Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN2284

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
AWB 08/5712
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Accijns op olie. A-B-C-transactie, waarbij de olie vanaf de Belgische leverancier (A) rechtstreeks wordt vervoerd naar de Nederlandse afnemer (C), zonder dat de olie feitelijk bij de in Nederland gevestigde tussenpersoon B (eiseres) komt. A factureert B voor de olie, waarbij voor de omzetbelasting het 0% tarief wordt gehanteerd. B geeft een intracommunautaire verwerving aan. Volgens verweerder is de accijns niet betaald. De accijns wordt nageheven bij eiseres. Grondslag van de naheffing: artikel 2b Wet op de accijns (WA), subsidiair artikel 2f van de WA. Heeft eiseres de olie voorhanden gehad in de zin van artikel 2b of 2f van de WA? Rechtbank: nee, want zij heeft geen feitelijke beschikkingsmacht over de olie gehad. Naheffingsaanslag met boete wordt daarom vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1885
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 08/5712

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 20 juli 2010

inzake

[X] B.V., statutair gevestigd te [Z] en kantoorhoudend te [Q], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 met dagtekening 14 november 2007 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000]) betreffende accijns van minerale oliën, brandstoffenbelasting en voorraadheffing ten bedrage van totaal € 107.748 opgelegd. Daarbij is tevens een verzuimboete van € 4.537 opgelegd en is aan heffingsrente € 20.994 in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 november 2008 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 10 december 2008, ontvangen bij de rechtbank op 11 december 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010 te Arnhem. Op verzoek van eiseres is de zaak daar gelijktijdig behandeld met de samenhangende zaak van [Y] BV, statutair gevestigd en kantoorhoudende te [Q], met registratienummer 08/5713.

Namens eiseres zijn ter zitting verschenen mr. [gemachtigde], gemachtigde, en [A], directeur van eiseres. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mw. mr. [B]. Beide partijen hebben een pleitnota voorgedragen en overgelegd, die tot de gedingstukken wordt gerekend.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiseres heeft 300 m3 gasolie gekocht voor een bedrag van € 118.500 bij [C], gevestigd in België (hierna: [C]). [C] heeft hiervoor aan eiseres een factuur gestuurd, gedateerd 26 augustus 2002, welke factuur later is aangepast. Eiseres heeft voor die aanpassing als reden gegeven dat de berekening op de eerste factuur onjuist was, terwijl het eindbedrag wel juist was.

Op de tweede factuur staat onder meer vermeld:

“Aan u geleverd te [R]/bunkerschip

300 m3 Gasolie a 395 euro m3

BTW 0 tarief”.

Eiseres heeft deze olie verkocht aan [D] te [R], Nederland (hierna: [D]). De factuur van eiseres aan [D] is gedagtekend 1 september 2002 en heeft onder meer de volgende omschrijving:

“Aan u geleverd in de maand augustus franco te [R]:

300 cbm gasolie rood

à Euro 398,00 per 1000 cbm Euro 119.400

BTW 19% Euro 22.686

----------------

Totaal door u te voldoen Euro 142.086”

[C] heeft de betreffende olie af doen leveren bij [D], zonder tussenkomst van eiseres.

Eiseres heeft in haar aangifte omzetbelasting van 25 september 2002 het bedrag van € 118.500 aangegeven als een intracommunautaire verwerving.

In april 2003 hebben de politie Gelderland-Zuid en de belastingdienst/FIOD/ECD (hierna tezamen kortweg aan te duiden als de FIOD) onderzoek gedaan in Nederland naar transacties tussen [C] en eiseres. