Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN3037

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
03-08-2010
Zaaknummer
149758
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De beslissingen van de rechtbank in de overwegingen 5.14 en 5.15 van het tussenvonnis zijn aan te merken als eindbeslissingen omdat uit de door de rechtbank gekozen bewoordingen blijkt dat de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist.

De leer van de bindende eindbeslissing houdt in dat de rechter in beginsel in dezelfde instantie niet meer kan terugkomen van door hem gegeven eindbeslissingen. De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (Hoge Raad 25 april 2008, LJN: BC2800).

Gelet op de hiervoor weergegeven rechtspraak is het nog steeds zo dat de rechter bevoegd is aan een verzoek terug te komen van een bindende eindbeslissing voorbij te gaan indien dat verzoek gestoeld is op feiten en stellingen die reeds eerder in de procedure ter kennis van de rechtbank en de wederpartij zijn gebracht of, gelet op het partijdebat, ter kennis van de rechtbank en de wederpartij hadden moeten zijn gebracht (Hof Arnhem 6 april 2010, LJN: BM 1182). In het onderhavige geval bepleit eiser zijn verzoek in de antwoordakte na enquête grotendeels met een herhaling van zetten (van hetgeen reeds is uiteengezet in de dagvaarding onder 51). De rechtbank heeft daarover al bij tussenvonnis geoordeeld. Een en ander leidt tot de conclusie dat er voor een heroverweging in het onderhavige geval geen plaats is. Uitgangspunt is en blijft dat eiser ‘vol’ bewijs moet leveren van zijn stelling ten aanzien van de fysieke gebreken bij de pony. Dat betekent dat hij bewijslast heeft en ook het bewijsrisico draagt.

Nu eiser niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs, kan niet als vaststaand worden aangenomen dat de pony niet beantwoordde aan wat partijen waren overeengekomen. Dat brengt mee dat er geen grond was en is voor vernietiging en/of ontbinding van de koopovereenkomst en dat de gevorderde verklaring voor recht op dit punt moet worden afgewezen. Ook de overige, daarmee samenhangende, vorderingen jegens gedaagden sub 1 t/m 4 zullen worden afgewezen. In het tussenvonnis is al overwogen dat de vorderingen jegens gedaagde sub 5 eveneens zullen worden afgewezen. De rechtbank blijft daarbij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 149758 / HA ZA 06-2284

Vonnis van 7 juli 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.J. van Bussel te Tilburg,

tegen

1. de vennootschap onder firma

DRESSUURSTAL [ ],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.T. Bolt te Arnhem,

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A.T. Bolt te Arnhem,

3. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.T. Bolt te Arnhem,

4. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.T. Bolt te Arnhem,

5. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. J.E. Brands te Arnhem.

Eiser in conventie, verweerder in reconventie zal hierna [eiser ] worden genoemd. Gedaagden in conventie sub 1 tot en met sub 4, eisers in reconventie zullen tezamen [gedaagden sub 1 t/m 4] dan wel afzonderlijk [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] genoemd worden. Gedaagde in conventie sub 5 zal [gedaagde sub 5] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 december 2007 (hierna te noemen het tussenvonnis)

- de akte uitlating van [gedaagden sub 1 t/m 4] van 30 januari 2008

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 7 april 2008

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 april 2008

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 26 augustus 2008

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 20 januari 2009

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 18 mei 2009

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 1 december 2009

- de conclusie na getuigenverhoor

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor van [gedaagde sub 5]

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor van [gedaagden sub 1 t/m 4]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

In conventie

2.1. In het tussenvonnis is [eiser ] opgedragen te bewijzen dat

- de pony [de pony] op of omstreeks 17 februari 2006, de datum van aflevering van de pony, leed aan (één van) de door [eiser ] genoemde fysieke aandoeningen, samengevat in 5.7 van het tussenvonnis,

- [eiser ] door of namens [gedaagde sub 1] is toegezegd dat [de pony] een superbraaf paard is,

- de pony [de pony] een onvoorspelbaar karakter heeft, dat (onder meer) tot uiting komt in regelmatig steigeren en staken. Vast dient komen te staan dat de pony dit gedrag ook al voor de levering aan [eiser ] vertoonde.

2.2. Ter uitvoering hiervan heeft [eiser ] verschillende getuigen laten horen, te weten mevrouw [ ] [eiser ] (hierna te noemen mevrouw [eiser ]), mevrouw [getuige] (hierna te noemen [getuige 1]), mevrouw [getuige] (hierna te noemen [getuige 2]), mevrouw [getuige] (hierna te noemen mevrouw [getuige 3]), mevrouw [getuige] (hierna te noemen mevrouw [getuige 4]), mevrouw [getuige] (hierna te noemen mevrouw [getuige 5]), mevrouw [getuige] (hierna te noemen dierenarts [X]), de heer [getuige] (hierna te noemen dierenarts [Z]), professor dr. [getuige] (hierna te noemen professor [Y]) en mevrouw [getuige] (hierna te noemen mevrouw [getuige 6]).

In contra-enquête zijn vervolgens de volgende getuigen gehoord: mevrouw [getuige] (hierna te noemen mevrouw [getuige 7]), de heer [getuige] (hierna te noemen de heer [getuige 8]), mevrouw [getuige] (hierna te noemen mevrouw [getuige 9]), mevrouw [getuige] (hierna te noemen mevrouw [getuige 10]), mevrouw [getuige] (hierna te noemen mevrouw [getuige 11]) en mevrouw [getuige] (hierna te noemen mevrouw [getuige 12]).

2.3. Thans ligt als eerste de vraag voor of [eiser ] er in is geslaagd te bewijzen dat de pony [de pony] op of omstreeks 17 februari 2006, de datum van aflevering van de pony, leed aan de fysieke aandoeningen als genoemd in 5.7 van het tussenvonnis. In 5.7 van het tussenvonnis zijn in dit verband genoemd: mok, gebitsproblemen, stroallergie, pijngevoeligheid over het hele lijf, bekkenscheefstand, scheefstand van de tweede nekwervel en een peesplaatblessure bij de bovenste twee nekwervels.

2.4. De rechtbank heeft in het tussenvonnis geconcludeerd dat [eiser ] hiervan ‘vol’ bewijs dient te leveren omdat het wettelijk vermoeden van het tweede lid van artikel 7:18 Burgerlijk Wetboek (BW) is ‘ontzenuwd’. In zijn antwoordconclusie na enquête heeft [eiser ] in dit verband echter aangevoerd dat hij geen ‘vol’ bewijs dient te leveren omdat het eerder genoemde wettelijk vermoeden meebrengt dat er vanuit gegaan mag worden dat de problemen van de pony aanwezig waren op het moment van de levering, juist nu deze problemen vrijwel onmiddellijk na de aankoop optraden. Volgens hem is de reden dat gebreken niet tijdens de keuring door dr. [Q] zijn geconstateerd gelegen in het feit dat de rug van de pony, behoudens een eenvoudige palpatie, niet in het onderzoek wordt meegenomen. Het enkele feit dat de pony door dr. [Q] is goedgekeurd wil volgens [eiser ] geheel niet zeggen dat de pony de genoemde veterinaire problemen niet had en dat daarmee het in artikel 7:18 lid 2 BW genoemde tegenbewijs is geleverd.

[eiser ] concludeert dat om die reden de overwegingen 5.14 en 5.15 van het tussenvonnis geen stand kunnen houden.

2.5. Hieromtrent geldt het volgende.

De beslissingen van de rechtbank in de overwegingen 5.14 en 5.15 van het tussenvonnis zijn aan te merken als eindbeslissingen omdat uit de door de rechtbank gekozen bewoordingen blijkt dat de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist.

2.6. De leer van de bindende eindbeslissing houdt in dat de rechter in beginsel in dezelfde instantie niet meer kan terugkomen van door hem gegeven eindbeslissingen. De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (Hoge Raad 25 april 2008, LJN: BC2800).

2.7. Gelet op de hiervoor weergegeven rechtspraak is het nog steeds zo dat de rechter bevoegd is aan een verzoek terug te komen van een bindende eindbeslissing voorbij te gaan indien dat verzoek gestoeld is op feiten en stellingen die reeds eerder in de procedure ter kennis van de rechtbank en de wederpartij zijn gebracht of, gelet op het partijdebat, ter kennis van de rechtbank en de wederpartij hadden moeten zijn gebracht (Hof Arnhem 6 april 2010, LJN: BM 1182). In het onderhavige geval bepleit [eiser ] zijn verzoek in de antwoordakte na enquête grotendeels met een herhaling van zetten (van hetgeen reeds is uiteengezet in de dagvaarding onder 51). De rechtbank heeft daarover al bij tussenvonnis geoordeeld. Een en ander leidt tot de conclusie dat er voor een heroverweging in het onderhavige geval geen plaats is. Uitgangspunt is en blijft dat [eiser ] ‘vol’ bewijs moet leveren van zijn stelling ten aanzien van de fysieke gebreken bij de pony [de pony]. Dat betekent dat hij bewijslast heeft en ook het bewijsrisico draagt.

2.8. De rechtbank is van oordeel dat [eiser ] er niet in is geslaagd dit bewijs te leveren. Dit wordt als volgt toegelicht.

2.9. Met betrekking tot de aanwezigheid van mok is alleen door mevrouw [eiser ] verklaard dat zij, toen [de pony] op 5 maart 2006 werd opgehaald, een potje mokzalf zag staan en dat zij later, op 8 maart 2006, bij [de pony] gecompliceerde mok constateerde. Wat daar verder ook van zij, hier volgt nog niet uit dat de mok ook al aanwezig was ten tijde van de aankoop. Nu verder ook geen andere getuige heeft verklaard en/of heeft kunnen verklaren over de aanwezigheid van mok ten tijde van de aankoop, kan niet worden aangenomen dat er op dit punt sprake was van een gebrek bij de pony.

