Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN2307

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-06-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
200128
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Staking executie.

In dit kort geding is niet aannemelijk geworden dat eiser dwangsommen heeft verbeurd wegens overtreding van het eindvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 200128 / KG ZA 10-305

Vonnis in kort geding van 25 juni 2010

in de zaak van

[eisers],

eisers,

advocaat mr. R.A.F. Willems te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

[gedaagde],

gedaagde,

advocaat mr. H.M. Punt te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen wonen allen aan de [adres] te [woonplaats]. Zij zijn daar eigenaar van verschillende percelen grond, [gedaagde] van perceel (kadastraal bekend gemeente [gemeente], ook wel bekend als [gemeente]) L 104, [eiser sub 1] van perceel L 125 en L 127, en [eiser sub 2] van perceel L 126. De percelen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] enerzijds en het perceel van [gedaagde] anderzijds worden gescheiden door de [adres] en liggen ongeveer tegenover elkaar.

De percelen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] liggen aan de rivierzijde van de dijk, het perceel van [gedaagde] aan de andere kant. Alle percelen hebben hun uitrit naar de dijk. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben een gezamenlijke uitrit. De uitritten van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] enerzijds en die van [gedaagde] anderzijds komen vrijwel, maar niet precies, tegenover elkaar op de [adres] uit. Van de uitrit van [gedaagde] loopt langs de zuidwestgrens van zijn perceel en langs zijn woning door naar de noordwestgrens van zijn perceel een weg (hierna: de weg) die uitkomt op de [adres 2]. Langs (een gedeelte van) deze weg van [gedaagde] staat een haag

2.2. Ten nutte van (onder meer) de huidige percelen van [eiser sub 1] en ten laste van het huidige perceel van [gedaagde] is op 13 juni 1934 de volgende erfdienstbaarheid gevestigd:

“(…) recht van uitweg, om te komen van en naar den [adres 2] (…) met bepaling dat het onderhoud van het hek aan den [adres 2] is voor rekening van den eigenaar van het lijdend erf en dat het hek boven aan den dijk voor rekening van de eigenaren der heerschende erven zal zijn.”

Krachtens akte van toedeling van 12 december 1983 is deze erfdienstbaarheid als onderdeel van de ruilverkaveling “Lek en Linge” als volgt hergevestigd:

“Ten behoeve van de kavels [gemeente] L 124, L 125, L 127 en ten laste van de kavel [gemeente] L 104 wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van weg om te komen en te gaan van en naar de [adres 2], naar en van de heersende kavels uit te oefenen op de minst bezwarende wijze (…) waarbij de kosten van het onderhoud van die weg bij helfte ten laste komen van de eigenaar van de lijdende kavel en bij helfte ten laste van de eigenaars van de heersende kavels.”

2.3. Ten behoeve van het huidige perceel van [eiser sub 2] en ten laste van het huidige perceel van [gedaagde] is op 13 juni 1934 eveneens een erfdienstbaarheid van weg gevestigd “van en naar den dijk en den [adres 2]”. In de vestigingsakte zijn onder meer de volgende voorwaarden opgenomen:

“De erfdienstbaarheid is gevestigd zoo voor de tegenwoordige als voor elke toekomstige bestemming van het heerschend erf.

De uitweg mag niet worden bereden met motor- rij of voertuigen, alzoo wel met rij- en voertuigen met paarden bespannen.

De op de uitweg aanwezige, reeds gestelde of nog te stellen hekken zullen na gebruik moeten worden gesloten.”

Ook deze erfdienstbaarheid is ter gelegenheid van voornoemde ruilverkaveling hergevestigd, en wel als volgt:

“Ten behoeve van de kavel [gemeente] L 126 en ten laste van de kavel [gemeente] L 104 wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van uitweg om te komen van en te gaan naar de [adres 2] en van de heersende kavel, uit te oefenen langs de zuidwestgrens van de lijdende kavel, met bepaling dat de weg niet mag worden bereden met motorrij- of voertuigen alzo wel met rij- en voertuigen met paarden bespannen en dat de op de weg aanwezige reeds gestelde of nog te stellen hekken na gebruik moeten worden gesloten (…)”.

2.4. Het parcours van de beide erfdienstbaarheden loopt over de weg van [gedaagde].

De weg is in 2006 geasfalteerd door [gedaagde]. In de loop van 2004 heeft [gedaagde] een tweedelig ijzeren hek met spijlen en een deurkruk (hierna: het hek) geplaatst bij de toegang van de weg vanuit de [adres]. Beide delen van het hek kunnen met de hand worden geopend. Eenzelfde hek heeft [gedaagde] bij de toegang van de weg vanaf de [adres 2] geplaatst. De hekken zijn voorzien van een cijferslot.

2.5. [eiser sub 1] heeft ter plaatse een agrarisch bedrijf. In dat verband wordt de weg behalve door hem zelf mede door toeleveranciers van zijn bedrijf gebruikt. [eiser sub 2] oefent op zijn perceel ter plaatse het beroep van kunst- en portretschilder uit en ontvangt in dat verband daar ook bezoekers en leveranciers, die daartoe eveneens gebruikmaken van de weg.

