Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN3276

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-08-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
05/720379-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag op hoofdagent politie Gelderland-Midden.

Een gevangenisstraf voor de duur van 237 (tweehonderdzevenendertig) dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 120 (honderdentwintig) dagen niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/720379-10

Datum zitting : 20 juli 2010

Datum uitspraak : 3 augustus 2010

Promis II

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : 23 januari 1983 te Wroclaw (Polen),

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

thans gedetineerd in PI Zuid Oost - HvB Ter Peel, Paterstraat 4

Evertsoord.

Raadsvrouw : mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 08 april 2010 te Wageningen,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn

bediening, als hoofdagent van politie Gelderland-Midden, van het leven te

beroven, opzettelijk een of meerdere steekbeweging(en) met een mes, althans

een scherp voorwerp, in de richting van het lichaam (ter hoogte van de borst

en/of buik) van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

zij op of omstreeks 08 april 2010 te Wageningen,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer],

gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, als

hoofdagent van politie Gelderland-Midden, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

toe te brengen, opzettelijk een of meermalen met een mes, althans een scherp

voorwerp, (een) stekende beweging(en) in de richting van het lichaam (ter

hoogte van de borst en/of buik) van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 304 ahf/subs 2 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 08 april 2010 te Wageningen opzettelijk en wederrechtelijk

een bulldozer/graafmachine, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [betrokkene1] en/of [naam firma], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, en aldus dat goed heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt, door toen, daar, met een of

meerdere ste(e)n(en)/klinker(s), althans een of meerdere harde voorwerp(en),

tegen/op voornoemde bulldozer/graafmachine te gooien;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 20 juli 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Al hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is vertaald door een tolk in de Poolse taal, mevrouw [naam tolk]. Verdachte is bijgestaan door mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is eveneens ter terechtzitting verschenen: [slachtoffer]

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 300,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis.

2b. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. De raadsvrouw betoogt dat er sprake is van een onrechtmatige aanhouding nu zonder een zogenaamde heterdaad situatie en zonder last tot binnentreden, de woning van cliënte is betreden. Dit maakt de aanhouding onrechtmatig en daarom dient al hetgeen daarop is gevolgd, dus ook de door haar cliënte afgelegde verklaring, van het bewijs te worden uitgesloten.

Ook hebben verbalisanten de woning doorzocht zonder desbetreffende machtiging.

Ten slotte zijn de beginselen van behoorlijke procesorde geschonden door het onprofessionele optreden van verbalisanten voor, gedurende en na de aanhouding. Cliënte is na de aanhouding zonder noodzaak gepepperd. Ook heeft cliënte onder erbarmelijke omstandigheden de inverzekeringstelling doorgebracht.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat er geen sprake is van een schending van de beginselen van een behoorlijk procesorde en dat hij ontvankelijk is in de vervolging. De aanhouding van verdachte was rechtmatig nu zij op heterdaad is aangehouden en de verbalisanten op grond van artikel 55 tweede lid Wetboek van Strafvordering, ter aanhouding elke plaats en dus ook een woning, mochten betreden. Verbalisanten hebben zich gelegitimeerd en verdachte aanvankelijk in het Nederlands aangesproken. Toen zij bemerkten dat verdachte de Nederlandse taal niet machtig was, hebben zij de aanhouding in het Engels vervolgd. Verbalisanten hebben gedurende en na de aanhouding het kooktoestel uitgezet en de pan van het kooktoestel gehaald, juist met de bedoeling om schade te voorkomen. Voorts is er geen sprake geweest van een doorzoeking maar heeft verbalisant [verbalisant1] alleen naar de sleutels van verdachte gezocht om de woning te kunnen afsluiten. Dat verdachte in de auto zo tekeer ging en zichzelf eenmaal op het politie-bureau in de isoleercel waar extra toezicht op verdachte gehouden kon worden, besmeurd heeft met onder andere ontlasting, heeft zij aan zichzelf te wijten en kan de politie niet worden aangerekend.

De beoordeling door de rechtbank

Op 8 april 2010 komt om 12.15 uur een melding bij de meldkamer binnen en gaan verbalisanten ter plaatse. Na kort gesproken te hebben met de heer [betrokkene2], die zijn verhaal deed over het gooien met voorwerpen naar de graafmachine, horen verbalisanten dat verdachte de woning aan het perceel op nummer [x] is binnengegaan. Verbalisanten begeven zich naar deze woning en delen bij de voordeur de reden van hun komst mee. Wanneer verdachte in het Engels groet, delen de verbalisanten nogmaals in het Engels mee wat de reden van hun komst is. Vervolgens wordt verdachte op 8 april 2010 om 12.40 uur aangehouden. Nu er na de melding sprake is van voortdurende opsporingshandelingen en er relatief weinig tijd verstreken is tussen het feit en het optreden van de agenten, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aanhouding op heterdaad ter zake van vernieling.

