig met de financiering van onder meer nieuwe en gebruikte auto’s, met name voor autodealers die onderdeel uitmaken van het distributienetwerk van Renault Nederland N.V., welke vennootschap deel uitmaakt van en behoort tot dezelfde groep van ondernemingen als RCI.

2.2. [eiser] is bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser] Holding B.V., welke vennootschap bestuurder en enig aandeelhouder is van [eiser] [Z] B.V., [eiser] [X] B.V. en [eiser] Lease B.V. De vennootschappen worden hierna tezamen aangeduid als de [eiser]-vennootschappen.

2.3. [eiser] [Z] en [eiser] [X] zijn in het verleden dealer geweest van Renault Nederland N.V. In dat kader zijn er tussen RCI en [eiser] [Z] en [eiser] [X] financieringsovereenkomsten gesloten.

2.4. Na beëindiging van het dealerschap is er tussen de [eiser]-vennootschappen enerzijds en Renault Nederland en RCI anderzijds een geschil ontstaan over de afwikkeling van de dealerovereenkomsten respectievelijk financieringsovereenkomsten.

2.5. Bij (onherroepelijk) vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 september 2007 zijn de [eiser]-vennootschappen hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan RCI van een bedrag van € 775.498,15, vermeerderd met rente en kosten.

2.6. RCI is overgegaan tot executie van dat vonnis.

2.7. Uit de toelichting op de jaarrekening van [eiser] Holding van het jaar 2006 blijkt dat [eiser] Holding in totaal een vordering op [eiser] heeft ten bedrage van € 1.048.497 en dat tevens is besloten in 2007 dividend uit te keren aan [eiser] ten bedrage van € 500.000,00, teneinde de vordering op [eiser] te verlagen. Na deze dividenduitkering resteert van de vordering van [eiser] Holding op [eiser] nog een bedrag van € 548.497,00.

2.8. Gelet op deze uit de jaarrekening van [eiser] Holding af te leiden vordering van

€ 548.497,00 van [eiser] Holding op [eiser], heeft RCI op 28 mei 2008 executoriaal derdenbeslag doen leggen ten laste van [eiser] Holding onder [eiser].

2.9. [eiser] heeft in zijn verklaring derdenbeslag van 19 juni 2008 verklaard dat hij

uit hoofde van een overeenkomst van geldlening (van 20 mei 2006) een bedrag van

€ 461.000,00 aan [eiser] Holding is verschuldigd.

2.10. RCI heeft de derdenverklaring van [eiser] in rechte betwist en is op 18 augustus 2008 een “verklaringsprocedure” in de zin van artikel 477a Rv gestart tegen [eiser]. Tevens heeft RCI in diezelfde procedure vernietiging gevorderd op de voet van artikel 3:45 jo. 3:51 BW van alle door [eiser] Holding verrichte rechtshandelingen die ten grondslag liggen aan de door [eiser] Holding aan [eiser] verstrekte krediet(en) en/of gelden en het aan [eiser] verstrekte dividend in 2007.

2.11. In een tussenvonnis van 8 april 2009 van deze rechtbank in de verklaringsprocedure is onder meer, kort samengevat, geoordeeld dat [eiser] dient aan te tonen en inzichtelijk te maken:

- de afname van uit hoofde van de geldlening door [eiser] aan [eiser] Holding verschuldigde bedrag van € 635.292,00 in 2006 tot € 461.000,00 in 2008;

- de afname van de kortlopende vordering van [eiser] Holding op [eiser] van € 931.009,00 in 2005 tot € 431.205,00 in 2006; alsmede

- de afname van de hoofdsom van de geldlening van € 1.500.000,00 tot het door [eiser] als verschuldigd opgegeven bedrag van € 461.000,00.

Voorts is in dat vonnis geoordeeld dat de rechtshandeling die ten grondslag ligt aan de dividenduitkering van € 500.000,00 zal worden vernietigd op grond van artikel 3:45 BW.