2.6. Tussen partijen bestaat onenigheid over de uitoefening van de erfdienstbaarheden. Dat heeft onder meer geleid tot een bodemprocedure voor de rechtbank Arnhem (zaak- /rolnummer 133550 / HA ZA 05-2038). Daarin heeft de rechtbank, na tussenvonnis gewezen te hebben op 7 juni 2006, bij eindvonnis van 25 oktober 2006 (hierna:

het eindvonnis), in conventie, onder andere beslist:

“4.1. verklaart voor recht dat [eiser sub 2] de uitweg niet mag (laten) berijden met motorvoertuigen,

4.2. verklaart voor recht dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] slechts op de voor [gedaagde] minst bezwarende wijze gebruik mogen maken van hun recht van erfdienstbaarheid, wat onder meer inhoudt dat zij geen onnodig lawaai mogen veroorzaken, rustig moeten rijden, niet onnodig mogen stoppen op de weg anders dan voor het openen of sluiten van de hekken, en vervuiling die zonder inachtneming van het nieuwe asfalt-wegdek overmatig genoemd kan worden moeten opruimen,

4.3. verklaart voor recht dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in die zin ‘aansprakelijk zijn’ voor de wijze waarop bezoekers van hun erf gebruik maken van het recht van erfdienstbaarheid dat, indien bezoekers of leveranciers zich aan een overschrijding van het minst bezwarende gebruik als zojuist bedoeld schuldig maken, daarmee inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van [gedaagde], welke inbreuk, indien deze in het kader van de uitoefening van de erfdienstbaarheden plaatsvindt, geacht wordt door de eigenaar van het desbestreffende heersende erf te zijn begaan, dat wil zeggen [eiser sub 1] en/of [eiser sub 2],

4.4. verbiedt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gebruik te maken van het dienende erf, anders dan op de minst bezwarende wijze als onder 4.2 van het dictum bedoeld, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per overtreding, tot een maximum van

€ 10.000,--,

4.5. beveelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] om na gebruik van de uitweg het hekwerk aan de [adres] meteen te sluiten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per overtreding, tot een maximum van € 10.000,--

4.6. verklaart de onder 4.4 en 4.5 van het dictum gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad”

en in reconventie:

4.9. verklaart voor recht dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] beiden gerechtigd zijn de uitweg over het

erf van [gedaagde] te berijden met voertuigen (met uitzondering - wat [eiser sub 2] betreft - van

motorvoertuigen) en wel ongeacht of deze al dan niet via de [adres] van of naar hun erf

kunnen komen,

4.10. beveelt [gedaagde] deze rechten van erfdienstbaarheid, zoals geformuleerd in het dictum

onder 4.9, niet te belemmeren, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom

van € 100,-- per overtreding, tot een maximum van € 10.000,--”

2.7. Op 9 november 2006 is het eindvonnis aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] betekend, met gelijktijdig bevel om aan het daarin bepaalde te voldoen. Tegen dat vonnis en het tussenvonnis van 7 juni 2006 is hoger beroep ingesteld (zaaknummer 104.003.220).

2.8. Om vast te kunnen stellen of [eiser sub 1] en [eiser sub 2] voldoen aan het in conventie bepaalde in het eindvonnis, heeft [gedaagde] een of meer automatische fotocamera’s langs zijn weg geplaatst die het verkeer over deze weg fotograferen, met vermelding van datum en tijdstip van iedere foto. Op deze wijze ontstaan fotoseries, aan de hand waarvan [gedaagde] op een lijst, die doornummert, bijhoudt of – in zijn ogen – overtredingen worden begaan door [eiser sub 1] en [eiser sub 2]. [gedaagde] heeft de overtredingen op de lijst ingedeeld in 7 categorieën, te weten ‘Nodeloos extra lawaai’, ‘Pen laten slepen - krassen’, ‘Hek dichtslaan (aan spijl), ‘Hek opengelaten’, ‘Ongeoorloofd stilstaan op pad’, ‘Snelheid te hoog + lawaai’ en ‘Vuil op pad’.

2.9. Op basis van zijn genoemde lijst heeft [gedaagde] (via zijn raadsman), [eiser sub 1] en [eiser sub 2] diverse malen bericht dat zij het eindvonnis hebben overtreden en dat zij om die reden dwangsommen verschuldigd zijn geworden. In dat kader heeft [gedaagde] uit hoofde van het eindvonnis executoriaal beslag gelegd op de onroerende zaken van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aan de [adres].

2.10. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben in verband daarmee [gedaagde] gedagvaard in kort geding (zaak- rolnummer 176078 / KG ZA 08-643). Daarin hebben zij – kort gezegd – een verbod gevorderd tot executie van het eindvonnis en een bevel tot opheffing van de executoriale beslagen die [gedaagde] ten laste van hen heeft gelegd. In die procedure is bij vonnis van 21 november 2008 geoordeeld dat [eiser sub 1] op grond van het eindvonnis wegens het niet rustig rijden € 600,00 aan dwangsommen heeft verbeurd, € 200,00 wegens beschadigingen aan het wegdek (door het slepen van de vergrendelingspen van het hek over de asfaltlaag van het wegdek) en € 600,00 voor het niet tijdig sluiten van het hek.

Ten aanzien van [eiser sub 2] is in dat kort gedingvonnis geoordeeld dat hij € 300,00 aan dwangsommen heeft verbeurd omdat hij in strijd met het bodemvonnis derden over de weg van [gedaagde] heeft laten rijden met een motorvoertuig. Om die reden zijn de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] afgewezen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn van het kort gedingvonnis

van 21 november 2008 in hoger beroep gekomen (zaaknummer 200.021.372).

2.11. De dwangsommen waarvan in het kort gedingvonnis van 21 november 2008 is overwogen dat die zijn verbeurd, zijn door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aan [gedaagde] betaald.

[gedaagde] is nadien aanspraak blijven maken op verbeurde dwangsommen wegens (nieuwe) overtredingen van het eindvonnis. In verband daarmee heeft hij bij exploot van 15 juli 2009

[eiser sub 1] bevel gedaan om € 6.100,00 aan dwangsommen te betalen (exclusief kosten) wegens 61 overtredingen, met de aanzegging dat het eindvonnis ten uitvoer zal worden gelegd als [eiser sub 1] het bevel niet opvolgt. [eiser sub 1] heeft niet voldaan aan het betalingsbevel. Daarop heeft [gedaagde] bij exploot van 28 augustus 2009 executoriaal beslag laten leggen op de onroerende zaken van [eiser sub 1] aan de [adres] 115 te [woonplaats].

