Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN3298

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-08-2010
Datum publicatie
05-08-2010
Zaaknummer
10/545
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wraking ex artikel 512 Sv. Wraking van een rechter-commissaris na terugverwijzing door de Hoge Raad van een zaak naar het Gerechtshof ’s Hertogenbosch die in eerste aanleg door de rechtbank Arnhem en in hoger beroep door het Gerechtshof Arnhem is behandeld. Niet gebleken van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Wrakingskamer

parketnummer: 20 / 001 762 - 10 (Gerechtshof ’s Hertogenbosch)

registratienummer: 10/545

Beschikking van 5 augustus 2010

inzake

[verzoe[verzoeker],

wonende te [woonplaats]

verzoeker tot wraking,

advocaat/gemachtigde mr. W.J.E. Hendriks te Amsterdam,

en

mr. W.A. Holland,

in zijn hoedanigheid van rechter-commissaris in de strafzaak tegen [verzoeker]

(parketnummer Gerechtshof ’s Hertogenbosch 20 / 001 762 - 10)

1. De procedure

1.1. Bij schrijven van 2 juli 2010 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen

mr. W.A. Holland (hierna: mr. Holland).

1.2. Op 29 juli 2010 is het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld. Verzoeker is daar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Mr. Holland is eveneens verschenen, alwaar hij te kennen heeft gegeven niet in de wraking te berusten en verweer heeft gevoerd.

2. De feiten

2.1. Bij brief van 3 mei 2010 heeft gemachtigde zich namens verzoeker gewend tot de voorzitter van de strafkamer bij het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch, mr. H.D. Bergkotte (hierna: mr. Bergkotte), met een opgave van onderzoekswensen, vooruitlopend op de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker. Een kopie hiervan is aan mr. Holland gezonden, met de mededeling de brief zo nodig op te vatten als een verzoek tot het verrichten van onderzoek als bedoeld in artikel 411a Wetboek van Strafvordering (Sv), hierna aangeduid met: het verzoek. Op 4 mei 2010 heeft dhr. [naam medewerker], medewerker van het kabinet van de rechter-commissaris te Arnhem (hierna: [naam medewerker]) telefonisch contact gehad met de gemachtigde van verzoeker naar aanleiding van diens brief. Bij brief van 17 mei 2010 aan de rechter-commissaris in de rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft gemachtigde van verzoeker zijn verzoek nader aangevuld. Bij e-mailbericht van 27 mei 2010 heeft mr. Holland aan mr. Bergkotte een reactie gevraagd op zijn voorlopige standpunt de onderzoekswensen van verzoeker in een regiezitting bij het gerechtshof aan de orde te laten komen en daarop vooruitlopend niet alvast onderzoekshandelingen te gaan verrichten. Bij e-mailbericht van 17 juni 2010 aan mr. Holland (met afschrift aan de gemachtigde van verzoeker) heeft mr. Bergkotte hierop geantwoord, in die zin dat het hem praktisch voorkomt om alsdan (namelijk op de reeds geplande regiezitting van 16 september 2010) alle verdedigingswensen tezamen te beoordelen.

Bij beslissing van 21 juni 2010 heeft mr. Holland het verzoek ex artikel 411a Sv afgewezen. Bij brief van 30 juni 2010 aan de gemachtigde van verzoeker heeft mr. Holland medegedeeld dat hij (en niet de rechter-commissaris te 's-Hertogenbosch) op grond van artikel 411a Sv de bevoegde rechter-commissaris is en dat hij het wat merkwaardig vindt een artikel 411a-verzoek te gieten in de vorm van een slotopmerking in een aan de voorzitter van het gerechtshof gerichte brief.

3. Het wrakingsverzoek en het verweer

3.1. Verzoeker stelt - zakelijk weergegeven - dat de onpartijdigheid van mr. Holland schade heeft geleden. Hij voert daartoe het volgende aan.

1) mr. Holland geeft een onlogische uitleg over zijn wetenschap over de contacten tussen de

griffies van de rechter-commissaris te Arnhem en de rechter-commissaris te 's-Hertogenbosch

en de rol van de raadsman daarbij;

2) mr. Holland merkt op dat het verzoek ex artikel 411a op 'merkwaardige' wijze is ingediend;

3) mr. Holland geeft een aantoonbaar onjuiste uitleg over de contacten tussen hem en mr.

