Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN2483

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
178594
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot

a) een verbod tot gebruik van het perceel voor de uitoefening van een aannemingsbedrijf,

b) een bevel tot het verwijderen van bouwmaterialen ten behoeve van het aannemingsbedrijf,

c) een verbod de woning anders te bewonen dan ten behoeve van de ter plaatse aanwezige agrarische inrichting en

d) een bevel bouwwerken die worden gebruikt ten behoeve van het aannemingsbedrijf af te breken. Deze vorderingen zijn alle vier gebaseerd op de stelling dat gedaagden hun perceel gebruiken ten behoeve van het aannemingsbedrijf .

Omdat eiser niet is geslaagd in het bewijs van die stelling, is de grondslag aan deze vorderingen komen te ontvallen. Deze zullen daarom worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 178594 / HA ZA 08-2122

Vonnis van 7 juli 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. H.E. Davelaar te Zwolle,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] BEHEER B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] AANNEMERSBEDRIJF B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. W.A.J. Hagen te Arnhem,

behandelend advocaat mr. J. van Groningen te Middelharnis

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 juli 2009

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 28 oktober 2009

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 3 maart 2010

- de conclusie na getuigenverhoor

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor (kennelijk per abuis gedateerd op 28 april 2009, dat moet zijn 28 april 2010).

1.2. Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

bewijsopdracht

2.1. De rechtbank handhaaft wat zij heeft overwogen en beslist in het tussenvonnis van 1 juli 2009. In dat vonnis is [eiser] opgedragen te bewijzen dat [gedaagde] op de [adres] (te [woonplaats]) nog steeds een aannemingsbedrijf uitoefent.

2.2. [eiser] heeft om het bewijs te leveren vijf getuigen voorgebracht, te weten [eiser] zelf, [ ] [getuige 2] (zijn partner), [ ] [getuige 3] (een vriend van de familie [eiser]), [ ] [getuige 4] (als huurder woonachtig geweest in een bijgebouw op het perceel van [eiser]) en [ ] [getuige 5] (de partner van [getuige 4]). [gedaagde] c.s. hebben in de contra-enquête zes getuigen voorgebracht, te weten [gedaagde] zelf, [ ] [getuige 11] (woonachtig aan het begin van de zandweg), [ ] [getuige 22] (leverancier van [gedaagde]), [ ] [getuige 3] (werknemer van [gedaagde] Aannemersbedrijf B.V.), [ ] [getuige 4] (opdrachtnemer van [gedaagde]) en [ ] [getuige 5] (opdrachtnemer van [gedaagde]).

2.3. [gedaagde] heeft verklaard (gelijk hij heeft gesteld) dat de gemeente hem, na een controle op verzoek van [eiser], heeft verzocht zijn aannemingsbedrijf te [woonplaats] te staken, dat hij daaraan gehoor heeft gegeven door het aannemingsbedrijf te verplaatsen naar de [adres] en dat de gemeente bij brief van 31 oktober 2007 heeft bevestigd dat de geconstateerde overtreding was beëindigd. Deze verklaring heeft volle bewijskracht (artikel 164 lid 2 Rv). Dat de werkzaamheden van het aannemingsbedrijf niet meer worden verricht vanuit [woonplaats], wordt bevestigd door de waarnemingen van de rechter. Deze heeft tijdens de comparitie ter plaatse immers geen werktuigen gezien die duiden op de uitoefening van een aannemersbedrijf. Dat de werkzaamheden wel worden verricht vanuit [woonplaats], wordt bevestigd door de verklaringen van de getuigen [getuige 11], [getuige 22], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5]. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] op de [adres] nog steeds een aannemingsbedrijf uitoefent.

2.4. Die conclusie wordt niet anders door de verklaringen over de intensiteit van verkeersbewegingen van en naar het adres [adres] te [woonplaats] (periode, frequentie, tijdstip, type auto, lading, snelheid, rijgedrag). De snelheid van het verkeer op de zandweg en het rijgedrag van de bestuurders spelen op zichzelf geen rol in het kader van de bewijsopdracht. Niet is komen vast te staan dat de verkeersbewegingen waarover wordt verklaard verband houden met de uitoefening van een aannemingsbedrijf. Deze zullen dus verband houden met andere, al dan niet commerciële, activiteiten van [gedaagde].

2.5. De conclusie wordt ook niet anders doordat volgens de verklaringen van [eiser], deels bevestigd door [getuige 2] en in overeenstemming met de stellingen van [gedaagde] c.s. zelf, dat het aannemingsbedrijf van [gedaagde] volgens de Kamer van Koophandel, de telefoongids, Google en de post gevestigd is aan de Bisschopweg te [woonplaats] en dat in reclame-uitingen van het bedrijf, bijvoorbeeld op borden en auto’s, altijd ‘[gedaagde] [woonplaats]’ staat. [gedaagde] heeft van zijn kant immers verklaard dat hij de statutaire vestigingsplaats van het aannemingsbedrijf op de Bisschopweg te [woonplaats] heeft gehouden vanwege de naamsbekendheid van ‘[gedaagde] [woonplaats]’ en zijn wens te verhuizen naar een geschikte bedrijfskavel in [woonplaats], zodra die beschikbaar komt. Hij heeft er daarmee een plausibele verklaring voor gegeven dat het statutaire adres en het adres op reclame-uitingen afwijkt van het feitelijke adres van vestiging. Gezien de inzet van de onderhavige procedure, te weten overlast als gevolg van de uitoefening van een aannemingsbedrijf, ziet de bewijsopdracht niet op de vraag waar het aannemingsbedrijf van [gedaagde] statutair is gevestigd (of waar de administratie wordt gevoerd), maar op de vraag waar de mogelijk overlast veroorzakende werkzaamheden worden verricht.

2.6. Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat [eiser] niet is geslaagd in het bewijs dat [gedaagde] op de [adres] (te [woonplaats]) nog steeds een aannemingsbedrijf uitoefent.

vordering onder 1

2.7. [eiser] heeft onder 1 gevorderd a) een verbod tot gebruik van het perceel op het adres [adres] voor de uitoefening van een aannemingsbedrijf, b) een bevel tot het verwijderen van bouwmaterialen ten behoeve van het aannemingsbedrijf, c) een verbod de woning aan de [adres] anders te bewonen dan ten behoeve van de ter plaatse aanwezige agrarische inrichting en d) een bevel bouwwerken die worden gebruikt ten behoeve van het aannemingsbedrijf af te breken. Deze vorderingen zijn alle vier gebaseerd op de stelling dat [gedaagde] c.s. hun perceel op het adres [adres] gebruiken ten behoeve van het aannemingsbedrijf (dagvaarding onder 8 en 9). Omdat [eiser] niet is geslaagd in het bewijs van die stelling, is de grondslag aan deze vorderingen komen te ontvallen. Deze zullen daarom worden afgewezen.

vordering onder 2

2.8. [eiser] heeft onder 2 gevorderd dat de rechtbank verbiedt dat er meer verkeersbewegingen van en naar de agrarische inrichting op het adres [adres] worden gemaakt dan in de geldende milieuvergunning vergund, op straffe van verbeurte van dwangsommen. Hij heeft het volgende aan deze vordering ten grondslag gelegd. Het aantal verkeersbewegingen van en naar de agrarische inrichting is gemaximeerd in de milieuvergunning die voor de kippenschuur c.a. is verleend. Overschrijding van de toegestane aantallen is in strijd met die vergunning en daardoor onrechtmatig. [eiser] lijdt daardoor schade omdat het verkeer langs zijn huis komt. Daarom heeft hij recht op en belang bij een verbod op overschrijding van deze aantallen. [gedaagde] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

2.9. Van de milieuvergunning van 23 mei 2006 maakt de aanvraag in zijn geheel deel uit. In die aanvraag is onder 5.2 in het hoofdstuk ‘geluid’ het aantal verkeersbewegingen opgenomen van en naar de inrichting (tot het houden van vee). Daaruit volgt dat op grond van de vergunning het aantal verkeersbewegingen van en naar die inrichting moet worden beperkt tot de in de aanvraag genoemde aantallen. Dat houdt niet in dat het aantal verkeersbewegingen naar het adres [adres] met een andere bestemming dan de inrichting aan een maximum is gebonden. Het is gesteld noch gebleken, laat staan te bewijzen aangeboden, dat het verkeer waarvan [eiser] stelt overlast te ondervinden de inrichting als bestemming heeft. Er is dus geen ruimte voor een bewijsopdracht daarover. De conclusie is dat deze vordering wordt afgewezen.

