Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN3348

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
151654
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vordering van Delta Lloyd heeft betrekking op het bedrag dat zij uit hoofde van een verzekering heeft uitgekeerd na vermeende diefstal.

Het verlenen van medewerking aan eiser sub 1 bij het in scene zetten van diefstal van de boot door die boot weg te varen uit de jachthaven met het doel om de verzekeringspenningen op te strijken en te delen is naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig jegens de verzekeraar. Hieraan doet niet af dat gedaagde niet zelf de valse aangifte heeft gedaan. Voldoende is dat hij wetenschap had van het voornemen van eiser sub 1 om de verzekeraar op te lichten en dat hij zich daar niet van heeft gedistantieerd maar juist behulpzaam is geweest door zelf de boot uit de jachthaven weg te varen. Gedaagde heeft weliswaar nog gesteld dat hij uiteindelijk geen voordeel heeft genoten van de valse aangifte van eiser sub 1 maar dat doet aan de onrechtmatigheid niet af. Voldoende is dat de intentie bestond om de verzekeringspenningen te delen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 151654 / HA ZA 07-178

Vonnis van 14 juli 2010

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. L.E.C.M. Brandt te Arnhem,

2. de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.A.C. de Vries te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] en Delta Lloyd en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 juni 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 9 februari 2010

- de akte houdende wijziging eis van Delta Lloyd

- de antwoordakte van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser sub 1] heeft op 25 oktober 2005 aangifte gedaan van diefstal van een boot, merk [merk boot], type [type] (hierna te noemen de boot of de [merk boot]) in de periode tussen 8 en 26 oktober 2005 uit de jachthaven van Lathum.

2.2. Delta Lloyd heeft, daartoe gehouden onder de verzekeringspolis, de schade onder inhouding van een eigen risico van EUR 450,00 aan [eiser sub 1] uitgekeerd. De dagwaarde van de [merk boot] was bepaald op EUR 34.999,99.

2.3. De eigendom van de [merk boot] is na verkoop daarvan door [gedaagde] via jachtmakelaardij [betrokkene] overgegaan op een derde.

2.4. [gedaagde] is door politierechter bij vonnis van 18 december 2006 veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek vanwege diefstal van de [merk boot] en valsheid in geschrifte.

2.5. Het gerechtshof heeft in appel het vonnis van de politierechter vernietigd en [gedaagde] vrijgesproken van de ten laste gelegde diefstal van de [merk boot]. De eveneens ten laste gelegde valsheid in geschrifte heeft het gerechtshof wel bewezen verklaard.

2.6. [eiser sub 1] en Delta Lloyd hebben beslag laten leggen onder [gedaagde] op een aan [gedaagde] in eigendom toebehorende roerende zaak.

3. Het geschil

3.1. [eiser sub 1] vordert, volgens zijn toelichting ter comparitie, een bedrag van EUR 450,00.

3.2. [eiser sub 1] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd de stelling dat dit bedrag van EUR 450,00 het eigen risico vormde van de verzekering uit hoofde waarvan Delta Lloyd een uitkering heeft gedaan.

3.3. Delta Lloyd vordert, na wijziging van eis, samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 34.549,99, vermeerderd met rente en kosten waaronder beslagkosten.

3.4. Delta Lloyd heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd de stelling dat [gedaagde] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld nu hij moedwillig en actief heeft meegewerkt aan het misleiden en oplichten van Delta Lloyd met het oogmerk om de verzekeringspenningen door [eiser sub 1] te laten opstrijken en deze met elkaar te verdelen om vervolgens nog de boot aan een derde te verkopen. [gedaagde] is volgens Delta Lloyd op grond van artikel 6:102 Burgerlijk Wetboek (BW) en ook op grond van artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk voor het geheel van de vordering van Delta Lloyd.

3.5. [gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat hij de [merk boot] van [eiser sub 1] heeft gestolen. Hij betwist voorts dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens Delta Lloyd en meer in het bijzonder betwist hij dat hij Delta Lloyd zou hebben opgelicht. Verder voert hij aan dat, zelfs al er sprake zou zijn van onrechtmatig handelen aan zijn zijde, Delta Lloyd daardoor geen schade heeft geleden. De schade van Delta Lloyd is namelijk veroorzaakt door de claim van [eiser sub 1] zodat het causaal verband ontbreekt, aldus [gedaagde].

