Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN2301

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
AWB 09/1634
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Legesheffing bouwvergunning. Toepasselijk tarief: splitsing van eerste aanvraag (oude tarief) of nieuwe aanvraag (nieuwe tarief)? Rechtbank: splitsing, want dat was de bedoeling van eiseres en de gemeente. Geen onredelijke en willekeurige belastingheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/1225
FutD 2010-1884
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 09/1634

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 20 juli 2010

inzake

V.O.F. [X], vertegenwoordigd door haar vennoot

[Y] BV, kantoorhoudende te [Z], eiseres,

tegen

de heffingsambtenaar van de gemeente Renkum, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 18 februari 2009 een aanslag legesheffing bouwvergunning (met aanslagnummer [000]) opgelegd ten bedrage van € 20.345,63.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 maart 2009 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 9 april 2009, ontvangen door de rechtbank op 10 april 2009, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2010 te Arnhem.

Namens eiseres is daar verschenen [A], bijgestaan door gemachtigde mr. [gemachtigde]. Namens verweerder is met bericht aan de rechtbank niemand verschenen. Gemachtigde van eiseres heeft ter zitting een pleitnota met bijlagen voorgedragen en overgelegd aan de rechtbank, welke tot de gedingstukken wordt gerekend. De rechtbank heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

Op 12 maart 2010 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om de pleitnota van eiseres aan verweerder door te sturen en verweerder hierop te laten reageren. Verweerder heeft, na enkele herinneringen van de rechtbank, bij brief van 31 mei 2010 gereageerd. Gemachtigde van eiseres heeft op die brief gereageerd bij brief van 9 juni 2010. Deze brief is aan verweerder doorgestuurd.

Beide partijen hebben schriftelijk toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft het onderzoek derhalve weer gesloten.

2. Feiten

Eiseres heeft op 6 of op 20 juni 2008 een aanvraag gedaan bij de gemeente Renkum voor het verlenen van een bouwvergunning voor 15 woningen en 23 appartementen op de bouwlocatie hoek [A-straat 1 ] en [A-straat 2 ] te [Q]. De gemeente Renkum heeft deze aanvraag blijkens haar ontvangstbevestiging van 18 september 2008 ontvangen op 23 juni 2008 (bijlage 3 bij het proces-verbaal van de zitting van 5 februari 2010).

In een brief van 6 november 2008 heeft eiseres aan de gemeente Renkum verzocht om de ingediende aanvraag voor de bouwvergunning van de 15 woningen en 23 appartementen te splitsen. Daarbij verzoekt zij om de bouwvergunning voor de 15 woningen nog niet te verlenen en merkt op dat zij deze bouwvergunning graag in een later stadium op afroep wenst te verkrijgen.

In de aanvraag voor de bouwvergunning die door de gemeente is ontvangen op 7 november 2008, staat onder meer vermeld dat het bij de 15 woningen gaat om een bruto inhoud na uitvoering van de werkzaamheden van 6.391 m3. De aanneemsom zou volgens de aanvraag € 1.875.000 bedragen.

In een brief van de gemeente Renkum van 17 november 2008 (bijlage 4 bij het proces-verbaal van de zitting) wordt bevestigd dat de aanvraag voor een bouwvergunning voor het bouwen van 15 woningen op de bouwlocatie hoek [A-straat 1 ] en [A-straat 2 ] te [Q] is ontvangen op 7 november 2008. Onder het kopje “Toets bestemmingsplan” staat onder meer vermeld: “Aangezien deze aanvraag een splitsing betreft van een eerdere aanvraag, zal deze aanvraag verder afgehandeld worden met de vrijstellingsprocedure welke al gestart is.”

In een gemeentelijk informatiekrantje, waarin onder meer officiële bekendmakingen met betrekking tot bouwvergunningen worden gedaan namens de gemeente Renkum (waarvan een ongedateerde kopie als bijlage 5 is gehecht aan het proces-verbaal van de zitting), is onder het kopje “Reguliere bouwvergunningen, aangevraagd in de week voor 18 november 2008” onder meer het volgende opgenomen: “- Hoek [A-straat 1 ] en [A-straat 2 ]: (het splitsen van een eerdere aanvraag: bouwen vijftien woningen en drieëntwintig appartementen) bouwen van vijftien woningen.”

Bij brief van 28 januari 2009 heeft eiseres de aanvraag voor de bouwvergunning voor de 15 woningen ingetrokken.