2.10. Datzelfde geldt voor de stroallergie. Alleen mevrouw [eiser ] verklaart over de aanwezigheid van een stroallergie. Zij is echter de echtgenote van de partij die met het bewijs is belast en haar verklaring is op zichzelf dan ook niet voldoende.

[getuige 1]s, die [de pony] jarenlang heeft gehad, heeft verklaard niet te weten of [de pony] een stroallergie had. Volgens haar stond [de pony] bij haar op zaagsel omdat een paard naast [de pony] last had van luchtwegproblemen. Zij heeft aldus een andere verklaring dan de aanwezigheid van een stroallergie voor het feit dat [de pony] op zaagsel stond.

Mevrouw [getuige 3], eigenaar van stal [getuige 3], bij wie [de pony] in november 2006 werd gebracht, heeft evenmin kunnen constateren of de pony een stroallergie had aangezien de pony’s bij haar (ook) op een andere bodem staan.

Nu ook geen enkele andere getuige de aanwezigheid van stroallergie ten tijde van de aankoop door [eiser ] heeft kunnen vaststellen, is niet bewezen dat de pony [de pony] ten tijde van die aankoop leed aan een stroallergie.

2.11. Evenmin kan uit de getuigenverklaringen worden afgeleid dat er sprake was van gebitsproblemen bij de pony [de pony] ten tijde van de aankoop. Geen van de getuigen heeft daarover verklaard.

2.12. Er zijn wel verschillende getuigen die verklaringen hebben afgelegd over de pijngevoeligheid van de pony over het hele lijf en over bekkenscheefstand, scheefstand van de tweede nekwervel en een peesplaatblessure bij de bovenste twee nekwervels. Uit deze verklaringen, mede gelet op de verklaringen van getuigen in contra-enquête, volgt echter nog niet het bewijs van dat deze fysieke gebreken, voor zover al aanwezig, ook aanwezig waren ten tijde van de aankoop door [eiser ].

2.13. Mevrouw [getuige 3] heeft alleen een verklaring over de gezondheidstoestand van de pony afgelegd over de periode dat [de pony] bij haar was. Aangezien de pony daar pas in november 2006 is gekomen kan in haar verklaring in elk geval geen bewijs worden gevonden voor de aanwezigheid van de eerder genoemde klachten op of omstreeks 17 februari 2006.

2.14. Dat geldt ook voor de verklaringen van dierenarts [Z] en professor [Y].

Dierenarts [Z] heeft [de pony] op 20 maart 2007 onderzocht. Van geconstateerde of vermoede problemen kan hij niet aangeven of ze er al langer waren. Hij kan niets zeggen over de gezondheid van de pony in februari 2006.

Professor [Y], eveneens dierenarts en docent aan de Universiteit van [woonplaats], heeft de pony [de pony] ook pas in 2007 onderzocht. Hij kan evenmin iets zeggen over het moment van ontstaan van de door hem geconstateerde problemen.

2.15. Dierenarts [X] heeft de pony [de pony] eerder, te weten op 4 april 2006 onderzocht. Zij constateerde toen een bekkenscheefstand en zij stelde vast dat [de pony] pijnlijk was over de rug. Verder heeft zij bij [de pony] pijn achter de oren geconstateerd. Het vermoeden bestond bij haar dat een peesplaat was ontstoken.

Ook dit onderzoek heeft echter pas na datum aankoop plaatsgevonden, zij het dat de tijd tussen de koop door [eiser ] en het onderzoek door dierenarts [X], niet heel lang is geweest. Dierenarts [X] heeft desalniettemin niet kunnen verklaren dat de bekkenscheefstand ook al aanwezig was ten tijde van de aankoop door [eiser ]. Volgens haar kan een pony met een bekkenscheefstand geboren worden maar kan een bekkenscheefstand ook ontstaan ten gevolge van een trauma. Dierenarts [X] heeft evenmin kunnen verklaren dat de peesontsteking al aanwezig was ten tijde van de koop door [eiser ]. De geconstateerde peesontsteking is volgens haar niet gemakkelijk te antedateren. Vaak bestaat een dergelijke ontsteking al langer maar zij kan daar geen getallen aan plakken.

Een en ander leidt tot de conclusie dat ook uit de verklaring van dierenarts [X] niet zonder meer kan worden afgeleid dat de bekkenscheefstand, de pijnlijkheid over de rug en de peesplaatontsteking al aanwezig waren ten tijde van de aankoop van [de pony] door [eiser ]. Met betrekking tot de geconstateerde bekkenscheefstand is in elk geval de mogelijkheid open gelaten dat dit is veroorzaakt door een trauma (na de koop) .