2.12. De raadsman van [eiser sub 1] heeft bij brief van 28 augustus 2009 van de advocaat van [gedaagde] een CD-rom ontvangen met daarop fotoseries als hiervoor bedoeld, gemaakt in de periode van 8 november 2008 tot en met 23 juli 2009. Bij de CD-rom zat een exemplaar van de genoemde lijst van [gedaagde]. Op die lijst staan, als gevolg van de doornummering, in totaal 65 overtredingen vermeld, verspreid over de diverse genoemde categorieën.

2.13. Bij arrest van 1 december 2009 is het kort gedingvonnis van 21 november 2008 bekrachtigd. Evenwel is [gedaagde] daarbij veroordeeld tot terugbetaling van € 700,00 aan

[eiser sub 1] wegens teveel betaalde dwangsommen. Het hof heeft daartoe overwogen:

“4.8 Uitgaande van een juiste, zoals door [eiser sub 1] in zijn memorie van grieven in

randnummer 56 geschetste berekening, betekent dit dat alleen daar waar [eiser sub 1] de weg in 6

seconden heeft afgelegd (fotoserie rj) hij iets harder dan 40 km per uur heeft gereden. In dat verband

is het hof van oordeel dat het rijden met een snelheid van ongeveer 40 km per uur over deze weg in

overeenstemming is met de bepalingen in het bodemvonnis dat rustig dient te worden gereden over de

weg. De stelling van [gedaagde] dat niet de gemiddelde snelheid, maar juist het met hoge snelheid

optrekken en weer afremmen op een dergelijke korte afstand bepalend is voor de overlast en dat de

topsnelheid steeds hoger is geweest dan 40 km per uur, kan hem niet baten, reeds omdat uit de

onderbouwing van deze stelling aan de hand van de foto’s niets is af te leiden omtrent de topsnelheid

op dit traject, zoadat voorshands niet kan worden aangenomen dat deze (substantieel) hoger was dan

de hiervoor besproken gemiddelde snelheid. Tenslotte gaat de vergelijking met de zaak die leidde tot

de uitspraak van de HR van 5 oktober 1999, VR 2000/63 niet op, reeds omdat een woonerf- waar

zich door bijvoorbeeld spelende kinderen onverwachte (verkeer)situaties kunnen voordoen- niet op

één lijn te stellen is met de overzichtelijke weg waar het hier om gaat (…)

4.9 (…) een redelijke uitleg van het bevel -zoals neergelegd in rechtsoverweging 4.5 van het

Bodemvonnis- om meteen het hek te sluiten brengt mee dat daar waar tussen het openen en sluiten

van het hek één minuut zit (…), deze tijdspanne zodanig kort is dat daarvoor geen dwangsommen

zijn verbeurd.”

Voorts heeft het hof overwogen:

4.14 Grief 2 (…) ziet op het (…) gedurende één uur lang stoppen van een vrachtwagen op de weg

(…) Naar het oordeel van het hof heeft de voorzieningenrechter met juistheid geoordeeld dat het hier

een calamiteit betrof, die zich een keer kan voordoen in een gebied waar groot materieel rijdt. Een

redelijke uitleg van het verbod om onnodig te stoppen (…) brengt mee dat (…) geen dwangsom is

verschuldigd .”

2.14. Op 4 mei 2010 is eindarrest gewezen in het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 7 juni 2006 en het eindvonnis van 25 oktober 2006 in de bodemprocedure. In het eindarrest is onder meer overwogen:

“2.4 Het hof stelt voorop dat het onomstreden recht van [gedaagde] om hekken op zijn erf te hebben, ook impliceert dat [gedaagde] het recht heeft deze hekken te (laten) gebruiken tot het doel waartoe zij dienen. Hij mag de hekken dus dichtdoen en van de gebruikers van de weg verlangen dat zij de hekken na passage opnieuw dichtdoen, ook al geeft dit hen ongemak. (…) van bestuurders die de hekken moeten openen en sluiten zal mogen worden verwacht dat zij hun voertuig op een zodanige plaats tot stilstand brengen, dat de vrije doorgang op de [adres] en de [adres 2] niet op ontoelaatbare wijze wordt gehinderd. Het daaruit voortvloeiende ongemak is inherent aan de situatie, maar niet onaanvaardbaar (…)

2.9 (…) Van de zijde van Tetrode c.s. is als bezwaar tegen de afsluiting van de hekken met een

toegangscode voorts aangevoerd dat niet van alle bezoekers verwacht mag worden dat zij de code zullen onthouden. Ook dit argument overtuigt niet. Hoewel niet vermeld in het proces-verbaal van de laatst gehouden comparitie is zijdens [gedaagde] bij die gelegenheid meegedeeld dat het niet bezwaarlijk is de code uit een eenvoudige combinatie van cijfers te laten bestaan, bijvoorbeeld 1-1-1-1. Het hof is van oordeel dat een dergelijke simpele toegangscode doorgaans zal worden onthouden (…)

2.18 Het hof heeft in zijn tussenarrest van 15 december 2009 (…) reeds een voorlopig oordeel

gegeven omtrent de bij wege van eisvermeerdering door [eiser sub 1] c.s. ingestelde vordering om [gedaagde] te veroordelen tot het (terug)snoeien en (terug)gesnoeid houden van zijn haag aan de zijde van de [adres], op zodanige wijze dat deze haag geen belemmering vormt voor de uitoefening van de erfdienstbaarheden door [eiser sub 1] en [eiser sub 2]. Het hof heeft deze vordering in beginsel toewijsbaar geoordeeld (…)