2.12. In verband met de te verwachten betalingsverplichting van [eiser] uit hoofde van de verklaringsprocedure, heeft RCI ter verzekering van haar vordering op [eiser], na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 24 april 2009, in welk verlof de vordering van RCI op [eiser] door de voorzieningenrechter conform het verzoek van RCI begroot is op € 599,300,00, op 27 april 2009 ten laste van [eiser] conservatoir beslag doen leggen op de aan [eiser] in eigendom toebehorende volgende vijf onroerende zaken:

- de onroerende zaak aan de [adres 1] te [woonplaats];

- de onroerende zaak aan de [adres 2] te [woonplaats];

- de onroerende zaak aan de [adres 3] te [woonplaats];

- de onroerende zaak aan het [adres 4] te [woonplaats];

- de onroerende zaak aan de [adres 5] te [woonplaats].

2.13. Ter verzekering van haar vordering op [eiser], heeft RCI na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 2 april 2010, in welk verlof de vordering van RCI op [eiser] door de voorzieningenrechter conform het verzoek van RCI begroot is op

€ 599,000,00, op 7 april 2010 ten laste van [eiser] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder [VKV] B.V. (hierna: VKV), welke vennootschap het bedrijfspand van [eiser] aan de [adres 3] te [Z] huurt en hetgeen tot gevolg heeft dat de door die vennootschap aan [eiser] verschuldigde huurtermijnen zijn beslagen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, RCI te veroordelen:

1. om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis het ten laste van [eiser] gelegde conservatoire derdenbeslag onder VKV op te heffen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag;

2. om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] opgave te doen van de door VKV uit hoofde van het onder haar gelegde beslag aan RCI gedane uitkeringen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;

3. om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de door RCI van VKV geïncasseerde uitkeringen aan [eiser] uit te betalen door middel van overboeking op de derdengeldenrekening van de raadsman van [eiser], op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag; en

4. RCI te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat het derdenbeslag onder VKV onrechtmatig is en misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 lid 2 BW oplevert. Daartoe stelt [eiser] dat gelet op het eerdere conservatoire beslag van RCI op zijn onroerende zaken, welk beslag de vordering van RCI op [eiser] gelet op de overwaarde van de onroerende zaken ruimschoots dekt, het daarop volgende extra derdenbeslag onder VKV op de huurpenningen, zonder gewijzigde relevante omstandigheden in de relatie tussen partijen, volstrekt onnodig is en geen enkel doel dient dan [eiser] dwars te zitten en hem schade toe te brengen. Voorts stelt [eiser] dat op de beslagen huurpenningen een stil pandrecht rust ten behoeve van de bank, dat door RCI als beslaglegger geëerbiedigd dient te worden, zodat het derdenbeslag onder VKV zinloos is.

3.3. [eiser] stelt een spoedeisend belang te hebben omdat het derdenbeslag onrechtmatig is en hij daarnaast voor zijn inkomen afhankelijk is van de huurpenningen van VKV, waardoor hij door deze beslaglegging ernstig in zijn inkomen wordt gekort.

3.4. RCI voert verweer.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het bezwaar van [eiser] tegen het eerst op de zitting overleggen van een map met producties door RCI, wordt gehonoreerd. Door de late indiening van die producties van behoorlijke omvang, hoewel RCI ruimschoots de tijd had om ze eerder te overleggen, is [eiser] in zijn verdediging geschaad. Dit betekent dat die producties, met uitzondering van de producties 7, 11 en 12 (het tussenvonnis van 8 april 2009 van deze rechtbank in de verklaringsprocedure en de twee hypotheekakten) waartegen [eiser] geen bezwaar heeft, krachtens artikel 6.2 van het Proces¬reglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing zullen worden gelaten.

4.2. Met de aard van het gevorderde en het daaraan ten grondslag gelegde acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen gegeven.