2.16. [eiser ] wijst er in de conclusie na enquête op dat inmiddels bekend is geworden dat de pony op driejarige leeftijd tijdens het longeren achterover is geslagen. Volgens hem kan dit trauma de oorzaak zijn geweest van de bekkenscheefstand en in dat geval is de oorzaak van de afwijking gelegen in de periode voorafgaande aan de koop van de pony.

Hieromtrent geldt het echter het volgende. Niet is komen vast te staan dat dit ongeval zich daadwerkelijk heeft voorgedaan. Alleen mevrouw [eiser ] heeft hier over verklaard en zij zegt dit weer te hebben gehoord van [gedaagde sub 5]. Dit is onvoldoende om aan te nemen dat de pony inderdaad een trauma heeft opgelopen op driejarige leeftijd, laat staan dat daaruit kan worden afgeleid dat dit achterover slaan de oorzaak is van een vele jaren later geconstateerde bekkenscheefstand.

2.17. Overigens lijkt uit de verklaring van dierenarts [X] te volgen dat een bekkenscheefstand op zich ook nog niet een gebrek oplevert. Zij heeft namelijk ook verklaard bij iedere pony wel enige vorm van asymmetrie aanwezig is. Zij sluit niet uit dat ook gezonde pony’s behept zijn met een bekkenscheefstand en daar geen last van hebben.

2.18. Bij dit alles speelt tenslotte nog een rol dat de bekkenscheefstand niet is geconstateerd door dierenarts [Y] die de pony [de pony], negen dagen na dierenarts [X], op 13 april 2006, heeft onderzocht. In de door [eiser] bij conclusie na enquête overgelegde patiëntgegevens van [de pony] van de hand van [Y] volgt dat hij “op stand geen afwijkingen” heeft geconstateerd. Er is geen reden om aan te nemen dat dierenarts [Y] minder deskundig zou zijn dan dierenarts [X] en dat aan zijn conclusie minder belang moet worden gehecht dan aan die van dierenarts [X].

2.19. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, voor zover al kan worden aangenomen dat de genoemde fysieke gebreken zich bij [de pony] hebben gemanifesteerd, er geen enkele getuige is die met zekerheid heeft kunnen verklaren dat die gebreken ook reeds aanwezig waren ten tijde van de koop door [eiser ].

2.20. De tweede bewijsopdracht had betrekking op het gestelde onvoorspelbare karakter van de pony [de pony]. Deze bewijsopdracht bestond uit twee delen. Zoals de rechtbank in 5.18 van het tussenvonnis heeft overwogen draagt [eiser ] in de eerste plaats bewijs van de stelling dat hem is gegarandeerd dat de pony ‘superbraaf’ is. Indien en voor zover dit niet zou worden bewezen, diende [eiser ] in de tweede plaats te bewijzen dat de pony [de pony] een onvoorspelbaar karakter had, dat (onder meer) tot uiting komt in regelmatig steigeren en staken waarbij moest vast komen te staan dat de pony dit gedrag ook al voor de levering aan [eiser ] (op of omstreeks 17 februari 2006) vertoonde.

2.21. Er is maar één getuige die heeft verklaard over de gegarandeerde superbraafheid van [de pony], te weten mevrouw [eiser ]. Zij heeft verklaard dat zowel [gedaagde sub 4] als [gedaagde sub 5] haar hebben verteld dat [de pony] een superbrave pony was. Nog daargelaten evenwel dat mevrouw [eiser ] echtgenote is van [eiser ] waardoor haar verklaring niet zonder meer objectief genoemd kan worden, is de verklaring die zij tijdens de enquête heeft afgelegd ook moeilijk te rijmen met haar email van 28 mei 2006. Daarin heeft zij geschreven dat “volgens mededeling van [gedaagde sub 5] en haar moeder: “[de pony] superbraaf zou zijn”. Zij schreef niet dat deze mededeling ook zou zijn gedaan door [gedaagde sub 4]. Nadat zij hiermee is geconfronteerd tijdens het getuigenverhoor, heeft mevrouw [eiser ] gezegd dat zij hier geen bijzondere opmerking over heeft en dat ze bij haar verklaring blijft dat ook [gedaagde sub 4] heeft gezegd dat [de pony] superbraaf zou zijn. Gelet evenwel op de geconstateerde inconsistentie is haar verklaring niet zonder meer betrouwbaar te noemen. Zij levert dan ook onvoldoende bewijs op van de stelling dat [gedaagden sub 1 t/m 4] hebben gegarandeerd dat [de pony] superbraaf zou zijn.

