Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN2444

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-06-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
AWB 09/5258
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 30 april 2009 is in Apeldoorn een aanslag gepleegd op de koninklijke familie, waarbij een aantal doden zijn gevallen. Hierop heeft verweerder de festiviteitenvergunning van eiseres op 30 april 2009 vanaf 18.00 uur ingetrokken.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting begrijpt de rechtbank dat aan de intrekking ten grondslag ligt dat vele inwoners van de gemeente Neder-Betuwe waren aangedaan door de gebeurtenissen in Apeldoorn, en dat verweerder het, mede gelet op de gevoelens van een groot deel van de bevolking van de gemeente, ongepast vond om de festiviteiten voort te zetten.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat het vergunningvereiste mede strekt ter bescherming van het belang om te voorkomen dat een evenement plaatsvindt op een moment dat zodanig ongepast is dat om die reden een vergunning geweigerd moet kunnen worden. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit standpunt onjuist te achten.

Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder voldoende heeft onderbouwd dat sprake was van een verandering van de omstandigheden waardoor intrekking van de vergunning noodzakelijk was ter bescherming van het hiervoor genoemde belang. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.

De impact van de gebeurtenissen van 30 april 2009 was erg groot. De bevolking was geschokt door het feit dat een aanslag had plaatsgevonden op de koninklijke familie en door de dodelijke slachtoffers die daarbij gevallen waren. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat dit ook in de gemeente Neder-Betuwe het geval was, en heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het onder deze omstandigheden zodanig ongepast zou zijn om de festiviteiten voort te zetten dat intrekking van de vergunning gerechtvaardigd was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/5258

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

V.O.F. Albo, h.o.d.n. Café de Uitspraak, eiseres,

gevestigd te Kesteren, vertegenwoordigd door mr. J.R. Dobbelsteijn Bisschops,

tegen

de burgemeester van de gemeente Neder-Betuwe, verweerder,

vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 16 november 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2009 heeft verweerder de festiviteitenvergunning, die op 30 maart 2009 aan eiseres verleend was, ingetrokken voor de datum 30 april 2009 vanaf 18.00 uur. Dit besluit is op schrift gesteld op 5 juni 2009.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 17 mei 2010. Namens eiseres zijn aldaar verschenen H. Bosch en J.P. Alblas, vennoten van eiseres, bijgestaan door mr. J.R. Dobbelsteijn Bisschops, juridisch adviseur te Ingen. Voorts is verschenen ir. C.W. Veerhoek, verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, en door J. Veerman, ambtenaar van de gemeente Neder-Betuwe.

3. Overwegingen

Bij besluit van 30 maart 2009 heeft verweerder vergunning verleend aan eiseres voor het organiseren van festiviteiten in het kader van Koninginnedag op donderdag 30 april 2009 in een tent op het Dorpsplein te Kesteren van 10.00 tot 24.00 uur, en voor het organiseren van een tentfeest op vrijdag 1 mei 2009 van 19.00 tot 01.00 uur.

Op 30 april 2009 heeft verweerder aan het eind van de middag het besluit genomen om de vergunning voor de festiviteiten op 30 april 2009 in te trekken vanaf 18.00 uur. Dit besluit is telefonisch aan eiseres meegedeeld. Op 5 juni 2009 is het besluit op schrift gesteld.

Artikel 2.25, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Neder-Betuwe (verder: de APV) luidt als volgt:

“1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.”

Artikel 1.6, aanhef en onder b, van de APV luidt als volgt:

“De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

b. indien op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;”

Voorwaarde 14 van de vergunning van 30 maart 2009 luidt als volgt:

“14. de burgemeester is te allen tijde bevoegd deze vergunning in te trekken of de daarbij gestelde voorwaarden aan te vullen of te wijzigen, met de mogelijkheid van onmiddellijke inwerkingtreding. Dit indien dat naar zijn oordeel noodzakelijk en wenselijk is, of indien en of meerdere van de aan deze vergunning verbonden voorwaarden wordt overtreden of niet (voldoende) wordt nageleefd;”

De rechtbank is van oordeel dat de bevoegdheid van verweerder om een op grond van artikel 2.25 van de APV verleende vergunning in te trekken, is beperkt tot de bevoegdheid tot intrekking die in artikel 1.6, aanhef en onder b, van de APV aan verweerder is toegekend.

