Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN2441

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
AWB 09-4484
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Herstelbeleid bestelauto’s. Goedkeuring in Leidraad BPM 2006 geldt niet voor de situatie van eiser, zoals in april 2009 geconstateerd (geen vaste tussenwand en een zijruit). In het nieuwe besluit van 21 juni 2010 is het oude besluit ingetrokken en is de goedkeuring algemener geformuleerd. Geldt het nieuwe besluit voor eiser? Ja (stellingen uitgelegd als beroep op nieuwe besluit en zonodig ambtshalve). Telefonische informatie van het ministerie dat geen wijziging is beoogd, doet daar niet aan af. Naheffingsaanslag vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1852
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 09/4484

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 22 juli 2010

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Noord, kantoor Groningen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 19 juni 2009 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000]) belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 2.866, alsmede bij beschikking een verzuimboete van

€ 286.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 2 oktober 2009 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking verminderd tot respectievelijk € 1.795 en € 179.

Eiser heeft daartegen bij brief van 8 november 2009, ontvangen door de rechtbank op 10 november 2009, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2010 te Arnhem. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde]. Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 6 mei 2010 aan [X] op het adres [A-straat 1 ] te [Z], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TNT Post is gebleken dat de brief op 11 mei 2010 door eiser is afgehaald op de afhaallocatie van TNT Post, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

2. Feiten

Eiser is houder van een voertuig van het merk [A], type [B] met kenteken [00-AAA-1] (hierna: het voertuig). Het voertuig is op

22 oktober 2003 als bestelauto in het kentekenregister geregistreerd.

Op 7 april 2009 hebben ambtenaren van de Douane Noord, kantoor Hengelo, het voertuig gecontroleerd. Daarbij hebben zij vastgesteld dat er geen vaste wand in de auto aanwezig was die de cabine van de laadruimte splitst en dat aan de linkerzijde een doorzichtig raam aanwezig was.

3. Geschil

In geschil is of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht en tot een juist bedrag aan eiser zijn opgelegd.

4. Beoordeling van het geschil

Tussen partijen is niet in geschil dat het voertuig op de controledatum niet voldeed aan de gestelde inrichtingseisen die ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) juncto artikel 2 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 worden gesteld aan een bestelauto, zodat het voertuig moest worden aangemerkt als een personenauto.

Eiser stelt dat hij nooit de intentie heeft gehad om de BPM te omzeilen en dat sprake was van overmacht. Door het plaatsen van de tussenwand was schade ontstaan aan de bedrading van het voertuig en eiser was nog niet in de gelegenheid geweest dit op te lossen. Omdat eiser naar zijn zeggen het paneel aan de linkerzijde van het voertuig tijdens het rijden is verloren, heeft hij de oorspronkelijk zijruit er tijdelijk weer ingezet. Na de controle door de Douane zijn het tussenschot en het paneel weer terug geplaatst.

De rechtbank verstaat de stellingen van eiser als een beroep op het herstelbeleid. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De Wet BPM biedt geen mogelijkheid naheffing te voorkomen door herstel achteraf. Wel hebben de staatssecretaris en de Minister van Financiën beleidsregels uitgevaardigd waarin mogelijkheden tot herstel en voorkoming van naheffing zijn opgenomen.

Ter zitting heeft verweerder het Besluit van de minister van Financiën van 4 juni 2010, nr. DGB2010/1607M, Stcrt. 2010/9057, overgelegd. Volgens verweerder is hij gehouden dit nieuwe besluit toe te passen als dit voor de belastingplichtige gunstiger is dan toepassing van het oude besluit uit 2006 (Besluit van de Minister van Financiën van 12 september 2006, nr, CPP2006/1980M, Stcrt. 2006, 185, VN 2006/53.23, de zgn. Leidraad BPM 2006). In het oude besluit is uitdrukkelijk opgenomen dat (onder andere) geen mogelijkheid tot herstel wordt geboden als er geen volledige vaste tussenwand aanwezig is en ook niet als aan de laadruimte een zijruit is aangebracht. Verweerder is van mening dat het nieuwe besluit voor eiser niet gunstiger is. Dat blijkt volgens hem enerzijds uit het in het besluit omschreven herstelbeleid onder punt 12 in combinatie met de aanhef van het besluit en anderzijds uit navraag op het ministerie van Financiën waaruit is gebleken dat met betrekking tot het herstelbeleid geen wijziging is beoogd ten opzichte van het oude besluit.