2.22. Er zijn geen andere getuigen die hebben kunnen verklaren dat aan [eiser ] is gezegd, laat staan gegarandeerd dat [de pony] een superbrave pony was. De enige die nog iets kan verklaren over de gesprekken tussen [gedaagde sub 4] en de familie [eiser ] is mevrouw [getuige 9]. Bij een gesprek tussen beiden waar ook mevrouw [getuige 9] aanwezig was, heeft [gedaagde sub 4] volgens haar gezegd dat [de pony] geen manegepony was maar wel een werkwillige pony. [gedaagde sub 4] heeft verder gezegd dat [de pony] een prettig karakter had. Mevrouw [getuige 9] heeft niet verklaard dat door [gedaagde sub 4] ook zou zijn gezegd en/of gegarandeerd dat de pony [de pony] superbraaf was.

2.23. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser ] er ook niet in is geslaagd te bewijzen dat hem is gegarandeerd dat de pony ‘superbraaf’ is. Dat brengt mee dat nu moet worden onderzocht of [eiser ] er in is geslaagd te bewijzen dat de pony [de pony] een onvoorspelbaar karakter had, dat (onder meer) tot uiting komt in regelmatig steigeren en staken en dat de pony dit gedrag ook al voor de levering aan [eiser ] (op of omstreeks 17 februari 2006) vertoonde.

2.24. Er zijn verschillende getuigen die verklaringen hebben afgelegd over het karakter van de pony [de pony].

2.25. Mevrouw [eiser ] heeft verklaard dat zij voorafgaande aan de koop [de pony] een keer op haar achterbenen heeft zien staan. Dat was in de box. Zij heeft [gedaagde sub 4] daarop aangesproken en naar haar toe haar twijfels geuit. Volgens mevrouw [eiser ] was de reactie van [gedaagde sub 4] dat het een prima pony was.

Mevrouw [eiser ] heeft verder verklaard dat zij na de aankoop heeft gesproken met A-kaderleden die in dezelfde regio reden als voormalige eigenaren van [de pony], de familie [getuige 10]. De A-kaderleden die worden bedoeld zijn mevrouw [getuige sub 4] en [ ] [getuige 5], althans haar moeder mevrouw [getuige 5]. Toen [gedaagde sub 4] vertelde dat zij [de pony] hadden gekocht, reageerden zij met “Oh, die pony die zo vaak omhoog komt”, aldus mevrouw [eiser ].

Mevrouw [eiser ] heeft voorts op de internetsite www.bokt.nl een aantal berichten met betrekking tot [de pony] achterhaald. Het ging om berichten over kampioenschappen in 2004 en 2005 waarin stond dat [de pony] in de achteruit ging, ging steigeren en om een bericht waaruit volgde dat zij kon exploderen. De afzender van deze berichten was [getuige 2]. Uit de berichten bleek dat het steeds [getuige 1] was die reed.

2.26. [getuige 1] is zelf als getuige gehoord en heeft verklaard zij en haar zus [getuige sub 2] [de pony] hebben gehad van ongeveer 2002 tot en met 2006. [de pony] was een pittige pony. [getuige 1] noemt hem kwaliteitsvol. Zij kan de vraag of [de pony] een pony is die doet wat er van haar wordt verlangd moeilijk beantwoorden. Het kwam wel eens voor dat een wedstrijd minder goed liep. [de pony] kwam dan tot stilstand. [getuige 1] vindt het lastig te beschrijven wat er dan gebeurde. Dit hing volgens haar van de specifieke situatie af, bijvoorbeeld een deur die dichtsloeg wat dan weer tot een schrikreactie kon leiden. [de pony] kwam volgens haar wel eens omhoog. Als zij omhoog kwam, was dat maar een paar centimeter. Volgens [getuige 1] heeft dit nooit tot een gevaarlijke situatie geleid.

Ze zegt er niets van te begrijpen als haar wordt voorgehouden dat de moeder van [ ] [getuige 5] [de pony] kwalificeert als de pony die altijd steigert en staakt. Natuurlijk zijn er wel wedstrijden die minder gaan maar dat hoeft volgens [getuige 1] niet altijd de schuld van de pony te zijn.

Aan [getuige 1] is voorgehouden dat zij bij een wedstrijd in [woonplaats] op 12 juli 2004 twee aftrekpunten had gekregen. Vervolgens heeft zij verklaard dat [de pony] toen steigerde, voor haar gevoel niet heel hoog, twee à drie keer. Zij is toen halverwege de wedstrijd gestopt. Zij merkt daar bij op dat de bodem niet goed was en dat ook het losrijden al niet goed ging.

Specifiek op het punt van het steigeren is volgens [getuige 1] nooit iets ondernomen. Dat hoefde ook niet. [de pony] gaf ook wel eens een andere reactie als dingen niet goed gingen.

Volgens [getuige 1] was [de pony] zeker geen super makkelijke pony waar alle knoppen opzitten maar met een goede begeleiding behoefden er geen problemen te komen.