Voor zover de aan de vergunning verbonden voorwaarde 14 een uitbreiding van die bevoegdheid zou beogen te bewerkstelligen, is die uitbreiding in strijd met het systeem van de APV, en ontbreekt een wettelijke grondslag voor die uitbreiding. Derhalve dient beoordeeld te worden of de intrekking van de vergunning de toetsing aan artikel 1.6, aanhef en onder b, van de APV kan doorstaan.

Dat, zoals verweerder heeft gesteld, de vergunning van 30 maart 2009, inclusief de daarin opgenomen voorwaarde 14, onherroepelijk is geworden, doet aan het voorgaande niet af.

Gelet op de bepaalde in artikel 1.6, aanhef en onder b, van de APV ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag wat de belangen zijn ter bescherming waarvan een evenementenvergunning vereist is.

Artikel 2.25 van de APV bevat geen weigeringsgronden, aan de hand waarvan zou kunnen worden nagegaan welke belangen beoogd zijn te beschermen door het vergunningvereiste. Het artikel is geplaatst in hoofdstuk 2 “Openbare orde”van de APV. Dat betekent dat het vergunningvereiste in ieder geval is gesteld ter bescherming van het belang van handhaving van de openbare orde. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee niet uitgesloten dat ook andere belangen aan het vergunningvereiste ten grondslag liggen.

Op 30 april 2009 is in Apeldoorn een aanslag gepleegd op de koninklijke familie, waarbij een aantal doden zijn gevallen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting begrijpt de rechtbank dat aan de intrekking ten grondslag ligt dat vele inwoners van de gemeente Neder-Betuwe waren aangedaan door de gebeurtenissen in Apeldoorn, en dat verweerder het, mede gelet op de gevoelens van een groot deel van de bevolking van de gemeente, ongepast vond om de festiviteiten voort te zetten.

Impliciet heeft verweerder hiermee het standpunt ingenomen dat het vergunningvereiste mede strekt ter bescherming van het belang om te voorkomen dat een evenement plaatsvindt op een moment dat zodanig ongepast is dat om die reden een vergunning geweigerd moet kunnen worden. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit standpunt onjuist te achten.

Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder voldoende heeft onderbouwd dat sprake was van een verandering van de omstandigheden waardoor intrekking van de vergunning noodzakelijk was ter bescherming van het hiervoor genoemde belang. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.

De impact van de gebeurtenissen van 30 april 2009 was erg groot. De bevolking was geschokt door het feit dat een aanslag had plaatsgevonden op de koninklijke familie en door de dodelijke slachtoffers die daarbij gevallen waren. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat dit ook in de gemeente Neder-Betuwe het geval was, en heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het onder deze omstandigheden zodanig ongepast zou zijn om de festiviteiten voort te zetten dat intrekking van de vergunning gerechtvaardigd was.

Uit het beroepschrift en het verhandelde ter zitting begrijpt de rechtbank dat eiseres zich op het standpunt stelt dat het besluit van verweerder om de vergunning in te trekken onrechtmatig is omdat verweerder daarbij niet een passende schadevergoeding aan eiseres heeft toegekend. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. De rechtbank is van oordeel dat het in beginsel tot het normale ondernemersrisico behoort indien een evenementenvergunning op rechtmatige wijze wordt ingetrokken. Van dermate bijzondere omstandigheden, of een dermate onevenredige schade voor eiseres, dat van dit uitgangspunt afgeweken zou moeten worden is niet gebleken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vergunning slechts is ingetrokken voor 30 april 2009 vanaf 18.00 uur, en dat eiseres dus van de vergunning gebruik heeft kunnen maken op 30 april 2009 van 10.00 tot 18.00 uur, en op 1 mei 2009 van 19.00 tot 1.00 uur.

Dat, naar eiseres gesteld heeft, in andere gemeenten wel compensatie aan ondernemers is aangeboden doet aan het voorgaande niet af.

Aangezien de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, als voorzitter, en mrs. J.A. van Schagen en I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, als rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 24 juni 2010