Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN3343

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/5018 en 09/5020
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Planschade. Het planologische nadeel dat eisers lijden mag worden verrekend met planologisch voordeel dat zij genieten, nu het nadeel en het voordeel voortvloeien uit dezelfde planologische maatregel. Er is geen aanleiding voor het niettemin toekennen van een planschadevergoeding op grond van billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 09/5018 en 09/5020

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 29 juli 2010

inzake

[eiser 1], eiser (09/5018),

wonende te Maasbommel, vertegenwoordigd door mr. S.D. Reenen,

en

[eiser 2], eiser (09/5020),

wonende te Maasbommel, vertegenwoordigd door mr. W.J. Liebrand,

tegen

de raad van de gemeente West Maas en Waal, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 22 oktober 2009.

2. Procesverloop

Bij besluiten van 13 december 2007 heeft verweerder de verzoeken van eisers om vergoeding van planschade als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO, oud), afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit, voor zover hier van belang, heeft verweerder de hiertegen ingediende bezwaren deels gegrond verklaard en de bestreden primaire besluiten van 13 december 2007 herroepen, met dien verstande dat aan [eiser 1] een planschadevergoeding van € 6000, en aan [eiser 2] een planschadevergoeding van € 5000 wordt toegekend, beide te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van betaling.

Tegen dit besluit is door beide eisers separaat beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank van 24 juni 2010. [eiser 2] is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Liebrand, advocaat te Oss. [eiser 1] is vertegenwoordigd door mr. S.D. Reenen, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda.

3. Overwegingen

3.1. [eiser 1] is sinds 3 juli 1989 eigenaar van het perceel met woning aan de [adres 1]. [eiser 2] is sinds 2 oktober 1980 eigenaar van het perceel met woning aan de [adres 2].

Eisers stellen beiden schade te hebben geleden als gevolg van de op 5 juli 2000 verleende vrijstelling ex artikel 19 van de WRO ten behoeve van de bouw van 50 recreatiewoningen aan de [adres 3].

3.2. Verweerder heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (verder: de SAOZ) verzocht omtrent dit verzoek advies uit te brengen. In afwijking van het in juni 2005 door de SAOZ uitgebrachte advies, heeft verweerder de beide verzoeken van eisers om planschadevergoeding in de primaire besluiten van 13 december 2007 afgewezen.

In het bestreden besluit heeft verweerder, met inachtneming van het door verweerder gevraagde aanvullende advies van Gloudemans Taxatie- en adviesbureau alsnog een planschadevergoeding toegekend van € 6000 aan [eiser 1] en € 5000 aan [eiser 2].

3.3. Niet in geschil is dat het planologische nadeel voor beide eisers hoger is dan de bedragen die door verweerder zijn toegekend. De SAOZ heeft het nadeel voor [eiser 1] berekend op € 16.000 en voor [eiser 2] op € 12.500. Verweerder heeft echter het planologische voordeel dat voor eisers voortvloeit uit het besluit van 15 september 1998 tot verlening van vrijstelling ex artikel 19 van de WRO ten behoeve van de realisering van het "Dijkverbeteringsplan West Maas en Waal-oost" met dit nadeel verrekend. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder deze verrekening heeft mogen toepassen.

3.4. [eiser 2] heeft allereerst betoogd dat de ongegrondverklaring van de bezwaren in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, nu slechts wordt gerefereerd aan een raadsvoorstel, zonder dat expliciet wordt verwezen naar de inhoud daarvan.

De rechtbank volgt [eiser 2] hierin niet. Zoals blijkt uit het raadsbesluit, heeft verweerder besloten gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 1 september 2009. Het besluit berust aldus op de motivering zoals opgenomen in het voorstel. Dit voorstel is bovendien gevoegd bij het schrijven van burgemeester en wethouders van 2 november 2009, waarbij het raadsbesluit aan eisers is bekendgemaakt. De motivering is aldus voldoende kenbaar voor eisers.

3.5. De rechtbank stelt vast dat de beide verzoeken om planschadevergoeding zijn ingediend vóór 1 september 2005. Ingevolge artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening is het recht van toepassing zoals dat gold tot die datum.

Ingevolge artikel 49 van de WRO (oud), zoals dat tot die datum luidde en voor zover hier van belang, kent de raad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van onder meer het besluit omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 19, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Bij toepassing van dit artikel moet in beginsel een beoordeling per afzonderlijke planologische maatregel worden gemaakt. Er bestaat in beginsel dan ook slechts ruimte voor verrekening van planologisch nadeel met planologisch voordeel, wanneer die voor- en nadelen voortvloeien uit dezelfde planologische maatregel. Blijkens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer haar uitspraak van 7 april 2004, LJN AO7105) bestaat aanleiding voor een uitzondering op dit uitgangspunt wanneer aangenomen kan worden dat de planologische maatregel waaruit voordelen voortvloeien en die waaruit nadelen voortvloeien, zo nauw verweven zijn, dat de voor- en nadelen geacht kunnen worden voort te vloeien uit hetzelfde planologische regime.

Volgens verweerder is een dergelijke situatie hier aan de orde. Eisers betwisten dat.

3.6. De rechtbank stelt vast dat burgemeester en wethouders van West Maas en Waal bij besluit van 15 september 1998 aan het polderdistrict Groot Maas en Waal (onder meer) vrijstelling hebben verleend ten behoeve van de realisering van het Dijkverbeteringsplan West Maas en Waal-oost. Dit dijkverbeteringsplan is op 15 juni 1998 vastgesteld door het gecombineerd College van het polderdistrict Groot Maas en Waal en is op 18 augustus 1998 goedgekeurd door gedeputeerde staten van Gelderland. Van het verzoek om vrijstelling maakte het (ontwerp-)dijkverbeteringsplan deel uit. Tevens maakte van die aanvraag een situatietekening deel uit, aangeduid als "situatietekening M". Op deze situatietekening M is aangegeven op welke wijze wordt voorzien in compenserende maatregelen ten behoeve van het Watersportcentrum Maasbommel, die noodzakelijk waren geworden door het dijkverbeteringsplan. Op de tekening zijn verschillende zones ingetekend langs de dijk, waaronder zones ten behoeve van drijvende en semi-drijvende recreatieverblijven.

Bij besluit van 5 juli 2000 is door burgemeester en wethouders van West Maas en Waal aan Watersportcentrum Maasbommel vrijstelling verleend voor de bouw van 50 recreatiewoningen. Door verweerder is onbetwist gesteld dat ten behoeve van deze vrijstelling geen afzonderlijke terinzagelegging heeft plaatsgevonden, geen nieuwe ruimtelijke onderbouwing is opgesteld en geen nieuwe verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten van Gelderland is gevraagd. Er is slechts volstaan met een verwijzing naar het vrijstellingsbesluit van 15 september 1998.

De rechtbank overweegt dat met de verlening van de eerste vrijstelling reeds een gedetailleerd beeld is gegeven, met concrete begrenzingen, van de beoogde nieuwe planologische situatie. Het aanwijzen van een zone waarbinnen de recreatiewoningen werden toegestaan, maakte daarvan al expliciet deel uit. De vrijstelling van 5 juli 2000 heeft geen verandering gebracht in die reeds gemaakte, kenbare planologische afweging. De rechtbank kan verweerder volgen in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat voor verlening van bouwvergunning voor de recreatiewoningen geen nieuwe vrijstelling was vereist, en dat daartoe de vrijstelling van 15 september 1998 had kunnen worden benut. Schade die eisers hebben geleden als gevolg van de mogelijkheid om recreatiewoningen te bouwen op de bewuste locatie, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet geacht worden voort te vloeien uit het vrijstellingsbesluit van 5 juli 2000, maar reeds uit het vrijstellingsbesluit van 15 september 1998. Dat is naar het oordeel van de rechtbank dan ook het schadeveroorzakende besluit waarop het verzoek van eisers geacht moet worden betrekking te hebben. De planologische voordelen uit datzelfde besluit heeft verweerder met die nadelen mogen verrekenen. De opvatting van verweerder dat sprake is van een zodanig nauwe verwevenheid van de beide vrijstellingen, dat van één planologisch regime kan worden gesproken, leidt tot dezelfde uitkomst.

De omstandigheid dat de beide vrijstellingen aan verschillende personen zijn verleend, doet aan het voorgaande niet af. De toepasselijkheid van een planologisch regime is niet afhankelijk van de vraag wie op welk moment overgaat tot realisering van de mogelijkheden die dat planologische regime biedt.

3.7. [eiser 2] heeft zich op het standpunt gesteld dat verrekening billijkheidshalve achterwege had moeten blijven, nu het voordeel door vele personen wordt genoten, maar het nadeel door slechts een beperkt aantal personen.

Dit betoog faalt. Ook voordelen die door een grote groep personen worden genoten hebben een positief effect op de woonsituatie van eisers en de waarde van hun woningen. Door die voordelen vermindert de planschade die voortvloeit uit de nadelen. Voor het niettemin in zoverre toekennen van een schadevergoeding op grond van billijkheid biedt artikel 49 van de WRO geen ruimte. Het enkele feit dat eisers aldus niet in even grote mate voordeel genieten als anderen, maakt voorts nog niet dat sprake is van rechtsongelijkheid. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 december 2002 (LJN AF1451).

3.8. Nu de omvang van het voordeel dat door eisers is genoten door hen als zodanig niet is betwist, is de rechtbank op grond van het bovenstaande van oordeel dat de stellingen van eisers tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.J.M. Besselink, als voorzitter, mr. G.A. van der Straaten en mr. F.H. de Vries als rechters, in in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op:29 juli 2010