Op grond van artikel 55, tweede lid, Wetboek van Strafvordering mogen verbalisanten bij ontdekking op heterdaad elke plaats betreden en dus ook een woning. Echter, ingevolge artikel 2 lid 1 van de Algemene Wet op het binnentreden is voor het betreden van een woning wel een schriftelijke machtiging vereist indien de bewoner geen toestemming geeft om de woning te betreden. In casu is niet gebleken dat verdachte daarvoor toestemming heeft gegeven. Ook is geen (schriftelijke) machtiging tot binnentreden afgegeven. Verbalisant [verbalisant2] doet, na verdachte te hebben medegedeeld dat zij is aangehouden, één stap in de woning van verdachte om de kookplaat uit te draaien en een pan te verzetten omdat verdachte onverstoorbaar door gaat met koken. Dat verdachte op dat moment reeds is aangehouden en mee moest met de politie, is haar voldoende duidelijk, zo blijkt uit de verklaring van verdachte ter zitting. Ook had verdachte de cautie gekregen. Op het moment dat verdachte het mes pakt staat de verbalisant [verbalisant2] met één voet in de woning en één voet op de galerij. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een vormverzuim, te weten het niet voorhanden hebben van een schriftelijke machtiging tot binnentreden en dat dit vormverzuim onherstelbaar is. De rechtbank is echter van oordeel dat de schending niet dermate ernstig is dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid, nu niet is geble-ken dat dit is gebeurd met de vooropgezette bedoeling de rechten van verdachte te schenden .De rechtbank zal aan deze schending dan ook geen consequenties verbinden, gelezen artikel 359a Wetboek van Strafvordering (HR 30-03-2004, NJ 2004, 376).

Het verweer van de raadsvrouw dat er na de aanhouding een doorzoeking heeft plaatsgevonden verwerpt de rechtbank. Verbalisant [verbalisant1], die ook bij de aanhouding betrokken is, heeft nadat verdachte geboeid is in de woonkamer van verdachte een bosje sleutels aangetroffen. [verbalisant1] heeft deze gebruikt om de woning na vertrek af te sluiten. Een dergelijke handeling valt niet onder het begrip doorzoeking.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van hetgeen na de aanhouding van verdachte is gebeurd. Na het steekincident is de situatie in de kleine ruimte waar verdachte en verbalisanten zich bevonden, chaotisch. Verdachte wordt tegen de muur gedrukt om haar te stabiliseren. Verdachte is vervolgens ‘gepepperd’ omdat zij het mes niet los wilde laten. Artikel 12b van de Ambtsinstructie bepaalt dat - kort gezegd- de ambtenaar onmiddellijk voordat hij gericht pepperspray zal gebruiken een waarschuwing moet geven, tenzij de omstandigheden van het geval het geven van een waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten. Of dit in casu gebeurd is, blijkt niet. In de gegeven omstandigheden kon het geven van een waarschuwing echter in redelijkheid niet worden verlangd. Immers, verdachte was van meet af aan niet-ontvankelijk voor vragen en opmerkingen van de agenten, zij ging onverstoorbaar door met koken en greep onverhoeds een mes en maakte daarmee twee stekende bewegingen naar één van de verbalisanten, zoals hierna bij het bewijs nader aan de orde zal komen. Ook nadat verbalisant [verbalisant2] de arm van verdachte vast had en vergeefs had gepoogd haar het mes te ontnemen, liet zij niet los. Ook

nadat ze tegen de grond was gewerkt, liet zij niet los. Zolang verdachte dat mes in haar hand had en zich volstrekt onvoorspelbaar gedroeg, bestond er een onmiddellijk dreigend (levens)gevaar voor verbalisanten, mede gezien de zeer kleine, geen enkele bewegingsruimte overlatende ruimte waarin zij zich bevonden.

Ook gedurende het vervoer naar het politiebureau verzet verdachte zich hevig. Gedurende de inverzekeringstelling op het politiebureau vinden er ook de nodige incidenten plaats die gerelateerd zijn in een afzonderlijke aangifte en een proces-verbaal bevindingen. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank aan zichzelf te wijten dat het transport niet rustig verlopen is. Ook de toestanden op het politiebureau komen voor rekening voor verdachte en raken de ont-vankelijkheid van de officier van justitie niet.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

3. De beslissing inzake het bewijs

Vrijspraak ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist verdachte vrij te spreken van het onder feit 2 tenlastegelegde nu niet vast te stellen is dat er schade aan de graafmachine is die het gevolg is van het handelen van verdachte.