4.3. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de rechtmatigheid van het conservatoire beslag op 27 april 2009 op de aan [eiser] in eigendom toebehorende onroerende zaken tussen partijen niet in geschil is. In geschil is enkel de rechtmatigheid van het daarop volgende extra conservatoir derdenbeslag op 7 april 2010 onder VKV op de door VKV aan [eiser] verschuldigde huurpenningen.

4.4. Juist is dat de vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, in beginsel dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen.

4.5. Echter, ongeacht de vraag of er sprake is van misbruik van recht, kan de opheffing van een conservatoir beslag onder meer ook worden bevolen, indien blijkt van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.6. Door [eiser] is onder meer gesteld dat de vordering van RCI op hem ten bedrage van € 599.300,00, waarvoor beslag is gelegd volledig wordt gedekt door het eerste conservatoire beslag op de aan hem in eigendom toebehorende onroerende zaken, gelet op de overwaarde van € 2.780.625 van die onroerende zaken. Nu dat beslag reeds voldoende zekerheid biedt voor de vordering van RCI, is het daaropvolgende extra derdenbeslag onder VKV onnodig en dus onrechtmatig, aldus [eiser].

4.7. RCI betwist dat het conservatoire derdenbeslag onder VKV nodeloos is gelegd.

Daartoe voert RCI het verweer dat haar vordering op [eiser] niet althans onvoldoende is afgedekt door het eerdere conservatoire beslag op de onroerende zaken van [eiser].

4.8. Volgens RCI gaat [eiser] er ten onrechte van uit dat de hoogte van haar vordering op [eiser] slechts € 599.300,00 bedraagt. Volgens RCI staat inmiddels vast dat die vordering in ieder geval tenminste € 961.000,00 bedraagt, gelet op de eigen derdenverklaring van [eiser] dat hij aan [eiser] Holding een bedrag is verschuldigd van € 461.000,00 en het tussenvonnis van 8 april 2009 van deze rechtbank waarin de dividenduitkering van € 500.000,00 is vernietigd, waardoor [eiser] die dividenduitkering terug moet betalen aan [eiser] Holding.

4.9. Hoe groot inmiddels de vordering van RCI op [eiser] zou zijn acht de voorzienin¬genrechter in het kader van de onderhavige procedure niet relevant. RCI heeft immers op basis van twee verschillende beslagrekesten (zie onder 2.12 en 2.13) verlof gevraagd om beslag te mogen leggen ten laste van [eiser] ter verzekering van haar vordering op [eiser] inclusief rente en kosten begroot op € 599.300,00. De beide beslagrekesten zijn wat betreft de grondslag, vordering en begroting van de vordering, inhoudelijk nagenoeg gelijkluidend. Dat in het tweede beslagrekest gemakshalve de tekst van het eerste beslagrekest zou zijn gebruikt en dat door een onzorgvuldigheid de begroting van de vordering niet zou zijn aangepast aan het op dat moment volgens RCI vast staande hogere bedrag van € 961.000,00, doet daar niet aan af. Vast staat immers dat door RCI in beide gevallen verlof is gevraagd en verkregen om beslag te mogen leggen tot een bedrag van € 599.300,00 (de tweede keer heeft de voorzieningen¬rechter verlof verleend tot € 599.000,00). Dit betekent dat RCI slechts is toegestaan tot dat bedrag beslag te leggen. De beide beslagen van RCI dienen dan ook enkel tot zekerheid van verhaal van dezelfde vordering van RCI op [eiser] ten bedrage van € 599.300,00. Uitgangspunt in dit kort geding is dan ook dat de vordering van RCI op [eiser] waarvoor beslag is gelegd € 599.300,00 bedraagt.