2.27. [getuige 2] heeft verklaard dat zij ongeveer een jaar op [de pony] heeft gereden en dat [de pony] bij haar nooit is gaan steigeren. Er waren wel eens schrikreacties. Later heeft zij dit enigszins genuanceerd in die zin dat zij heeft verklaard dat zij niet precies weet wat onder steigeren moet worden verstaan. Er waren wel eens schrikreacties waarbij [de pony] opzij sprong. [de pony] is volgens haar echter niet pittiger dan een andere pony op hetzelfde niveau.

Zij kan zich verder niet herinneren dat zij op de website www.bokt.nl berichten heeft gepost waarin zou staan dat [de pony] “explosief” zou zijn. Zij herinnert zich nog wel de wedstrijd waar haar zus op [de pony] reed en twee verliespunten werden afgetrokken. De bodem was bijzonder slecht. De pony’s stonden diep in de modder. [getuige 2] heeft toen niet gezien dat [de pony] heeft gesteigerd.

2.28. Mevrouw [getuige 3] heeft verklaard dat de pony [de pony] ging steigeren in de periode nadat de pony bij haar stal werd gebracht. Over de periode voorafgaande aan de koop heeft zij alleen verklaard dat zij van mevrouw [getuige 10], de moeder van de twee meisjes [getuige 10], heeft gehoord dat [de pony] niet geschikt was voor een onervaren ruiter, dat [de pony] sensibel was en snel ging steigeren. Zij kan zich dit telefoongesprek goed herinneren, ook omdat ze direct daarna een mail daarover aan de familie [eiser ] heeft gestuurd.

2.29. Mevrouw [getuige 4] heeft verklaard dat zij [de pony] kent van een aantal wedstrijden en dat [de pony] meereed in de clubles. Zij heeft een aantal keren in clubverband les gegeven. Tijdens de clublessen is haar niets opgevallen. Bij wedstrijden, waar ze vaak langs de kant stond, is haar drie keer opgevallen dat [de pony] niet makkelijk reed. Ze bedoelde daarmee dat de pony haperde. Haperen betekent volgens haar dat de pony tijdens de oefening ineens stil staat. Ze heeft niet gezien dat de pony steigerde maar de pony is wel met de voorbenen iets van de grond gekomen. Volgens haar speelde dit zich 2 à 3 jaar voor het getuigenverhoor af. Zij heeft [de pony] niet zien haperen tijdens ongeveer 20 à 30 wedstrijden. Op de club is haar nooit opgevallen dat [de pony] vervelend was.

2.30. Mevrouw [getuige 5] kan zich herinneren dat de pony [de pony] op een wedstrijd in [woonplaats] aan een proef moest beginnen, in verzet kwam en omhoog kwam. Omdat dit staken te lang duurde, mocht [de pony] niet aan de wedstrijd beginnen en werd zij uitgesloten van deelname. Zij verklaart dat zij [de pony] nog twee of drie maal heeft zien staken maar dat kan ze zich niet goed herinneren omdat het al weer vier of vijf jaar geleden is. Zij heeft vervolgens nog verklaard dat zij aan het begin van haar verklaring had gezegd dat [de pony] steigerde en dat zij daarmee bedoelde dat de pony omhoog kwam, maar niet volledig op de achterste benen ging staan. Het verzet dat zij heeft gezien vond zij niet direct gevaarlijk. Het was verzet tegen het been.

2.31. Mevrouw [getuige 6] heeft [de pony] in 2003 voor het eerst gezien. Zij had zelf ook een pony en reed in dezelfde klasse als [getuige 1] met [de pony]. Ze zegt te weten dat [de pony] een lastige pony is. Dat heeft [getuige 1] haar verteld. [de pony] kon heel goed lopen, maar ze kon zomaar opeens staken, stilstaan of steigeren. Mevrouw [getuige 6] verklaart dat ze dat zelf ook wel eens heeft gezien. [getuige 1] reed dan een wedstrijd en helemaal uit het niets stopte [de pony] dan wel eens. Ze kwam dan helemaal omhoog of liep achteruit of deed helemaal niets meer. [getuige 1] kreeg haar dan niet meer aan de praat. Ze weet dat ze [de pony] vaak omhoog heeft zien komen. Ze voegt hier echter aan toe dat haar eigen pony ook omhoog kwam en dat elke pony omhoog kan komen.

2.32. Dierenarts [Z] verklaart dat [de pony] tijdens het onderzoek druk van karakter was en onrustig. [de pony] was een drukke pony. Volgens [Z] moet er wel iets meer zitten want het verzet kan niet alleen aan het karakter liggen.

2.33. Professor [Y] heeft over het gedrag van [de pony] verklaard dat hem niets specifieks is opgevallen. De pony gedroeg zich zoals je van pony’s van dat type kan verwachten. Het was een pony met veel karakter. Zij was heel actief en wat nerveus. Maar dat is niet ongebruikelijk. Hij heeft geen onvoorspelbaar gedrag geconstateerd.

