Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN2448

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
AWB 09/3453
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bestreden besluiten niet kenbaar dat verweerder de algemene belangen en de belangen van eisers bij vaststelling van de huisnummers op de door verweerder voorgestane wijze, noch de betrokken belangen bij vaststelling van de huisnummers op de door eisers gehanteerde wijze in kaart heeft gebracht. Daaruit voortvloeiend blijkt evenmin van een afweging van die belangen.

Verweerder wordt in de gelegenheid gesteld dit gebrek te helen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/3453

tussenuitspraak ingevolge artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[maatschap], eiseres, gevestigd te [plaats],

[bewoner], en anderen, bewoners, wonende te [pla[plaats],

allen tezamen te noemen: eisers,

allen vertegenwoordigd door H.L. Buijs,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 13 juli 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2008 heeft verweerder voor de woningen in het woongebouw gelegen aan het perceel [perceel] te [plaats] (hierna: het woongebouw) huisnummers vastgesteld.

Bij de in rubriek 1 aangeduide besluiten heeft verweerder de door eisers afzonderlijk gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en het besluit van 5 november 2008 gehandhaafd.

Tegen deze besluiten is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 15 april 2010. Eisers zijn aldaar vertegenwoordigd door de heer Buijs, voornoemd, werkzaam bij GRE vastgoedmanagement. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.D. Haja en L.M.N. van den Konink, beiden werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ingevolge artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank een tussenuitspraak als zij artikel 8:51a van de Awb toepast.

De rechtbank ziet in het onderhavige geval aanleiding tot het doen van een tussenuitspraak en overweegt daartoe als volgt.

Op 17 november 2005 heeft verweerder een vergunning verleend voor de bouw van het woongebouw. Eisers hebben aangevoerd dat in 2005 een ambtenaar van de gemeente Rheden ([ambtenaar]) met hen in overleg is getreden ter vaststelling van de huisnummers voor het woongebouw. Naar aanleiding hiervan hebben eisers huisnummers vastgesteld. Eisers betogen dat deze ambtenaar heeft toegezegd dat de door hen gehanteerde huisnummering door verweerder zou worden overgenomen. Eind 2007 is het woongebouw in gebruik genomen, waarbij gebruik is gemaakt van de door eisers gehanteerde huisnummering. Eisers voeren aan dat alle betrokken instanties deze huisnummering hanteren.

Verweerder heeft – in afwijking van het advies van de bezwarencommissie van 5 februari 2009 – aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat de huisnummers van de woningen binnen het woongebouw, in tegenstelling tot de nummering door of namens eisers zelf aangebracht, zijn toegekend in overeenstemming met vast (ongeschreven) beleid. Er is geen gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de door eisers aangebrachte nummering zou worden overgenomen, aldus verweerder.

De gemeenteraad van de gemeente Rheden heeft op 26 september 1995 de Verordening huisnummering (hierna: de Verordening) vastgesteld.

Artikel 1, aanhef en onderdeel h, van de Verordening bepaalt dat onder een nummer wordt verstaan een nummer bestaande uit een of meer Arabische cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter of een cijfercombinatie.

Ingevolge artikel 2 van de Verordening kunnen burgemeester en wethouders aan een object of aan een te onderscheiden deel daarvan een nummer toekennen. Aan een object dat een nummer heeft gekregen moet het nummer op een doeltreffende wijze zijn aangebracht.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening is het een ieder die daartoe niet bevoegd is, verboden aan zijn onroerende zaak nummers toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen.

Uit artikel 3:2 van de Awb volgt dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaard. Uit het bepaalde in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb volgt dat het bestuursorgaan alvorens over te gaan tot het nemen van een besluit een afweging maakt van alle bij het te nemen besluit betrokken belangen. Een dergelijke afweging kan gebaseerd zijn op het ter zake gevoerde beleid en dient op kenbare wijze te volgen uit het besluit, eventueel door middel van verwijzing naar een beleidsregel. Op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient een beslissing op bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

De rechtbank stelt vast dat zowel de door verweerder als de door eisers gehanteerde nummering niet strijdig is met de Verordening. De rechtbank stelt tevens vast dat artikel 2 van de Verordening verweerder een discretionaire bevoegdheid verleent tot het vaststellen van een (huis)nummer. Dit betekent dat aan verweerder beleidsvrijheid is gegeven. Daarmee is gegeven dat verweerder de bij de besluitvorming betrokken belangen moet inventariseren en tegen elkaar moet afwegen. Het resultaat van die belangenafweging moet vervolgens niet-onevenredig zijn. De belangenafweging en het resultaat daarvan moeten in het betreffende besluit kenbaar zijn gemaakt. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval onvoldoende gebleken.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat verweerders belang is gelegen in een consequente toepassing van een vaste gedragslijn. Zo al sprake zou zijn van een vaste gedragslijn, volgt de rechtbank dit betoog niet. Verweerder dient ook bij een vaste gedragslijn in ieder afzonderlijk geval de met die gedragslijn te dienen belangen af te wegen tegen de overige bij het te nemen besluit betrokken belangen. Een onverkorte handhaving van een vaste gedragslijn is geen zelfstandig door verweerder te wegen belang. Andere bij de besluitvorming te betrekken belangen zijn door verweerder niet gesteld.