Bergkotte;

4) mr. Holland heeft ongemotiveerd en zonder een nadere uitleg zijn onderzoekswensen niet

gehonoreerd.

3.2. Mr. Holland heeft als verweer, kort gezegd, het volgende aangevoerd. Hij heeft nooit ontkend dat hij met mr. Bergkotte contact heeft gehad. Dit stond hem ook vrij, gezien het feit dat hij zelfstandig beslissingsbevoegd is en het verzoek van 3 mei 2010 was gericht aan de voorzitter van de sector strafrecht bij het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch. Hij betwist dat hij het verzoek ongemotiveerd heeft afgewezen, nu in zijn schriftelijke beslissing wel degelijk de redenen van de afwijzing zijn vermeld. Mr. Holland is voorts niet op de hoogte van de inhoud van het telefonisch contact tussen de griffies van het kabinet van de rechter-commissaris in ’s Hertogenbosch en in Arnhem en de gemachtigde, zo dat er kennelijk is geweest.

4. De beoordeling

4.1. Gelet op artikel 512 Sv dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid bij de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM (en artikel 14 lid 1 IVBPR) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

4.3 Op grond van artikel 513, eerste lid, Sv wordt het verzoek tot wraking gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Een later ingediend verzoek kan niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.4 Het wrakingsverzoek is ingediend enkele dagen nadat mr. Holland bij brief van 30 juni 2010 een reactie aan gemachtigde van verzoeker heeft gegeven op zijn bezwaar van 27 juni 2010, gericht tegen de afwijzing van het verzoek. Op dat moment is verzoeker met alle feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het wrakingsverzoek bekend geworden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het wrakingsverzoek dat is ingediend tegen mr. Holland tijdig is ingediend zodat dit verzoek ontvankelijk is.

4.5 Met betrekking tot de vraag of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, overweegt de rechtbank als volgt.

4.6 Blijkens de telefoonnotitie van de gemachtigde van verzoeker, opgesteld naar aanleiding van het telefonisch contact van [naam medewerker] met de gemachtigde op 4 mei 2010, heeft [naam medewerker] bericht dat de zaak aan de rechter-commissaris in ‘s Hertogenbosch wordt overgedragen omdat Arnhem “belast” is en de Hoge Raad ook op de rol van de rechter-commissaris opmerkingen had. Verder zou [naam medewerker] met zijn collega in ‘s Hertogenbosch, [naam medewerker], contact opnemen.

Mr. Holland heeft ter zitting aangevoerd dat er naar aanleiding van het artikel 411a-verzoek intern discussie is geweest over de juridische aspecten hiervan (onder meer over de vraag welke rechter-commissaris relatief bevoegd is na verwijzing van een zaak door de Hoge Raad). De rechtbank is niet gebleken dat mr. Holland betrokken is geweest bij het bewuste telefoongesprek. De inhoud van dit gesprek kan ook niet aan hem worden toegerekend, in ieder geval niet in het kader van het onderhavige wrakingsverzoek nu het daarbij gaat om de vraag of mr. Holland zich persoonlijk op zodanige wijze heeft uitgelaten of gedragen dat gerede twijfel kan ontstaan omtrent diens onpartijdigheid. Het feit dat er binnen en buiten het kabinet van de rechter-commissaris kennelijk verwarring is ontstaan over de verdere voortgang van de zaak en de vraag welke rechter-commissaris (in Arnhem dan wel in 's-Hertogenbosch) het verzoek zou behandelen, is betreurenswaardig, maar kan op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat de onpartijdigheid van mr. Holland geweld wordt aangedaan.

Het feit dat mr. Holland vervolgens blijkens zijn e-mailbericht van 27 mei 2010 van mening was dat de rechter-commissaris te Arnhem de bevoegde rechter-commissaris was, is naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid die de conclusie rechtvaardigt dat zijn onpartijdigheid schade heeft geleden. Er zijn geen aanwijzingen dat mr. Holland feitelijk al eerder een andere beslissing had genomen, nog afgezien van de vraag of een dergelijke koerswijziging omtrent een zuiver juridisch standpunt een wrakingsverzoek zou kunnen dragen. Verzoeker heeft onvoldoende gesteld om op dit punt tot een ander oordeel te kunnen leiden.