In een brief van de gemeente Renkum van 3 februari 2009 (bijlage 3 bij het proces-verbaal van de zitting van 5 februari 2010) staat onder meer het volgende vermeld:

“Op 23 juni 2008 hebben wij uw aanvraag voor een Reguliere bouwvergunning (nummer [001]) ontvangen voor het bouwen van 15 woningen en 23 appartementen op het perceel (…) plaatselijk bekend hoek [A-straat 1 ] en [A-straat 2 ] te [Q]. Op 7 november 2008 heeft u een gewijzigde aanvraag ingediend, waarbij de 15 woningen uit de eerste aanvraag komen te vervallen en zijn gesplitst in een nieuwe aanvraag. De aanvraag, [001], is nu alleen een aanvraag geworden voor 23 appartementen. De bouwvergunning is inmiddels met vrijstelling ingevolge artikel 19, lid 2 WRO verleend.

Op 7 november 2008 hebben wij uw nieuwe aanvraag voor een Reguliere bouwvergunning ([002]) ontvangen voor het bouwen van vijftien woningen op het perceel (…) plaatselijk bekend hoek [A-straat 1 ] en [A-straat 2 ], [Q]. Ons college heeft onder andere voor de realisatie van deze 15 woningen een vrijstellingsprocedure ingevolge artikel 19, lid 2 WRO gevolgd. Ingevolge deze procedure waren wij voornemens vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de realisatie van de 15 woningen.

Echter, op 27 januari 2009 heeft u ons een brief gestuurd (…) met het verzoek om de bouwaanvraag (nummer [002]) in te trekken.” De brief eindigt met het besluit dat vrijstelling wordt verleend van de betreffende bestemmingsplannen met toepassing van artikel 19, lid 2, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

In een brief van 10 februari 2009 heeft mr. [B], afdelingsmanager publiekszaken, namens de Burgemeester en Wethouders van Renkum aan eiseres meegedeeld dat zij in verband met de intrekking van de bouwvergunning voor 15 woningen leges is verschuldigd, waarbij het recht bestaat op een vermindering van de leges met 50% van het verschuldigde bedrag. Opgemerkt wordt dat een acceptgirokaart voor het betalen van deze leges is bijgevoegd.

De betreffende acceptgiro bevat tevens een op 18 februari 2009 gedateerde nota van de gemeente Renkum ter zake van “Leges Bouwvergunning c.a.” ter hoogte van € 20.345,63 onder de vermelding “[002] intrekken aanvraag bouwvergunning; het bouwen van 15 woningen” (hierna: de aanslag legesheffing).

De tarieventabel waarin wordt vastgesteld welke tarieven gelden ter zake van de leges voor de aanvraag van bouwvergunningen, is per 1 oktober 2008 gewijzigd, waarbij een hoger tarief is opgenomen dan voor die tijd gold.

Eiseres heeft in haar bezwaarschrift tegen de aanslag legesheffing verzocht om toepassing van het lagere tarief dat gold ten tijde van de aanvraag van 6 of 20 juni 2008.

Verweerder heeft dit verzoek in de uitspraak op bezwaar afgewezen met als argument dat de definitieve aanvraag voor de bouwvergunning voor de 15 woningen na een aantal wijzigingen in het bouwplan begin november 2008 is binnengekomen bij de gemeente. Daarom houdt verweerder vast aan de tarieven die per 1 oktober 2008 gelden.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige aanslag legesheffing tot een juist bedrag aan eiseres is opgelegd.

Eiseres bepleit toepassing van het lagere tarief dat gold ten tijde van de aanvraag in juni 2008, aangezien volgens haar in november 2008 sprake was van een splitsing van de oorspronkelijke aanvraag en dus niet van een nieuwe aanvraag. Verweerder houdt vast aan het tarief dat gold op 7 november 2008, aangezien volgens hem toen een nieuwe aanvraag werd gedaan.

Met betrekking tot de hoogte van de leges voert eiseres aan dat de tarieven veel te hoog zijn en dat sprake is van een onredelijke en willekeurige belastingheffing. De in rekening gebrachte legeskosten staan volgens eiseres niet in verhouding tot de werkelijk verrichte inspanningen. Zij stelt dat de te heffen leges moeten worden teruggebracht tot nihil, dan wel een in redelijkheid door de rechtbank te bepalen bedrag.