2.34. Uit de door [eiser ] bij conclusie na enquête overgelegde patiëntgegevens van [de pony] van de hand van dierenarts [Y] volgt tenslotte nog dat het dier een dominant karakter had en een relatief hoge intelligentie.

2.35. Uit de verschillende verklaringen in enquête, in het bijzonder die van de zusjes Kuijper, mevrouw [getuige sub 4] en mevrouw [getuige 5], kan worden afgeleid dat [de pony] voorafgaande aan de koop door [eiser ] wel eens steigerde (in de zin van omhoog komen) en staakte (of haperde). Uit de verklaringen volgt echter niet dat het steigeren en staken regelmatig gebeurde en/of dat het steigeren en staken een uiting waren van het onvoorspelbare karakter van [de pony]. In dat verband zijn vooral ook de verklaringen van de dierenartsen van belang. Het lijkt er veeleer op dat het geconstateerde steigeren of staken een andere oorzaak had, te weten de ondergrond of het gedrag van de ruiter zelf.

2.36. Hieraan doet de eerder genoemde verklaring van mevrouw [eiser ] inhoudende dat zij van mevrouw [getuige 5] en mevrouw [getuige sub 4] heeft gehoord dat [de pony] de pony is die zo vaak omhoog komt, niet af. Mevrouw [getuige 5] en mevrouw [getuige sub 4] hebben dit tijdens hun eigen getuigenverklaring niet bevestigd. Mevrouw [getuige sub 4] heeft verklaard maar drie keer tijdens een wedstrijd te hebben gezien dat [de pony] niet makkelijk reed. In totaal heeft ze wel 20 tot ongeveer 30 wedstrijden van [de pony] gezien. Zij heeft bovendien verklaard dat het haperen verschillende oorzaken kan hebben. Mevrouw [getuige 5] heeft maar één keer gezien dat [de pony] in verzet kwam en daar heeft zij ook nog aan toegevoegd dat dit verzet tegen het been was. Er bestaat geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van mevrouw [getuige sub 4] en mevrouw [getuige 5].

2.37. Ook de verklaring mevrouw [getuige 3] inhoudende dat zij van mevrouw [getuige 10] heeft gehoord dat [de pony] sensibel was en snel ging steigeren is niet bevestigd. Mevrouw [getuige 10] heeft in de contra-enquête verklaard dat zij het met mevrouw [getuige 3] niet heeft gehad over steigeren van [de pony]. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat zij in dit verband niet overeenkomstig de waarheid heeft verklaard.

2.38. Wat betreft de verklaring van mevrouw [getuige 6] heeft verder nog te gelden dat zij aangeeft zelf wel eens te hebben gezien dat [de pony] omhoog kwam maar dat elke pony wel eens omhoog komt, inclusief die van haar zelf. Voor zover hier uit zou kunnen worden afgeleid dat [de pony] regelmatig omhoog kwam, hetgeen door [getuige 1] overigens niet is bevestigd, blijkt uit de verklaring van mevrouw [getuige 6] nog niet dat dit te wijten was aan het karakter van [de pony]. Immers alle pony’s komen volgens haar wel eens omhoog.

2.39. Bij dit alles is verder nog van belang de verklaring van mevrouw Van [getuige 7] in contra-enquête. Zij heeft een bevoegdheid om pony’s te jureren op het hoogste niveau. Zij heeft verklaard dat het haar niet mogelijk lijkt dat een pony in de wedstrijd waarin zij M-kampioen is geworden verzet heeft getoond. Als haar wordt voorgehouden dat het meermalen is voorgekomen dat [de pony] tijdens wedstrijden minpunten heeft gekregen, verklaart zij dat het natuurlijk altijd kan gebeuren dat een pony verzet toont, bijvoorbeeld wanneer in een regenbui plotseling een paraplu wordt opengeklapt. In het geval van [de pony] acht zij niet aannemelijk dat zij meermalen vlak achter elkaar verzet heeft getoond. Ook hieruit volgt dat het geconstateerde verzet niet per definitie het gevolg behoeft te zijn van het karakter van de pony maar ook andere oorzaken kan hebben.

2.40. In contra-enquête is verder nog door mevrouw [getuige 9] verklaard dat zij alleen maar goed gedrag heeft gezien bij de pony. Zij heeft een jaar of zes gewerkt als stalmanager voor de stal [gedaagden]. Voordat [de pony] aan de familie [eiser ] is verkocht, is de pony bij stal [gedaagden] op stal geweest. Dat was de eerste keer dat mevrouw [getuige 9] haar zag. Volgens haar was [de pony] altijd rustig op stal. Ze heeft niets gemerkt van afwijkingen. Het was een fijne pony in de box. Ze werd niet boos of ongehoorzaam.

2.41. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, mede gelet ook op de verklaringen in contra-enquête, [eiser ] er ook op het punt van gestelde onvoorspelbare karakter van [de pony] niet in is geslaagd om het hem opgedragen bewijs te leveren.