2.19 Het hof zal het gevorderde toewijzen zoals verlangd. Gelet op het gebrek aan

overeenstemming tussen partijen omtrent de mate van terugsnoeien, geeft het hof ter voorkoming van executiegeschillen aan aan welke eisen moet worden voldaan. Op de eerste plaats dient de haag zodanig te worden gesnoeid, dat het hek volledig kan worden geopend. Op de tweede plaats dient het uitzicht voor de uitrijdende bestuurder op het van links over de [adres] naderende verkeer dusdanig te zijn, dat deze bestuurder, ongeacht of hij een personenauto of ander motorvoertuig bestuurt, vanaf de bestuurdersplaats dit naderende verkeer tijdig kan waarnemen. Het veilig oprijden naar de dijk is immers slechts dan afdoende gewaarborgd, indien men gezeten op de bestuurdersplaats goed zicht heeft op het (van links) naderende verkeer. Vanzelfsprekend kan ook aan de uitspraak van het hof worden voldaan door de haag terug te plaatsen (zodat goed uitzicht op het verkeer wordt geboden)”

In het arrest is vervolgens beslist:

“IN CONVENTIE:

bekrachtigt de vonnissen van (…) 7 juni 2006 en 25 oktober 2006, voor zover daarbij (met inbegrip

van de daaraan verbonden uitvoerbaarverklaring bij voorraad):

* voor recht is verklaard dat [eiser sub 2] de uitweg niet (mag) laten berijden met motorvoertuigen (rov. 4.1 eindvonnis);

* voor recht is verklaard dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] slechts op de voor [gedaagde] minst bezwarende wijze gebruik mogen maken van hun recht van erfdienstbaarheid, wat onder meer inhoudt dat zij geen onnodig lawaai mogen veroorzaken, rustig moeten rijden, niet onnodig mogen stoppen op de weg anders dan voor het openen of sluiten van de hekken, en vervuiling die overmatig genoemd kan worden moeten opruimen (rov 4.2 eindvonnis);

* voor recht is verklaard dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in die zin ‘aansprakelijk zijn’ voor de wijze waarop bezoekers van hun erf gebruik maken van het recht van erfdienstbaarheid dat, indien bezoekers of leveranciers zich aan een overschrijding van het minst bezwarende gebruik als in de vorige alinea bedoeld schuldig maken, daarmee inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van [gedaagde], welke inbreuk, indien deze in het kader van de uitoefening van de erfdienstbaarheden plaatsvindt geacht wordt door de eigenaar van het desbetreffende heersende erf te zijn begaan, dat wil zeggen [eiser sub 1] en/of [eiser sub 2]

(rov. 4.3 eindvonnis);

* [eiser sub 1] en [eiser sub 2] is verboden gebruik te maken van het dienend erf, anders dan op de minst bezwarende wijze als onder 4.2 van het dictum van het eindvonnis bedoeld (met dien verstande dat het hof de onder 4.2 opgenomen zinsnede luidende “zonder inachtneming van het nieuwe asfalt-wegdek” niet handhaaft), zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per overtreding, tot een maximum van

€ 10.000,-- (rov. 4.4 eindvonnis);

* [eiser sub 1] en [eiser sub 2] is bevolen om na het gebruik van de uitweg het hekwerk aan de [adres] meteen te sluiten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per overtreding, tot een maximum van € 10.000,00 (rov. 4.5 eindvonnis);

vernietigt de vonnissen van (…) 7 juni 2006 en 25 oktober 2006 voor het overige en in zoverre opnieuw recht doende:

* verklaart voor recht dat [gedaagde] gerechtigd is zijn erf af te sluiten met een hekwerk aan de zijde van zowel de [adres 2] als de [adres], en wel (1) dat het hekwerk aan de [adres 2] door zowel [eiser sub 1] als [eiser sub 2] kan worden geopend en gesloten door het intoetsen van een aan beiden kenbaar gemaakte -eenvoudig te houden- cijfercode, en (2) dat het hekwerk aan de [adres] kan worden geopend en gesloten door middel van een cijferslot (waarvan de -eenvoudig te houden- cijfercombinatie aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] kenbaar wordt gemaakt).

wijst af hetgeen in eerste aanleg en in hoger beroep meer of anders is gevorderd;

IN RECONVENTIE:

bekrachtigt de vonnissen van (…) 7 juni 2006 en 25 oktober 2006, voor zover daarbij:

* voor recht is verklaard dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] beiden gerechtigd zijn de uitweg over

het erf van [gedaagde] te berijden met voertuigen (met uitzondering -wat [eiser sub 2] betreft- van motorvoertuigen) en wel ongeacht of deze als dan niet via de [adres] van of naar hun erf kunnen komen (rov. 4.9 eindvonnis); ”

* [gedaagde] is bevolen deze rechten van erfdienstbaarheid, zoals geformuleerd in het dictum

van het eindvonnis onder 4.9, niet te belemmeren, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per overtreding, tot een maximum van € 10.000,-- (rov. 4.10 eindvonnis);

vernietigt de vonnissen van (…) 7 juni 2006 en 25 oktober 2006 voor het overige en in zoverre

opnieuw recht doende:

* verklaart voor recht dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] beiden gerechtigd zijn de uitweg over het

erf van [gedaagde] ook te belopen en beveelt [gedaagde] ook dit recht niet te belemmeren, met bepaling dat de zojuist genoemde dwangsomsanctie mede op dit bevel van toepassing is;

* beveelt [gedaagde] tot het (terug)snoeien en (terug)gesnoeid houden van zijn haag aan de

zijde van de [adres], op zodanige wijze dat deze haag geen belemmering vormt voor de uitoefening van de erfdienstbaarheden voor [eiser sub 1] en [eiser sub 2];

wijst af hetgeen in eerste aanleg en in hoger beroep meer of anders is gevorderd;”

2.15. Bij brief van 12 mei 2010 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de raadsman van

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] bericht dat de bediencode van de buiten- en binnenzijde van het hek aan de [adres 2], 4563 respectievelijk 3216 is en dat de bediencode van het cijferslot van het hek aan de [adres], 4563 is. Nadat het onderhavige kort geding was aangekondigd heeft [gedaagde] de bediencode van de binnenzijde van het hek aan de [adres 2] gewijzigd van 3216 in 4563 (dus in dezelfde code als die van de buitenzijde van dat hek en het hek aan de [adres]) en heeft hij voorts de haag gesnoeid, aan de zijkant, op de plaats waar het hek aan de [adres] in opengezwaaide toestand tegen de haag aanrust.