Eiseres heeft voorts nog een aantal formele beroepsgronden aangevoerd, waarvan zij ter zitting desgevraagd heeft opgemerkt dat de rechtbank deze als subsidiair kan aanmerken voor het geval de rechtbank zou oordelen dat het beroep op inhoudelijke gronden ongegrond is.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Partijen gaan er kennelijk en terecht van uit dat doorslaggevend voor de vraag welk tarief moet worden toegepast is of de aanvraag van 7 november 2008 moet worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag of als een splitsing van de oorspronkelijke aanvraag van juni 2008.

Op grond van de onder de feiten geciteerde stukken is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een splitsing van de oorspronkelijke aanvraag en dus niet van een nieuwe aanvraag. Daarbij is van belang dat tussen eiseres en de gemeente is afgesproken dat het zou gaan om een splitsing, zodat de vrijstellingsprocedure geen problemen zou ondervinden van de verandering. Verweerder heeft deze afspraak niet betwist, maar heeft in de brief van 31 mei 2010 alleen opgemerkt dat de aanvraag van 7 november 2008 is geboekt als een nieuwe aanvraag. De rechtbank is echter van oordeel dat niet van belang is hoe de gemeente de aanvraag heeft geboekt, maar dat op basis van alle omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld hoe de aanvraag juridisch moet worden gekwalificeerd. De bedoeling van eiseres en de gemeente spelen daarbij een belangrijke rol, terwijl uit de stukken volgt dat het hun bedoeling was om de aanvraag te splitsen. Die bedoeling is goed te begrijpen vanuit de wens om de vrijstellingsprocedure niet opnieuw te hoeven doen, maar is ook goed verdedigbaar omdat het ging om dezelfde 15 woningen die volgens dezelfde plannen zouden worden gebouwd, zoals vermeld in de oorspronkelijke aanvraag. Zoals in de pleitnota is uitgelegd, had de splitsing als praktische reden dat als gevolg van de kredietcrisis rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat de 15 woningen niet verkocht zouden kunnen worden. Bij afgifte van de bouwvergunning tegelijk met de bouwvergunning voor de 23 appartementen zouden er nadelige fiscale effecten ontstaan (BTW in plaats van overdrachtsbelasting). De wijziging is dus om diverse redenen bewust vormgegeven als een splitsing en houdt ook inhoudelijk gezien niet een nieuwe aanvraag voor een bouwvergunning in.

Het bovenstaande brengt mee dat de aanslag legesheffing had moeten worden berekend naar het oude tarief. Nu geen van beide partijen heeft uitgerekend om welk bedrag het dan gaat, zal de rechtbank dit hieronder berekenen.

Als de per 1 oktober 2008 geldende tarieventabel voor de leges wordt toegepast, wordt de hoogte van het bedrag uitgaande van 6391 kubieke meter inhoud als volgt berekend:

De eerste 1.000 kuub x € 9,10= € 9.100,00

Alle meerdere kuubs (5.391) x € 5,86= € 31.591,26 +

-------------------

Totaalbedrag € 40.691,26 x 50% (intrekking) = € 20.345,63.

Dit is het bedrag dat verweerder in rekening heeft gebracht.

Als de vóór 1 oktober 2008 geldende tarieven worden toegepast, luidt de berekening (met toepassing van de eerdere tekst van artikel 5.5.1 en artikel 5.7.3) als volgt:

De eerste 1.000 kuub x € 8,10= € 8.100,00

De tweede 1.000 kuub x € 4,86= € 4.860,00

Alle meerdere kuubs (4.391) x € 1,62= € 7.113,42 +

---------------------

Totaalbedrag € 20.073,42 x 50% (intrekking) = € 10.036,71.

De rechtbank gaat er vanuit dat eiseres bedoelt te bepleiten dat zij recht heeft op een vermindering van de aanslag legesheffing tot dit bedrag van € 10.036,71. Gezien het bovenstaande oordeel over het toepasselijke tarief heeft eiseres inderdaad recht op een verlaging van de aanslag tot dit bedrag. In zoverre slaagt de inhoudelijke beroepsgrond van eiseres.

Uit de overige beroepsgronden leidt de rechtbank af dat eiseres een verlaging van de aanslag tot nihil wenst. Hoewel eiseres op het belangrijkste inhoudelijke punt gelijk krijgt, moeten de overige beroepsgronden dus toch worden beoordeeld.