vordering onder 3

2.10. [eiser] heeft onder 3 gevorderd dat de rechtbank [gedaagde] c.s. veroordeelt tot betaling aan hem van € 100.000,- schadevergoeding. Hij heeft het volgende aan deze vordering ten grondslag gelegd. Door de illegale uitoefening van het aannemersbedrijf en de daarmee samenhangende verkeersbewegingen over de zandweg langs zijn woning, lijdt [eiser] al vanaf de vestiging van het bedrijf in 2004 schade in de vorm van overlast, vermindering van woongenot en waardedaling van de woning. De WOZ-waarde van de woning van [eiser] is door de gemeente [woonplaats] bij besluit van 1 augustus 2008 verlaagd met € 25.000,- naar aanleiding van een gegrond verklaard bezwaarschrift van [eiser], waarin deze had betoogd dat bij het vaststellen van de WOZ-waarde ten onrechte geen rekening was gehouden met de overlast door het gebruik van de zandweg langs de woning ten gevolge van de illegale bedrijfsactiviteiten van [gedaagde]. De werkelijke schade is volgens [eiser] veel hoger omdat de aantrekkelijkheid van de woning samenhangt met de landelijke omgeving en deze aantrekkelijkheid van de overlast te lijden heeft. [eiser] heeft de schade ten gevolge van overlast, vermindering van woongenot en waardedaling van de woning geschat op zeker € 100.000,- (dagvaarding onder 11).

2.11. De vordering tot vergoeding van schade door overlast van verkeer in het kader van de illegale uitoefening van het aannemersbedrijf door [gedaagde] c.s. moet worden afgewezen omdat [eiser] niet is geslaagd in het bewijs van de stelling dat [gedaagde] c.s. ter plaatse nog steeds een aannemersbedrijf uitoefenen. Voor zover de vordering betrekking heeft op schade die is geleden toen het aannemingsbedrijf nog wel ter plaatse werd uitgeoefend, kan deze evenmin worden toegewezen. [eiser] heeft immers niet betwist dat hij voor 2007, toen hij de gemeente heeft verzocht om handhaving van de vigerende bestemming, geen punt heeft gemaakt van het gebruik dat [gedaagde] c.s. van het perceel en de zandweg maakten (antwoord onder 10). Daar komt bij dat [eiser] zijn schatting van de schade op ‘zeker € 100.000,-’ onvoldoende heeft toegelicht. In dat ronde bedrag is geen onderscheid gemaakt tussen schade door overlast, schade door waardedaling van het huis en andere schade. Verlaging van de WOZ-waarde levert niet zonder meer schade op, en heeft zelfs het onmiddellijke gevolg dat [eiser] minder belasting hoeft te betalen dan voor de verlaging. Een eventuele waardedaling door de illegale uitoefening van een aannemersbedrijf wordt bovendien weer opgeheven op het moment dat aan die activiteiten een eind komt. [eiser] heeft in zijn schatting van de schade ook geen onderscheid gemaakt naar schade door overlast ondervonden voordat hij de gemeente verzocht de vigerende bestemming te handhaven dan wel [gedaagde] c.s. het aannemingsbedrijf hebben verplaatst en schade door overlast na die momenten.

2.12. De conclusie is dat de vordering tot vergoeding van schade zal worden afgewezen.

vordering onder 4

2.13. Omdat de vordering van [eiser] [gedaagde] c.s. te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wordt afgewezen, wordt ook zijn vordering tot vergoeding van kosten van beslagen, gelegd tot zekerheid van verhaal van schadevergoeding, afgewezen.

vorderingen onder 5 en 6

2.14. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

in reconventie

2.15. Aan hun vordering tot opheffing van het conservatoire beslag hebben [gedaagde] c.s. ten grondslag gelegd hetgeen zij in conventie hebben aangevoerd. Zij betogen dat er geen sprake is van het verminderen van de waarde van de woning (eis in reconventie onder 32 en 33).

2.16. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] c.s. met ‘het conservatoire beslag’ doelt op de conservatoire beslagen genoemd in de dagvaarding onder 13, te weten het derdenbeslag onder de ABN AMRO bank en de beslagen op onroerende zaken, alle gelegd op 24 oktober 2008. Of deze beslagen moeten worden opgeheven nu de vordering tot zekerheid waarvan zij zijn gelegd in conventie is afgewezen, dient te worden beoordeeld op grond van een afweging van de wederzijdse belangen (HR 30 juni 2006, NJ 2007/483). [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan het beslag in weerwil van de afwijzing van zijn vordering in conventie gehandhaafd moet blijven. [eiser] zal daarom worden veroordeeld het beslag op te heffen, met dien verstande dat de termijn zal worden gesteld op een week na betekening van dit vonnis.

2.17. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van [gedaagde] c.s. begroot op € 2.235,- aan vast recht, € 4.973,50 aan salaris voor de advocaat en € 123,25 aan taxe;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

veroordeelt [eiser] binnen een week na betekening van dit vonnis de conservatoire beslagen (gelegd op 24 oktober 2008 op onroerende zaken van [gedaagde] c.s. en onder de ABN AMRO bank) op te heffen;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van [gedaagde] c.s. begroot op € 579,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.?

coll.: CLB