3. Het geschil

3.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1. [gedaagde] met ingang van de dag van betekening van dit vonnis de executie te verbieden van de bij vonnis van de rechtbank Arnhem d.d. 25 oktober 2006 opgelegde dwangsommen;

2. [gedaagde] te veroordelen, met ingang van de dag van betekening van dit vonnis, tot opheffing van alle door hem gelegde beslagen, waaronder beslagen op de volgende registergoederen:

een onroerende zaak van [eiser sub 1], kadastraal omschreven als wonen, (agrarisch) terrein (grasland, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] 115, kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie L, nummer 125, groot 6 hectare 85 are 90 centiare;

3. [gedaagde] te veroordelen tot een onmiddellijke opeisbare dwangsom van

€ 15.000,00 per dag of een gedeelte daarvan, dat hij na betekening van dit vonnis in gebreke mocht blijven aan de veroordelingen onder 1 en 2 van dit petitum te voldoen;

4. aan het door het hof Arnhem bij eindarrest d.d. 4 mei 2010 gegeven gebod tot het (terug)snoeien en (terug)gesnoeid houden van de haag van [gedaagde] alsnog te verbinden een onmiddellijke opeisbare dwangsom van

€ 10.000,00 per dag, of een gedeelte daarvan, dat [gedaagde] na betekening van genoemd arrest in gebreke mocht blijven aan de door het hof gegeven veroordeling te voldoen;

5. [gedaagde] te veroordelen de door het hof Arnhem bij eindarrest d.d. 4 mei 2010 vermelde codes te wijzigen in 1-1-1-1, althans in andere eenvoudige codes in de zin van het genoemde arrest, althans zodanige codes als de voorzieningenrechter in goede justitie zal menen dat behoort, op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag, of een gedeelte daarvan, indien [gedaagde] na betekening van dit vonnis in gebreke mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen;

6. met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gevallen.

3.2. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] leggen aan de vorderingen sub 1, 2 en 3 ten grondslag dat zij niet in strijd hebben gehandeld met het vonnis van 25 oktober 2006, zodat er geen dwangsommen zijn verbeurd en subsidiair dat de dwangsommen zijn verjaard. Voor de vorderingen onder 4 en 5 voeren [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aan dat [gedaagde] in strijd met het arrest van 4 mei 2010 zijn haag niet (terug)snoeit en de afsluitbare hekken niet heeft voorzien van een eenvoudige code.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

SPOEDEISEND BELANG

4.1. Het spoedeisend belang bij de vorderingen vloeit voort uit de aard van de vorderingen en de stellingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] daaromtrent.

DE VORDERINGEN SUB 1, 2 EN 3

4.2. Voor de vorderingen onder 1, 2 en 3 voert [eiser sub 1] primair aan dat hij het eindvonnis niet heeft overtreden, zodat er geen dwangsommen zijn verbeurd en [gedaagde] derhalve ten onrechte tot executie van het eindvonnis wil overgaan. In dat verband betwist hij de juistheid van de genoemde lijst van [gedaagde]. Hierna zal daarom per categorie op de lijst, die in het geding is gebracht, beoordeeld worden of het aannemelijk is dat het eindvonnis is overtreden.

‘Nodeloos extra lawaai’, ‘Pen laten slepen - krassen’, ‘Hek dichtslaan (aan spijl)

en ‘Vuil op pad’

4.3. Ten aanzien van deze categorieën heeft te gelden dat [gedaagde] de stelling van

[eiser sub 1] dat hij geen overtredingen heeft begaan niet gemotiveerd heeft betwist.

Hij heeft ter zitting niet aan de hand van foto’s op de CD-rom geadstrueerd dat [eiser sub 1] overtredingen zou hebben begaan. Bovendien is namens [gedaagde] ter zitting verklaard dat het in dit kort geding eigenlijk om maar twee categorieën overtredingen gaat, te weten ‘Hek opengelaten’ en ‘Ongeoorloofd stilstaan op pad’. Dit betekent dat in de onderhavige procedure niet aannemelijk is dat [eiser sub 1] en/of [eiser sub 2] in de vijf categorieën als hiervoor genoemd overtredingen hebben begaan op grond waarvan dwangsommen zijn verbeurd.

‘Snelheid te hoog + lawaai’

4.4. Weliswaar is namens [gedaagde] ter zitting het standpunt gehandhaafd dat in deze categorie wel overtredingen zijn begaan, maar daarbij is verklaard dat het weinig zin heeft om met betrekking tot deze categorie fotoseries te bekijken, nu het hof in het arrest

van 1 december 2009, in hoger beroep van het kort gedingvonnis van 21 november 2008, heeft geoordeeld dat rijden over de weg met 40 km per uur in overeenstemming is met het bodemvonnis (eindvonnis) waarin is bepaald dat rustig over de weg moet worden gereden, terwijl de gemiddelde snelheid van pretense overtredingen telkens ruim onder 40 km per uur ligt en uit de fotoseries niet kan worden afgeleid dat bij optrekken de topsnelheid substantieel hoger is geweest dan 40 km per uur.

4.5. Gelet daarop, moet het er in dit kort geding ook ten aanzien van de categorie ‘Snelheid te hoog + lawaai’ voor worden gehouden dat daarin geen overtredingen zijn begaan. Zoals reeds is overwogen, is namens [gedaagde] ook verklaard dat het in dit kort geding eigenlijk maar om overtredingen in twee categorieën gaat, ‘Hek opengelaten’

en ‘Ongeoorloofd stilstaan op pad’.