De aanhef van het nieuwe besluit vermeldt het volgende:

“In dit besluit zijn uit de Leidraad belastingen van personenauto’s en motorrijwielen 2006 (…) de standpunten overgenomen waaraan een specifiek beleidsstandpunt ten grondslag ligt. De passages uit de Leidraad die niet in dit besluit zijn overgenomen hebben louter een toelichtend karakter. Gewijzigd zijn de standpunten over (…) het herstelbeleid. (…).”

In het onder punt 12 van het besluit opgenomen herstelbeleid is onder meer het volgende bepaald:

“(…) In de situaties dat herstel betrekkelijk eenvoudig kan worden gerealiseerd, keur ik met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed, dat de kentekenhouder de geconstateerde onregelmatigheden kan herstellen. Dit houdt in dat niet direct bij eerste constatering van gebruik van de weg met een dergelijk motorrijtuig een naheffingsaanslag bpm wordt opgelegd.

Ik stel hierbij de voorwaarde dat de kentekenhouder binnen een bepaalde termijn de geconstateerde afwijking(en) van de inrichtingseisen voor bestelauto’s herstelt en dit toont aan de inspecteur. (…)

Deze goedkeuring is niet van toepassing als de inspecteur de kentekenhouder al eerder een Informatieformulier inrichtingseisen bestelauto’s heeft uitgereikt of deze op een andere wijze heeft geïnformeerd over de inrichtingseisen. De goedkeuring geldt ook niet als de kentekenhouder door zijn functie of door de door hem ontplooide activiteiten op de hoogte is of behoort te zijn met de toepassing van de wet. (…)”

Naar het oordeel van de rechtbank moet eisers beroep op het herstelbeleid worden geacht mede betrekking te hebben op het herstelbeleid in het nieuwe besluit. Voor zover zou moeten worden aangenomen dat eiser niet voldoende expliciet een beroep heeft gedaan op het nieuwe besluit, past de rechtbank dit nieuwe besluit ambtshalve toe op basis van artikel 4:84 van de Awb.

Volgens het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 1987, nr. 23 581, BNB 1987/161, kan een belastingplichtige zich met vrucht beroepen op een rechtens te beschermen vertrouwen, door een resolutie bij hem gewekt, ongeacht het tijdstip waarop het tot belastingheffing aanleiding gevende feit zich heeft voorgedaan. Dit is slechts anders indien en voor zover de resolutie zulks uitdrukkelijk bepaalt. Eiser kan zich in het onderhavige geval op het nieuwe besluit beroepen, ondanks het feit dat het nieuwe besluit van een latere datum is dan de uitgevoerde controle, omdat in dit besluit niet uitdrukkelijk anders is bepaald.

In tegenstelling tot hetgeen verweerder heeft bepleit, voldoet eiser aan het herstelbeleid zoals geformuleerd in het nieuwe besluit. Vast staat dat eiser de gebreken aan het voertuig kort na de controle op 7 april 2009 heeft hersteld en dat aan verweerder kenbaar heeft gemaakt. Niet gesteld of gebleken is dat aan eiser eerder een Informatieformulier inrichtingseisen bestelauto’s is uitgereikt of dat eiser op andere wijze is geïnformeerd over de inrichtingseisen. Evenmin is gesteld of gebleken dat eiser door zijn functie of door de door hem ontplooide activiteiten op de hoogte was of behoorde te zijn met de toepassing van de wet. Dit leidt tot het oordeel dat eiser zich met succes op het in het nieuwe besluit geformuleerde herstelbeleid kan beroepen. Dat uit navraag door verweerder op het ministerie van Financiën is gebleken dat geen wijziging is beoogd ten opzichte van het oude besluit, maakt dit niet anders, nu dit uit de tekst van het nieuwe besluit niet blijkt. Integendeel, in de aanhef van het besluit is expliciet bepaald dat de standpunten over het herstelbeleid zijn gewijzigd. Bovendien is de goedkeuring in het nieuwe besluit veel algemener geformuleerd dan de goedkeuring in het oude besluit, terwijl de expliciete uitsluitingen die in het oude besluit stonden vermeld, niet meer zijn opgenomen.

Uit het bovenstaande volgt dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking ten onrechte aan eiser zijn opgelegd. Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard. Eisers klacht over de schending van de hoorplicht behoeft derhalve geen behandeling meer.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu niet is gesteld of gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag en de boetebeschikking en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 150 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.G. Tiemessen, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 22 juli 2010

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.