2.42. In overweging 5.21 van het tussenvonnis is geconcludeerd, dat vervolgens nog zou moeten vastgesteld aan welke partij het geconstateerde -en op zichzelf niet weersproken- steigeren en staken van [de pony] na aflevering aan [eiser ] dient te worden toegerekend.

[eiser ] is hier in zijn conclusie na getuigenverhoor niet verder op ingegaan. Hij heeft in elk geval ook niet aangegeven wat het gevolg zou moeten zijn van de eventuele vaststelling dat het aan [gedaagden sub 1 t/m 4] is toe te rekenen dat [de pony] na aflevering is gaan steigeren en staken, laat staan dat hij in dit verband een gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan.

De rechtbank ziet hierin aanleiding om niet nader meer in te gaan op de vraag aan wie het steigeren en staken van [de pony] na aflevering aan [eiser ] is toe te rekenen.

2.43. Nu [eiser ] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs, kan niet als vaststaand worden aangenomen dat de pony [de pony] niet beantwoordde aan wat partijen waren overeengekomen. Dat brengt mee dat er geen grond was en is voor vernietiging en/of ontbinding van de koopovereenkomst en dat de gevorderde verklaring voor recht op dit punt moet worden afgewezen. Ook de overige, daarmee samenhangende, vorderingen jegens [gedaagden sub 1 t/m 4] zullen worden afgewezen. In het tussenvonnis is al overwogen dat de vorderingen jegens [gedaagde sub 5] eveneens zullen worden afgewezen. De rechtbank blijft daarbij.

2.44. [eiser ] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

2.45. De kosten aan de zijde van [gedaagden sub 1 t/m 4] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 360,00

- getuigenkosten 210,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 2.486,00 (5,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 3.056,00

2.46. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 5] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 360,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.490,00

2.47. De rechters, ten overstaan van wie een aantal getuigenverhoren zijn gehouden, hebben dit vonnis niet kunnen wijzen in verband met benoeming elders of organisatorische redenen.

In reconventie

2.48. In het tussenvonnis is aan [gedaagden sub 1 t/m 4] opgedragen zich uit te laten over het geen in 5.25 van dat tussenvonnis is overwogen met betrekking tot de kosten van stalling en training. [gedaagden sub 1 t/m 4] dienden hun vordering bij akte nader te onderbouwen, in die zin dat zij dienden aan te geven of, en zo ja welke, afspraken met [eiser ] zijn gemaakt over de training van de pony [de pony] na 27 juni 2006 en meer in het bijzonder welke tarieven zij heeft gehanteerd en of zij deze tarieven met [eiser ] heeft besproken.

Bij akte uitlating hebben [gedaagden sub 1 t/m 4] vervolgens hun vordering nader onderbouwd onder verwijzing naar verklaringen die reeds in de procedure waren ingebracht. Tevens hebben zij uitdrukkelijk bewijs door getuigen aangeboden.

In hun antwoordconclusie na enquête hebben [gedaagden sub 1 t/m 4] echter aangegeven af te zien van dat eerder aangeboden getuigenverhoor. Volgens hen bieden de door [eiser ] zelf overgelegde bescheiden het bewijs, in het bijzonder de productie bij akte van 10 januari 2008. Het gaat hier om een eerder betaalde factuur van [gedaagden] over de periode 28 februari tot 5 maart 2006 welke factuur door [eiser ] zonder protest is voldaan.

Voor [eiser ] staat in beginsel nog de mogelijkheid open om hiertegen tegenbewijs te leveren, eventueel door middel van getuigen. De rechtbank ziet er echter vanaf om [eiser ] die gelegenheid te geven nu reeds aanstonds duidelijk is dat het door [gedaagden sub 1 t/m 4] aangebodene onvoldoende is om hen op basis daarvan geslaagd te achten in het bewijs. Het enkele gegeven dat een bepaalde factuur is betaald is op zichzelf onvoldoende om als vaststaand aan te kunnen nemen dat die factuur de weerslag vormt van afspraken die zijn gemaakt met [eiser ] over de training, laat staan dat daaruit kan volgen welke afspraken dat dan zijn geweest en/of partijen overeenstemming hebben bereikt over de tarieven die daarvoor zou worden gehanteerd.

De vordering in reconventie zal daarom reeds nu worden afgewezen.

2.49. [gedaagden sub 1 t/m 4] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser ] worden begroot op salaris advocaat, zijnde (2,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00 =) EUR 452,00.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt [eiser ] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden sub 1 t/m 4] tot op heden begroot op EUR 3.056,00, en aan de zijde van [gedaagde sub 5] tot op heden begroot op EUR 1.490,00,

3.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

3.4. wijst de vorderingen af,

3.5. veroordeelt [gedaagden sub 1 t/m 4] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser ] tot op heden begroot op EUR 452,00,

3.6. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.