‘Hek opengelaten’

4.6. Met betrekking tot vermeende overtredingen in deze categorie heeft [gedaagde] ter zitting vier fotoseries getoond en is over die series debat gevoerd. De fotoseries staan met vele andere op de CD-rom die [gedaagde] heeft overgelegd. De fotoseries hebben codes die ook voorkomen op de meermalen genoemde lijst van [gedaagde].

4.7. Voor de beoordeling of overtredingen zijn begaan, geldt het navolgende toetsingskader. De voorzieningenrechter zal in een executiegeschil als het onderhavige

– waar het er om gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een verbod/bevel niet of onvoldoende is nageleefd – zich moet beperken tot de toetsing van de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen aan de inhoud van de veroordeling zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij het geven van deze uitleg dient de voorzieningen-rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dat tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Het staat de voorzieningenrechter wel vrij om bij die uitleg van de veroordeling maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hanteren, aldus dat geringe afwijkingen van de letterlijke tekst van de veroordeling, getoetst aan de veroordeling zoals naar haar strekking opgevat, geen grond opleveren voor het oordeel dat de dwangsommen zijn verbeurd. Verder heeft te gelden dat de voorzieningenrechter in beginsel zijn oordeel moet afstemmen op het oordeel van de bodemrechter ongeacht of dit gegeven is in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op deze regel, hetgeen het geval zal kunnen zijn indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht.

4.8. Op grond van het vorenstaande zal hierna aan de hand van de ter zitting getoonde en besproken fotoseries, met de codes Dn, Dq, Ff en Fg, beoordeeld worden of er overtredingen zijn begaan, waarbij het tussen- en eindvonnis en hetgeen in hoger beroep ten aanzien van die vonnissen is geoordeeld in beginsel als maatstaf zal dienen. Daarbij verdient opmerking dat gesteld noch gebleken is dat het tussen- en eindvonnis, alsmede het eindarrest van 4 mei 2010, berusten op een kennelijk misslag. Andere foto’s op de CD-rom dan de ter zitting getoonde en becommentarieerde, zal de voorzieningenrechter niet in de beoordeling betrekken omdat daarvan niet gezegd kan worden dat die behoorlijk aan de vordering ten grondslag zijn gelegd.

Fotoserie Dn

4.9. Op deze fotoserie van 20 maart 2009 is te zien dat een vrachtwagen over de weg richting het hek aan de [adres] rijdt. Om 14:34:46 uur begint de chauffeur het hek te openen. Om 14:35:27 uur passeert de vrachtwagen het hek. Om 14:37:08 uur begint de chauffeur het hek te sluiten. De vrachtwagen is dan buiten beeld. Om 14:37:12 uur is het hek gesloten. Volgens [gedaagde] is hier sprake van een overtreding omdat het hek langer dan een minuut open is geweest. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] daarin niet. Weliswaar heeft het hof in rov. 4.9 in het arrest van 1 december 2009 in kort geding geoordeeld dat een tijdspanne van één minuut tussen het openen en sluiten van het hek zodanig kort is dat daarvoor geen dwangsommen zijn verbeurd, maar daarmee is niet gezegd dat voor iedere tijdspanne die langer is, wel dwangsommen zijn verbeurd. Daarbij heeft het hof in de bodemzaak (rov. 2.4 van het eindarrest van 4 mei 2010) geoordeeld dat van bestuurders die de hekken moeten openen en sluiten mag worden verwacht dat zij hun voertuig op een zodanige plaats tot stilstand brengen, dat de vrije doorgang op de [adres] en de [adres 2] niet op ontoelaatbare wijze wordt gehinderd. In dat kader is aannemelijk dat, zoals zijdens [eiser sub 1] is betoogd, de vrachtwagen eerst de [adres] moest oversteken om aan de andere kant, op de uitweg van [eiser sub 1], te parkeren, waarna de chauffeur heeft moeten teruglopen om het hek te sluiten. Niet gebleken is dat de chauffeur daarbij onnodig traag heeft gehandeld.

Fotoserie Dq

4.10. Op deze fotoserie van 25 april 2009 is te zien dat een tractor met een lange aanhangwagen over de weg richting het hek bij de [adres] rijdt. Om 09:00:29 uur passeert de tractor met de aanhangwagen het hek. Om 09:02:26 uur wordt het hek gesloten. Op die foto is de gepasseerde tractor met aanhangwagen niet te zien. Hier geldt dan ook hetzelfde als is overwogen met betrekking tot fotoserie Dn.

Fotoserie Ff

4.11. Op deze fotoserie, van 6 mei 2009, rijdt een vrachtauto over de weg richting het hek bij de [adres]. De vrachtauto wordt vooraf gegaan door een fietser die om 18:15:01 uur begint met het openen van het hek. Om 18:15:35 uur passeert de vrachtauto het hek.

De fietser sluit het hek om 18:16:31 uur. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan in redelijkheid niet geoordeeld worden dat het hek te lang heeft opengestaan.

Fotoserie Fg

4.12. Ook deze fotoserie is van 6 mei 2009. Daarop is te zien dat een vrachtauto op de [adres] staat voor het hek bij de [adres]. Om 18:40:32 uur wordt het hek geopend.

Om 18:41:21 uur is de vrachtauto het hek gepasseerd. De auto rijdt dan op de weg van [gedaagde]. Om 18:43:20 uur loopt een man vanaf de [adres] naar het hek. Deze man heeft om 18:43:34 het hek gesloten. In deze fotoserie is verder te zien dat de vrachtauto om 18:41:37 uur stil staat op de weg ter hoogte van het huis van [gedaagde]. Op die foto is van één van de autobanden van de vrachtauto, ook de bovenkant zichtbaar. Om 18:42:20 uur loopt de chauffeur met een plaat langs de vrachtauto. Op de navolgende foto’s in die serie wordt door de chauffeur een plaat geplaatst boven de autoband waarvan de bovenkant zichtbaar is.

De chauffeur is daarmee klaar om 18:44:02 uur, waarna hij om 18:44:26 uur verder rijdt.

4.13. Met deze foto’s lijkt niet te rijmen dat, zoals [eiser sub 1] heeft opgemerkt, een losgeraakt spatbord is verwijderd en opgeborgen. Veeleer lijken de foto’s te bevestigen wat [gedaagde] heeft betoogd, dat de chauffeur op de weg van [gedaagde] is gestopt om een spatbord weer aan te brengen nadat het was losgeraakt. Volgens [gedaagde] had de chauffeur dat daar evenwel niet hoeven doen. Niet uitgesloten is dat dit inderdaad ook elders had gekund, maar (vracht)auto’s plegen met spatborden te rijden en [gedaagde] heeft niet weersproken dat het spatbord op de [adres] is losgeraakt, waarbij gesteld noch gebleken is dat de vrachtauto op de [adres] had kunnen stoppen om daar het spatbord te bevestigen. Begrijpelijk is dan ook dat de chauffeur het spatbord zo snel mogelijk weer heeft willen aanbrengen nadat hij van de [adres] de weg van [gedaagde] was opgereden en daarom daar is gestopt om het spatbord weer te bevestigen en als gevolg daarvan niet meteen het hek heeft gesloten.

Dat is na enige tijd dan ook door een ander ([eiser sub 1]) gedaan.

4.14. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt dit alles aannemelijk dat er sprake is van een incident dat zich een keer kan voordoen, waarvoor in redelijkheid, gelet op de totale duur van ongeveer drie minuten, naar analogie van het oordeel van het hof

(rov. 4.14 arrest 1 december 2009), geen dwangsom is verbeurd.

‘Ongeoorloofd stilstaan op pad’

4.15. In deze categorie heeft [gedaagde] vijf fotoseries van de CD-rom getoond, die ook voorkomen op de meermalen genoemde lijst van [gedaagde] waarop vermeende overtredingen staan vermeld. Het betreft de fotoseries, Fg, Fh, Fm, Fp en Ge. Met inachtneming van het hiervoor genoemde toetsingskader wordt ten aanzien van deze fotoseries het navolgde overwogen.

Fotoserie Fg

4.16. Gelet op hetgeen ten aanzien van deze fotoserie hiervoor reeds is overwogen, kan in redelijkheid ook niet aangenomen worden dat een dwangsom is verbeurd voor onnodig stilstaan op de weg. Daarbij is in aanmerking genomen dat het herbevestigen van het spatbord maar een paar minuten heeft geduurd en gesteld noch gebleken is dat dit veel sneller had gekund en voorts dat vrijwel meteen nadien de vrachtauto is doorgereden.

Fotoserie Fh

4.17. Op deze fotoserie van 7 mei 2009 is een vrachtauto te zien die om 7:42:44 uur het hek is gepasseerd om de [adres] op te rijden. Vervolgens duurt het tot 7:48:44 uur voordat de wagen de [adres] in zijn geheel oprijdt. In de tussentijd rijdt de vrachtwagen telkens een stukje voor- en achteruit. Voldoende aannemelijk is dat de vrachtauto, zoals door [eiser sub 1] is betoogd, vast is komen te zitten bij het oprijden van de [adres], nu hij in dat verband een foto van 7 mei 2009 heeft laten zien, van 09:28 uur, waarop kennelijk nieuwe krassen zijn te zien in de asfaltlaag op de [adres]. Hier lijkt dan ook sprake te zijn van een noodsituatie, waardoor geen dwangsom is verbeurd.

Fotoserie Fm

4.18. Op deze fotoserie van 22 mei 2009, is te zien dat een tractor, waaraan een langwerpig landbouwwerktuig is gekoppeld, van 10:45:18 tot 10:45:49 op de weg ter hoogte van het hek bij de [adres] staat om de [adres] op te gaan. Voldoende aannemelijk is dat, zoals zijdens [eiser sub 1] wordt betoogd, de tractor, omdat die door het aangekoppelde werktuig, zo’n lang voertuig is geworden, niet meteen kon invoegen in het verkeer op de [adres]. Naar redelijkheid is ook hier niet onnodig stilgestaan op de weg.

Fotoserie Fp

4.19. Op deze fotoserie van 22 mei 2009 is te zien hoe een kraanwagen met opgeheven kraan(arm) van 13:16:04 tot 13:17:12 uur aan het begin van de weg (bij de [adres 2]) stilstaat bij een bomenpartij. Aannemelijk is dat de kraan vastzat in de bomen, zoals van de kant van [eiser sub 1] is verklaard en dat de wagen daarom stil staat. Een noodsituatie derhalve waardoor in redelijkheid geen dwangsom is verbeurd. [gedaagde] moet worden toegegeven dat als de arm tijdens het rijden neergelaten was, het probleem zou zijn vermeden, maar dat de kraanwagen in het kader van een treiteractie vast is komen te zitten, zoals [gedaagde] heeft betoogd, blijkt echter niet uit de foto’s.

Fotoserie Ge

4.20. Op deze fotoserie van 23 juli 2009 is een tractor met aanhangwagen te zien die van 16:50:12 uur tot 16:52:51 uur op de weg staat ter hoogte van het huis van [gedaagde] en dan het hek bij de [adres] passeert, de [adres] op. Niet in geschil is dat de chauffeur in die tijd zijn mobiele telefoon aan zijn oor had. Dat hier getreiterd wordt, zoals [gedaagde] verklaart, blijkt niet uit de foto’s. Het kan een keer voorkomen dat een chauffeur mobiel gebeld wordt. Hij zal dan zijn wagen stil moeten zetten. In redelijkheid kan niet worden verlangd dat onder alle omstandigheden een chauffeur eerst de weg verlaat, alvorens de telefoon aan te nemen.