De beroepsgrond dat sprake is van onredelijke en willekeurige belastingheffing stuit af op het feit dat hiervoor te weinig is aangevoerd, mede in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2009, nr. 43.120, LJN BI1943. De wetgever heeft de bevoegdheid tot het vaststellen van de tarieven voor leges toegekend aan de gemeentelijke wetgever, in dit geval de Raad van de Gemeente Renkum. Het staat de belastingrechter in beginsel niet vrij daarover te oordelen. Een uitzondering op deze regel doet zich voor indien de tarieven zodanig zijn vastgesteld dat (per verordening) de geraamde baten meer bedragen dan de geraamde lasten. Niet gesteld of gebleken is dat hiervan sprake is in de onderhavige situatie. Verweerder heeft immers gesteld dat de opbrengsten uit de leges niet meer dan kostendekkend zijn. Daar tegenover heeft eiseres niets concreets aangevoerd.

Een andere uitzondering op de voornoemde regel doet zich voor indien de tarieven leiden tot een willekeurige of onredelijke heffing, die de wetgever bij het toekennen van de heffingsbevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad. Ook daarvan is in de onderhavige situatie niets gesteld of gebleken. Het gehanteerde tarief is immers degressief, terwijl dit niet wordt vereist. Ook de absolute hoogte van het bedrag is niet zodanig dat van onredelijke of willekeurige belastingheffing sprake is, terwijl het bedrag zelfs laag kan worden genoemd als het wordt gerelateerd aan de aanneemsom. Verder is er geen rechtstreeks verband vereist tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten (zie HR 24 december 1997, nr. 32.569, LJN AA3345).

De beroepsgrond ten aanzien van de schending van de hoorplicht faalt, omdat de hoorplicht niet is geschonden. Ingevolge artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) hoeft verweerder immers alleen te horen als hiertoe een verzoek is gedaan. Ter zitting heeft eiseres bevestigd dat zij dit verzoek niet heeft gedaan. De stelling dat zij niet wist dat een verzoek nodig was, maakt de beoordeling niet anders.

De beroepsgrond waarin wordt aangevoerd dat de aanslag legesheffing door de verkeerde instantie is opgelegd, faalt eveneens. Uit de brief van 10 februari 2009 blijkt voldoende duidelijk dat de heer [B], de bevoegde heffingsambtenaar, het besluit voor de legesheffing heeft genomen. Aangenomen kan worden dat de vermelding in de brief dat dit besluit namens burgemeester en wethouders is genomen, berust op een vergissing.

Niet aannemelijk is dat eiseres door deze vergissing in haar belangen is geschaad.

De stelling dat de heer [C], die door de heer [B] is gemachtigd om namens hem op de zitting bij de rechtbank te verschijnen, niet bevoegd was om de uitspraak op bezwaar, die is gedaan op naam van de heer [B], “in opdracht” te ondertekenen, kan eiseres ook niet baten. Dit punt, waarover verweerder in zijn brief van 31 mei 2010 overigens niets heeft opgemerkt, zou hooguit kunnen leiden tot een vernietiging van de uitspraak op bezwaar, gevolgd door een nieuwe uitspraak op bezwaar met een ondertekening door de heer [B] zelf. Gezien de stellingname van verweerder in de onderhavige beroepsprocedure, valt niet te verwachten dat een heroverweging door de heer [B] tot een andere uitkomst zou leiden. Bovendien valt gelet op het hiervoor gegeven oordeel van de rechtbank over het toepasselijke tarief, niet in te zien hoe een terugwijzing naar de bezwaarfase voordeliger voor eiseres zou kunnen uitpakken dan een afdoening door de rechtbank. Het eventuele formele gebrek kan er – anders dan eiseres blijkbaar aanneemt - in elk geval niet toe leiden dat de rechtbank de aanslag legesheffing vernietigt. Ook deze beroepsgrond faalt derhalve.

Gezien het bovenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient de aanslag legesheffing te worden verminderd tot € 10.036,71.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres in de beroepsfase. Deze proceskosten worden voor de door een derde verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). De kosten van de bezwaarfase komen niet voor vergoeding nu niet is gebleken dat conform het bepaalde in artikel 7:15 van de Awb om vergoeding van die kosten is verzocht voordat uitspraak op bezwaar werd gedaan. Van overige kosten is ook niets gesteld of gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag legesheffing tot een bedrag van € 10.036,71 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 644;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 297 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. G. Schokker, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 20 juli 2010

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.