4.10. Vervolgens is de vraag aan de orde of deze vordering van € 599.300,00 van RCI op [eiser] volledig wordt gedekt door het eerste conservatoire beslag op de onroerende zaken. Met andere woorden: biedt dat beslag voldoende zekerheid aan RCI voor verhaal van zijn vordering op [eiser]? Indien dat het geval, is er geen aanleiding voor het doen leggen van een extra beslag, zodat het litigieuze derdenbeslag onder VKV dan nodeloos en dus onrechtmatig is gelegd en derhalve om die reden dient te worden opgeheven. Van belang is derhalve welke waarde de zekerheden die RCI heeft verkregen met het conservatoire beslag op de onroerende zaken vertegenwoordigen.

4.11. [eiser] stelt dat de beslagen onroerende zaken in totaal een WOZ-waarde van

€ 6.688.000,00 hebben en dat daarop in mindering dient te worden gebracht de waarde van de hypotheken die daarop rusten, zijnde in totaal € 3.907.375,00, zodat de onroerende zaken in totaal een overwaarde hebben van € 2.780.625, welk bedrag ruimschoots voldoet om de door RCI op € 599.300,00 begrote vordering waarvoor beslag is gelegd, te kunnen voldoen.

Voor de waarde van de hypotheken gaat [eiser] uit van de hypothecaire inschrijving ter hoogte van de hoofdsom van de hypothecaire geldlening.

4.12. Daartegenover stelt RCI dat de onroerende zaken helemaal geen overwaarde hebben. RCI betwist de juistheid van de berekeningsmethode van [eiser]. RCI stelt dat bij de berekening niet uit dient te worden gegaan van de WOZ-waarde zoals [eiser] stelt, maar van de lagere executiewaarde van de onroerende zaken, omdat het voor de beslaglegger gaat om de waarde die de onroerende zaken vertegenwoordigen bij een eventuele executoriale verkoop. De executiewaarde bedraagt volgens RCI 85 % van de WOZ-waarde in het geval van een onverhuurde onroerende zaak en 75 % van de WOZ-waarde indien het een verhuurde onroerende zaak betreft. Voor de bepaling van de overwaarde dient vervolgens op de executiewaarde van de onroerende zaken in mindering te worden gebracht niet slechts het lagere bedrag van de hypothecaire inschrijving ter hoogte van de hoofdsom van de hypothecaire geldlening zoals [eiser] stelt, maar het veel hogere bedrag van de hypothecaire inschrijving ter hoogte van de hoofdsom van de hypothecaire geldlening inclusief rente en kosten, aldus RCI.

4.13. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen bij het berekenen van de overwaarde van de onroerende zaken en daarmee de waarde van de zekerheden die RCI met het conservatoire beslag op de onroerende zaken reeds heeft verkregen, uitgaan van verschillende uitgangspunten .

4.14. De voorzieningenrechter kan RCI volgen dat bij deze berekening de executie¬waarde van de onroerende zaken (en de door RCI in dat kader voorgestane percentages) als uitgangspunt dient te worden genomen, nu voor de beslaglegger relevant is welk bedrag de beslagen onroerende zaak oplevert bij een eventuele openbare executoriale verkoop.

Wat betreft de hypotheekbedragen die daarop in mindering dienen te strekken zal de voorzieningenrechter bij de berekening uitgaan van de lagere hypothecaire inschrijving ter hoogte van de hoofdsom van de hypothecaire lening. Immers, [eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij geen achterstanden in de hypotheekbetalingen (zowel rente als aflossing) heeft en alle betalingen met betrekking tot die leningen keurig heeft voldaan en nog steeds voldoet, zodat er geen aanleiding is de hogere hypothecaire inschrijving ter hoogte van de hoofdsom met rente en kosten als uitgangspunt te nemen. Inachtnemende deze uitgangspunten en de overgelegde gedingstukken waaruit de verschillende relevante bedragen voortvloeien, bedraagt de overwaarde per onroerende zaak als volgt.

De onroerende zaak aan de [adres 1] te [woonplaats].