Standpunt verdediging.

Ook de raadsvrouw betoogt dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de schade die in de aangifte vermeld is, veroorzaakt is door het handelen van verdachte. De raadsvrouw bepleit een vrijspraak ten aanzien van dit feit.

De beoordeling door de rechtbank

In de aangifte wordt vermeld dat een van de bulldozers schade had, er was een raampje kapot, de rechterachterdeur was ingedeukt en had verfschade en de ‘hydrolictank’ had verfschade. Uit het verhoor van de bestuurder, [betrokkene2], blijkt dat hij zag dat een vrouw klinkers naar de bulldozer gooide die hij, [betrokkene2], op dat moment bestuurde. [betrokkene2] verklaart niet over de ontstane schade. Ook [betrokkene3] is als getuige gehoord. [betrokkene3] ziet een vrouw stenen of hompen klei oprapen en tegen een bulldozer aangooien. Van Oostenbrugge ziet niet of hierdoor schade aan de bulldozer ontstaat. Verdachte zelf verklaart op het onderzoek ter terechtzitting niet met klinkers gegooid te hebben maar met brokken aarde waar mogelijk een klein stukje beton in zat.

Conclusie

De rechtbank deelt de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw dat niet vast te stellen is of het handelen van verdachte schade veroorzaakt heeft en welke schade dat dan zou zijn. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde.

Feit 1

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 8 april 2010 is de politie tussen 12.15 en 12.40 uur bij verdachte aan de deur geweest. De politie heeft verdachte daarbij aangehouden op verdenking van het plegen van vernieling. Ver-dachte stond in haar woning te koken, de keuken bevond zich direct achter de voordeur. Verdachte heeft op enig moment een mes in haar hand gehad. [slachtoffer], hoofdagent van politie Gelderland-Midden bevond zich op dat moment in de onmiddellijke nabijheid van verdachte.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte op enig moment een mes pakt en hiermee tot tweemaal toe stekende bewegingen in de richting van de buikstreek van [verbalisant2] maakt. De afstand tussen verdachte en [verbalisant2] bedraagt daarbij circa 30 centimeter. Door deze handelingen heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat [verbalisant2] in vitale lichaamsde-len geraakt zou worden en als gevolg hiervan zou kunnen komen te overlijden. De officier van justitie acht het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. De verklaringen van verdachte zijn het resultaat van het onrechtmatige onderzoek en dienen dus voor het bewijs te worden uitgesloten. Nu er voor het overige geen bewijsmiddelen zijn, dient haar cliënte van het onder 1 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Om redenen als hiervoor uiteengezet ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, is de rechtbank van oordeel dat bewijsuitsluiting als gevolg van het vormverzuim inzake de machtiging tot binnentreden, niet aan de orde is.

Voor het overige overweegt de rechtbank als volgt.

Nadat verbalisant [verbalisant2] de kookplaat uit heeft gedraaid, ziet hij dat verdachte met haar linkerhand iets pakt. Verdachte maakt dan een draaiende beweging door met haar linkerarm voor haar lichaam langs naar rechts te draaien waarbij verdachte recht tegenover [verbalisant2] komt te staan. [verbalisant2] ziet dan dat verdachte een mes vast heeft. Verdachte maakt een stekende beweging naar voren en kijkt daarbij [verbalisant2] aan. [verbalisant2] maakt een stap naar achteren waarna verdachte nogmaals een stekende beweging in de richting van [verbalisant2] maakt. De stekende bewegingen zijn gericht op de ruimte tussen de borst- en buikholte van [verbalisant2]. Verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard de betreffende verbalisant niet te hebben willen doodsteken. Verdachte heeft echter door op zeer korte afstand, verkerend in een hevig emotionele toestand, meerdere stekende bewegingen met een aanzienlijk mes te maken in de richting van de buikstreek van [verbalisant2] waar zich vitale organen bevinden, de aanmerkelijke kans aanvaard dat [verbalisant2] zou worden geraakt en als gevolg hiervan zou kunnen komen te overlijden. De rechtbank acht het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

1.