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De vordering van [eiser sub 1]

4.1. Ter comparitie heeft [eiser sub 1] aangegeven dat hij bereid is zijn eis te laten vallen nadat hem is voorgehouden dat zijn vordering in beginsel thuis hoort bij de kantonrechter. Hij heeft vervolgens echter nagelaten om de vordering jegens [gedaagde] in te trekken of de procedure door te halen. De rechtbank gaat er echter, gelet op de houding en stellingname van [eiser sub 1] ter comparitie, vanuit dat hij afstand doet van zijn vordering en derhalve geen belang meer heeft bij een beslissing. Hij zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

4.2. Er bestaat aanleiding om [eiser sub 1] te veroordelen in de kosten van [gedaagde] nu hij, achteraf bezien, [gedaagde] nodeloos in deze procedure heeft betrokken. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht EUR 930,00

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.769,32

De vordering van Delta Lloyd

4.3. De vordering van Delta Lloyd heeft betrekking op het bedrag dat zij uit hoofde van een verzekering heeft uitgekeerd aan [eiser sub 1] na de vermeende diefstal van de [merk boot].

4.4. Kern van het geschil betreft de vraag of [gedaagde] in dit verband onrechtmatig heeft gehandeld jegens Delta Lloyd.

4.5. Bij de beantwoording van deze vraag staat voorop dat [gedaagde] bij conclusie van antwoord heeft gesteld dat [eiser sub 1] hem heeft voorgesteld om de diefstal van de boot te ensceneren. Daartoe heeft [eiser sub 1] de sleutels van de boot aan [gedaagde] gegeven en [gedaagde] verzocht de boot weg te nemen uit de jachthaven. [eiser sub 1] had, volgens [gedaagde], tegen [gedaagde] gezegd dat hij dan aangifte zou doen bij de politie en vervolgens bij zijn verzekeraar de diefstal zou melden. Bij uitkering door de verzekeraar zouden [eiser sub 1] en [gedaagde] beschikken over de boot en de verzekeringspenningen. Dit voordeel zouden [gedaagde] en Schooldeman samen delen. Naar eigen zeggen heeft [gedaagde] hierna de boot meegenomen uit de haven waarna [eiser sub 1] bij de politie aangifte heeft gedaan van diefstal van zijn boot en bij de verzekeraar melding heeft gemaakt van de diefstal.

4.6. [gedaagde] heeft erkend dat hij niet had moeten meewerken aan het plan van [eiser sub 1] om op deze manier geld van de verzekering te krijgen.

4.7. Het verlenen van medewerking aan [eiser sub 1] bij het in scene zetten van diefstal van de [merk boot] door die boot weg te varen uit de jachthaven met het doel om de verzekeringspenningen op te strijken en te delen is naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig jegens de verzekeraar. Hieraan doet niet af dat [gedaagde] niet zelf de valse aangifte heeft gedaan. Voldoende is dat hij wetenschap had van het voornemen van [eiser sub 1] om de verzekeraar op te lichten en dat hij zich daar niet van heeft gedistantieerd maar juist behulpzaam is geweest door zelf de boot uit de jachthaven weg te varen. [gedaagde] heeft weliswaar nog gesteld dat hij uiteindelijk geen voordeel heeft genoten van de valse aangifte van [eiser sub 1] maar dat doet aan de onrechtmatigheid niet af. Voldoende is dat de intentie bestond om de verzekeringspenningen te delen. Overigens heeft [gedaagde] ter comparitie erkend dat hij zelf de koopsom van de [merk boot] heeft behouden zodat ook hij uiteindelijk wel voordeel heeft genoten van de in scene gezette diefstal.