4.7 De rechtbank is verder gebleken dat mr. Bergkotte in zijn e-mailbericht van 12 juli 2010 aan gemachtigde van verzoeker heeft meegedeeld dat mr. Holland zich naar aanleiding van het verzoek van 3 mei 2010 tot hem heeft gewend met de vraag hoe te handelen. Na kennisneming van het verzoek van 3 mei 2010 heeft mr. Bergkotte bij e-mailbericht van 17 juni 2010 mr. Holland geantwoord. Hierin heeft hij meegedeeld dat het hem praktisch voorkomt alle onderzoekswensen op de op 16 september 2010 te houden regiezitting samen te beoordelen en dat hij zonder tegenbericht erop vertrouwt dat mr. Holland hiermee akkoord is. Anders dan verzoeker meent, is de rechtbank uit de correspondentie van mr. Holland aan gemachtigde van verzoeker niet gebleken dat hij een andere uitleg geeft aan het contact dat met mr. Bergkotte heeft plaatsgevonden. Hieruit blijkt geenszins dat mr. Holland op enig moment heeft gesteld dat hij geen contact heeft gehad met mr. Bergkotte. Mr. Holland heeft in zijn brief van 30 juni 2010 slechts vermeld dat hij, anders dan de gemachtigde van verzoeker kennelijk meende,in zijn brief van 21 juni 2010, niet heeft gesteld dat hij telefonisch overleg had gehad met de voorzitter (hij stelde in die brief alleen dat hij contact had opgenomen met het gerechtshof).

4.8 De rechtbank overweegt voorts dat het een gangbare praktijk is dat er overleg plaatsvindt tussen het kabinet van de rechter-commissaris en de zittingsrechter die de strafzaak behandelt. Nu in de onderhavige procedure de zaak door de Hoge Raad is verwezen naar het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch, valt niet in te zien dat een dergelijk overleg, maar nu met de zittingsrechter in 's-Hertogenbosch, is strijd komt met het bepaalde in artikel 12 van de Wet op de rechterlijke organisatie, te meer daar niet is gesteld, noch is gebleken dat er contact is geweest, anders dan over procedurele en praktische aangelegenheden Dit is niet een kwestie waarop artikel 12 RO ziet. De omstandigheid dat mr. Bergkotte in zijn e-mailbericht van 17 juni 2010 de suggestie doet om alle onderzoeksvragen op een regiezitting te behandelen, zoals ook was voorgesteld door mr. Holland, rechtvaardigt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet de conclusie dat mr. Holland niet zelfstandig tot een afwijzing van het verzoek is gekomen, juist omdat mr. Holland klaarblijkelijk ook al die mening was toegedaan. Bovendien is het verzoek afgewezen in verband met onvoldoende agendaruimte binnen het kabinet te Arnhem. Hieruit valt naar het oordeel van de rechtbank geen partijdigheid, noch een schijn van partijdigheid af te leiden.

4.9 Aan de stelling van verzoeker dat mr. Holland de belangen van de verdediging bij zijn beslissing op het verzoek had behoren te betrekken, gaat de rechtbank voorbij, omdat de rechtbank in het kader van de wraking niet de inhoud van de afwijzing beoordeelt.

4.10 Ten slotte heeft gemachtigde van verzoeker zich op het standpunt gesteld dat de opmerking van mr. Holland, inhoudende dat het verzoek ex artikel 411a Sv op merkwaardige wijze is ingediend - in onderling verband en samenhang beschouwd met de andere bezwaren van verzoeker tegen de handelwijze van mr. Holland - de schijn van partijdigheid oproept.

Nu hiervoor is overwogen dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden, brengt de opmerking van mr. Holland, hoewel

in zijn algemeenheid sprake is van een wat ongelukkige gang van zaken, evenmin met zich mee dat zijn onpartijdigheid toch in geding is.

4.11 Het voorgaande leidt ertoe dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Wiegman, voorzitter, mrs. F.J.H. Hovens en C. van Linschoten in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.W. Bolzoni en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2010

de griffier Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beschikking ondertekend door

mr. Hovens

mr. M.W. Bolzoni

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.