zij op 08 april 2010 te Wageningen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer], gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, als hoofdagent van politie Gelderland-Midden, van het leven te beroven, opzettelijk meerdere steekbewegingen met een mes, in de richting van het lichaam ter hoogte van de borst en/of buik van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft primair aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikke-ijke en wederrechtelijke aanranding door de politie waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Subsidiair voert de raadsvrouw aan dat er sprake is van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door angst, waardoor de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden. Meer subsidiair voert de raadsvrouw aan dat het gebruik van het mes een verdedigingshandeling is geweest op grond van een verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de noodzaak van verdediging (putatief noodweer). Meest subsidiair voert de raadsvrouw aan dat voor zover de verdediging van verdachte met betrekking tot het putatief noodweer disproportioneel of niet subsidiair is geweest, er sprake is van een putatief noodweerexces. Verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat er geen sprake is van een ogenblikkelijke wederrecht-lijke aanranding. Verdachte wist dat zij te maken had met de politie en in de aanhouding zat een opbouw aan handelingen. Ook het beroep op putatief noodweerexces gaat daarom niet op. De officier van justitie verwerpt de verweren van de raadsvrouw.

De beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank zoals onder 3 uiteengezet, is er sprake van een rechtmatige aanhouding en kan er derhalve geen sprake zijn van een wederrechtelijke aanranding, die noopte tot zelfverdediging. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer. Nu er gelet op het hiervoor overwogene geen noodweersituatie is en ook niet is geweest, faalt ook het beroep op noodweerexces. Meer subsidiair betoogt de raadsvrouw dat er sprake is van putatief noodweer. Ook dit verweer acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Op het moment dat verdachte zich wilde verdedigen was zij aan het koken en wilde zij dit afronden omdat ze, volgens haar verkla-ring ter zitting, niet met een lege maag op het politiebureau wilde zitten Verdachte pakt dan –naar eigen zeggen- een mes om de verbalisant op afstand te houden. In een dergelijke situatie kan niet gezegd worden dat verdachte dwaalde ten aanzien van de situatie. Ook de stelling van verdachte dat de verbalisant riep dat er, indien zij niet luisterde, geweld zou worden gebruikt, leidt niet tot de conclusie dat verdachte zelf gerechtvaardigd haar toevlucht in geweld mocht zoeken. Er was immers, als gezegd, sprake van een rechtmatige aanhouding. Ook het beroep op putatief noodweer(exces) faalt daarmee.

Nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten, is verdachte strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is be-gaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 26 juni 2010; en

• een screening uitgevoerd door het NIFP d.d. 3 juni 2010;

• een Reclasseringsadvies van Iriszorg d.d. 29 juni 2010.

De officier van justitie heeft verzocht verdachte, gelet op de ernst van het feit, te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De officier van justitie ziet geen aanleiding een voorwaardelijk strafdeel op te leggen nu verdachte niet wenst mee te werken aan het opmaken van een rapportage over haar persoon.

De raadsvrouw heeft betoogd dat, indien er toch een bewezenverklaring volgt, de op te leggen straf gelijk dient te zijn aan de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Het bewezenverklaarde handelen is een ernstig strafbaar feit omdat het leven van een politie-agent gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn functie, gevaar liep. De omstandigheid dat de politieagent niet daadwerkelijk is gestoken, ondanks de korte afstand tussen hem en verdachte, kan er op duiden dat verdachte inderdaad, zoals zij heeft verklaard, niet meer heeft beoogd dan het afschrikken van de agent en zijn collega. Toch had het incident gemakkelijk ernstiger hebben kunnen aflopen en dat rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit een deels onvoorwaardelijke g-vangenisstraf passend en geboden is. Ter voorkoming van recidive vindt de rechtbank dat een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk dient te worden opgelegd. De rechtbank zal hier geen bijzondere voorwaarden aan verbinden nu hier geen aanwijzingen voor zijn.

Het inbeslaggnomen mes zal worden verbeurd verklaard, nu het aan verdachte toebehoort en daarmee het bewezen verklaarde feit is gepleegd.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toe te wijzen.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft betoogd de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren nu er sprake is van culpa in causa van de zijde van de benadeelde partij.

De beoordeling door de rechtbank

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade. De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een bedrag van € 300,- aan immateriële schadevergoeding.

Aan de benadeelde partij is door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De hoogte van het te vorderen bedrag komt de rechtbank redelijk voor en zal de vordering toewij-zen tot de hoogte van dit bedrag, te weten € 300,- .

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 237 (tweehonderdzevenendertig) dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 120 (honderdentwintig) dagen niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde straf.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

Een mes

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], per adres [adres], te betalen € 300,- (zegge driehonderd euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 300,- subsidiair 6 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], per adres [adres], te betalen € 300,- (zegge driehonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. J.M. Hamaker, als voorzitter,

mr. I.D. Jacobs, rechter,

mr. F.J.H. Hovens, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Westerdijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 augustus 2010.