Deze onroerende zaak is niet verhuurd. De executiewaarde bedraagt 85 % van de WOZ-waarde van € 628.000,00, hetgeen neerkomt op € 533.800,00. Hierop dient in mindering te worden gebracht de hypothecaire inschrijving ter hoogte van de hoofdsom van de geldlening, zijnde € 453.000,00, zodat een overwaarde resteert van € 80.800,00.

De onroerende zaak aan de [adres 2] te [woonplaats].

Deze onroerende zaak is niet verhuurd. De executiewaarde bedraagt 85 % van de WOZ-waarde van € 1.459.000,00, hetgeen neerkomt op € 1.240.150,00. Hierop dient in mindering te worden gebracht de hypothecaire inschrijvingen ter hoogte van de hoofdsom van twee geldleningen, zijnde € 1.100.000,00 (€ 950.000,00 + € 150.000,00), zodat een overwaarde resteert van € 140.150,00.

De onroerende zaak aan de [adres 3] te [woonplaats].

Deze onroerende zaak is verhuurd. De executiewaarde bedraagt daardoor 75 % van de WOZ-waarde van € 1.022.000,00, hetgeen neerkomt op € 766.500,00. Hierop dient in mindering te worden gebracht de hypothecaire inschrijving ter hoogte van de hoofdsom van de geldlening, zijnde € 600.000,00, zodat een overwaarde resteert van € 166.500,00.

De onroerende zaak aan het [adres 4] te [woonplaats].

Deze onroerende zaak is verhuurd. De executiewaarde bedraagt 75 % van de WOZ-waarde van € 3.044.000,00, hetgeen neerkomt op € 2.283.000,00. Hierop dient in mindering te worden gebracht de hypothecaire inschrijving ter hoogte van de hoofdsom van de geldlening, zijnde € 1.604.375,00, zodat een overwaarde resteert van € 678.625,00.

De onroerende zaak aan de [adres 5] te [woonplaats].

Deze onroerende zaak is niet verhuurd. De executiewaarde bedraagt 85 % van de WOZ-waarde van € 216.000,00, hetgeen neerkomt op € 183.600,00. Deze onroerende zaak is niet belast met een recht van hypotheek, zodat de overwaarde € 183.600,00 bedraagt.

4.15. Het voorgaande komt er op neer dat de beslagen onroerende zaken in totaal een overwaarde hebben van € 1.249.675,00. Dat bedrag dekt ruimschoots de gehele vordering van RCI op [eiser] ten bedrage van € 599.300,00, waarvoor beslag is gelegd. Dit betekent dat het conservatoire beslag op de onroerende zaken RCI voldoende zekerheid verschaft voor verhaal van haar vordering. Voor een extra beslaglegging onder VKV op de huurpenningen is dan ook geen aanleiding. Het conservatoire derdenbeslag onder VKV is derhalve nodeloos en dus onrechtmatig gelegd, zodat RCI op straffe van een dwangsom zal worden veroordeeld dit beslag op te heffen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.16. De overige vorderingen zullen worden afgewezen. Er is immers sprake van een conservatoir derdenbeslag waarbij feitelijk niets is uitbetaald. VKV is slechts bevolen om het aan [eiser] verschuldigde (onder meer de huurpenningen) onder zich te houden. VKV heeft derhalve uit hoofde van het derdenbeslag geen uitkeringen aan RCI gedaan. RCI kan dan feitelijk ook niet worden veroordeeld opgave te doen van die niet gedane uitkeringen aan [eiser] noch om die niet gedane uitkeringen aan [eiser] uit te betalen.

4.17. RCI zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 87,93

- vast recht € 263,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.166,93

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt RCI om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis het ten laste van [eiser] op 7 april 2010 gelegde conservatoire derdenbeslag onder Visscher & Kerkhof B.V. op te heffen,

5.2. veroordeelt RCI om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 500.000,00 is bereikt,

5.3. veroordeelt RCI in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.166,93,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Bokx-Boom en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Siragedik op 21 juli 2010.