4.8. In zijn antwoordakte heeft [gedaagde] vervolgens nog naar voren gebracht dat er alleen een plan heeft bestaan tussen [eiser sub 1] en [gedaagde] om een poging te doen Delta Lloyd op te lichten maar dat dit plan nooit ten uitvoer is gekomen doordat [eiser sub 1] en [gedaagde] ruzie kregen. Deze stelling strookt echter volstrekt niet met de eerdere stellingname van [gedaagde] in de conclusie van antwoord en ter comparitie. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt in het bijzonder niet in te zien waarom [gedaagde]s gedetailleerde verklaring ter comparitie over reden waarom en het tijdstip en de wijze waarop hij de boot heeft weggenomen uit de jachthaven niet juist zou zijn. Voor zover hij heeft bedoeld te stellen dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld omdat [eiser sub 1] de verzekeringspenningen uiteindelijk niet met hem heeft gedeeld, wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen omtrent het door [gedaagde] genoten voordeel.

4.9. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 6:166 BW kan het verweer van [gedaagde] inhoudende dat het causaal verband ontbreekt niet slagen. De wetenschap dat [eiser sub 1] valse aangifte zou doen teneinde op basis daarvan de verzekeringspenningen te kunnen opstrijken had [gedaagde] ervan moeten weerhouden mee te werken aan het ensceneren van de diefstal. Voor de schade die Delta Lloyd hierdoor heeft geleden, is hij hoofdelijk aansprakelijk met [eiser sub 1]. Het doet er dan niet toe dat Delta Lloyd niet tevens [eiser sub 1] in rechte heeft betrokken. In de vrijwaringsprocedure komt de interne draagplicht van beiden nog aan de orde.

4.10. De vordering van Delta Lloyd zal, gelet op het voorgaande, in hoofdsom worden toegewezen. [gedaagde] zal tevens worden veroordeeld tot vergoeding van de gevorderde wettelijke rente van de datum van uitkering van de verzekeringspenningen (30 juli 2006) nu [gedaagde] daartegen geen verweer heeft gevoerd.

4.11. Delta Lloyd heeft tevens vergoeding gevorderd van buitengerechtelijke kosten. Volgens Delta Lloyd heeft zij kosten moeten maken, bestaande uit onder meer kosten van de expert alsmede onderzoekburo’s. Zij heeft evenwel op geen enkele wijze toegelicht wat voor een expert en welke onderzoekburo’s zij waarvoor heeft ingeschakeld. Dat had wel van haar mogen verwacht, gelet op de gemotiveerde betwisting van de verschuldigdheid van de gevorderde vergoeding door [gedaagde]. Bij gebrek aan de eerder genoemde nadere toelichting dient de stelling van Delta Lloyd dat er buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt te worden gepasseerd.

4.12. Delta Lloyd vordert tevens [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op EUR 377,52 voor verschotten en EUR 384,00 voor salaris advocaat (1 rekest x EUR 384,00). Delta Lloyd en [eiser sub 1] hebben weliswaar tezamen beslag gelegd maar uit de stukken blijkt dat Delta Lloyd het vast recht heeft betaald inzake het beslagrekest en dat het ook de advocaat van Delta Lloyd is geweest die het beslagrekest heeft opgesteld en die, nadat het verlof was verleend, de deurwaarder opdracht heeft gegeven om de desbetreffende roerende zaak in beslag te nemen. Aangenomen kan worden dat Delta Lloyd aldus alleen de kosten van het beslag heeft gedragen. Zij heeft dan ook recht op de integrale vergoeding daarvan.

4.13. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Delta Lloyd worden begroot op:

- dagvaarding EUR 71,32

- vast recht 641,00

- salaris advocaat 1.344,00 (3,5 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 2.056,32

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart [eiser sub 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering,

5.2. veroordeelt [eiser sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.769,32,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. veroordeelt [gedaagde] om aan Delta Lloyd te betalen een bedrag van EUR 34.549,99 (vierendertig duizendvijfhonderdnegenenveertig euro en negenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 30 juli 2006 tot de dag van volledige betaling,

5.5. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten van Delta Lloyd, tot op heden begroot op EUR 761,52,

5.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Delta Lloyd tot op heden begroot op EUR 2.056,32,

5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2010.