4.21. Al het vorenstaande leidt er dan ook toe dat in dit kort geding niet aannemelijk is geworden dat [eiser sub 1] dwangsommen heeft verbeurd wegens overtreding van het eindvonnis. Het beslag zal dan ook moeten worden opgeheven. De vorderingen onder 1, 2 en 3 zullen daarom op grond van de primaire grondslag worden toegewezen. De subsidiaire grondslag, dat de dwangsommen zijn verjaard, behoeft om die reden geen verdere behandeling.

4.22. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

DE VORDERINGEN SUB 4 EN 5

De haag

4.23. [gedaagde] is bij arrest van 4 mei 2010 veroordeeld tot het (terug)snoeien en (terug)gesnoeid houden van de haag. [gedaagde] heeft in dat kader een gedeelte van de haag gesnoeid, ten einde te bewerkstelligen dat het hek voldoende kan openstaan. Tot verder snoeien is [gedaagde] niet bereid. In het kader van de verkeersveiligheid bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid, is het vooral nodig dat de bovenkant van de haag wordt gesnoeid. [gedaagde] wil dat niet. Wel is hij bereid om één of meer spiegels te doen plaatsen om op die manier bestuurders goed zicht op de [adres] te bieden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoet [gedaagde] daarmee niet aan het arrest. Het bepaalde in rov. 2.18 en 2.19 van het arrest biedt immers geen andere mogelijkheid dan dat voor de onbelemmerde uitoefening van de erfdienstbaarheid, de haag moet worden gesnoeid of verplaatst. Dat de belemmering die de haag vormt, ook op andere wijze kan worden weggenomen, bijvoorbeeld door spiegels te plaatsen, staat daar niet vermeld, terwijl in

’s hofs arrest ook geen ander aanknopingspunt te vinden is voor de gedachte dat [gedaagde] ook op andere wijze aan de veroordeling zou kunnen voldoen dan door het snoeien of terugplaatsen van de haag. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [gedaagde] in strijd handelt met het arrest, nu hij tot verder en vooral horizontaal snoeien, niet bereid is en gesteld noch gebleken is dat hij de haag wil verplaatsen. Er is daarom reden de veroordeling te versterken met een dwangsom, zoals hierna bepaald.

De bedieningscode

4.24. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] eisen dat [gedaagde], die inmiddels wel alle cijfersloten van de hekken van dezelfde code heeft voorzien, te weten 4563, die code verandert in 1111, althans in een andere simpele code. [gedaagde] is van mening dat er reeds sprake is van een eenvoudige code. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] daarin niet.

4.25. In rov. 2.9 van het arrest van 4 mei 2010 heeft het hof overwogen ‘Hoewel niet vermeld in het proces-verbaal van de laatst gehouden comparitie is zijdens [gedaagde] bij die gelegenheid meegedeeld dat het niet bezwaarlijk is de code uit een eenvoudige combinatie van cijfers te laten bestaan, bijvoorbeeld 1-1-1-1. Het hof is van oordeel dat een dergelijke simpele toegangscode doorgaans zal worden onthouden’. In het licht daarvan moet geconcludeerd worden dat het hanteren van drie verschillende codes, zoals [gedaagde] heeft gedaan, in strijd is met het arrest en verder dat uit het voorbeeld dat het hof heeft gegeven van een eenvoudige code, te weten 1-1-1-1, volgt dat een eenvoudige code uit vier dezelfde cijfers moet bestaan, dus bijvoorbeeld 1111 of 2222.

4.26. Het vorenstaande leidt ertoe dat ook de vorderingen sub 4 en 5 toegewezen zullen worden, op de navolgende wijze. De gevorderde dwangsom zal daarbij worden beperkt als hierna vermeld.

PROCESKOSTEN

4.27. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] worden begroot op:

- dagvaarding € 87,93

- vast recht 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.166,93

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verbiedt [gedaagde], met ingang van de dag van betekening van dit vonnis, de executie van het vonnis van 25 oktober 2006 van de rechtbank Arnhem,

5.2. veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk op de derde werkdag na betekening van dit vonnis, op te heffen alle door hem gelegde belagen ten laste van [eiser sub 1], waaronder beslagen op de navolgende registergoederen:

- een onroerende zaak van [eiser sub 1], kadastraal omschreven als wonen, (agrarisch) terrein (grasland, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] 115, kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie L, nummer 125, groot 6 hectare 85 are 90 centiare,

5.3. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser sub 1] van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,00 per dag of een gedeelte daarvan, dat hij niet voldoet aan het onder 5.1 en/of 5.2 bepaalde tot een maximum van in totaal € 25.000,00,

5.4. verbindt, vanaf de derde werkdag na betekening van dit vonnis, aan het door het hof Arnhem bij eindarrest van 4 mei 2010 gegeven gebod tot het (terug)snoeien en (terug)gesnoeid houden van de haag van [gedaagde], alsnog een onmiddellijk opeisbare dwangsom, te betalen aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gezamenlijk, van € 50,00 per dag of een gedeelte daarvan, tot een maximum van € 25.000,00,

5.5. veroordeelt [gedaagde] de door het hof Arnhem bij eindarrest van 4 mei 2010 vermelde codes te wijzigen in een eenvoudige code die voor elk cijferslot hetzelfde is, bestaande uit vier dezelfde cijfers,

5.6. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gezamenlijk van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 50,00 per dag of een gedeelte daarvan, dat hij niet voldoet aan het onder 5.5 bepaalde, tot een maximum van in totaal € 25.000,00,

5.7. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gezamenlijk tot op heden begroot op € 1.166,93,

5.8. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde op 25 juni 2010.?