Eisers hebben aangevoerd dat zij en diverse instanties, waaronder de gemeente Rheden, reeds vanaf 2007 de door hen gehanteerde huisnummers gebruiken. In de bestreden besluiten noch in het verweerschrift heeft verweerder dit betwist, zodat de rechtbank daar thans vanuit gaat. Voorts is aangegeven dat deze huisnummering in overleg met een ambtenaar tot stand is gekomen en op grond van diens toezeggingen in gebruik is genomen. Ook dit betoog heeft verweerder in de bestreden besluiten niet weersproken. Blijkens haar advies gaat de bezwarencommissie er eveneens vanuit dat deze ambtenaar contact heeft gezocht met eiseres om tot een huisnummering te komen. Het betoog van de gemachtigde van verweerder ter zitting dat zij noch haar collega’s op de hoogte waren van een toezegging is, gezien het vorenstaande, een onvoldoende weerlegging van het betoog van eisers.

Derhalve had verweerder het belang van eisers bij handhaving van de door hen gehanteerde nummering, gezien het langdurige gebruik daarvan, gezien het overleg met en de toezeggingen door een medewerker van verweerder en gezien het feit dat de door eisers gehanteerde nummering niet met de Verordening in strijd is, bij de te verrichten belangenafweging moeten betrekken. Mede gezien het langdurige gebruik van de nummering zoals door eisers gehanteerd, zal verweerder oog moeten hebben voor de belangen van eisers bij voorkoming van diverse administratieve handelingen en daarmee samenhangende kostenposten bij het hernummeren van de woningen van het woongebouw tot de door verweerder voorgestane nummering. Daarbij merkt de rechtbank op dat verweerders betoog dat eisers niet bevoegd waren zelfstandig nummers vast te stellen, een onvoldoende erkenning van eisers belangen is.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bestreden besluiten niet kenbaar dat verweerder de algemene belangen en de belangen van eisers bij vaststelling van de huisnummers op de door verweerder voorgestane wijze, noch de betrokken belangen bij vaststelling van de huisnummers op de door eisers gehanteerde wijze in kaart heeft gebracht. Daaruit voortvloeiend blijkt evenmin van een afweging van die belangen. Derhalve zijn de bestreden besluiten in strijd met de artikelen 3:2, 3:4, eerste lid, en 7:12, eerste lid van de Awb. Daarom kan de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen wegens strijd met voornoemde bepalingen.

Overeenkomstig de op 1 januari 2010 in werking getreden Wet bestuurlijke lus Awb (Stb. 2009, 570 en Stb. 2009, 597) ziet de rechtbank in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil echter aanleiding verweerder onder toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen bovengenoemd gebrek in de bestreden besluiten te herstellen. Concreet betekent dit dat verweerder kenbaar zal moeten maken welke belangen van partijen hij heeft geïnventariseerd, hoe deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen en wat het resultaat is van die belangenafweging. Daarbij dient verweerder tevens te betrekken de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb.

De rechtbank zal de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen bepalen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.

Indien verweerder heeft medegedeeld geen gebruik te maken van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen of de termijn die daarvoor is bepaald ongebruikt is verstreken, zal de rechtbank met inachtneming van artikel 8:57, tweede lid, van de Awb, het onderzoek sluiten en einduitspraak doen zonder nadere zitting. In de overige in dit artikel genoemde gevallen kan de rechtbank bepalen dat een nadere zitting achterwege blijft.

De rechtbank neemt thans geen beslissing over de vergoeding van het betaalde griffierecht en de gemaakte proceskosten. Zij wacht hiermee tot de einduitspraak op het beroep.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank

heropent het onderzoek en

-stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de bestreden besluiten, met inachtneming van deze tussenuitspraak, in overeenstemming te brengen met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:4, eerste lid, en 7:12, eerste lid, van de Awb en de rechtbank daarvan in kennis te stellen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, en mrs. W.H.A.C.M. Bouwens en J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010

Hoger beroep tegen deze tussenuitspraak kan alleen gelijktijdig met het hoger beroep tegen de einduitspraak worden ingesteld.

Verzonden op: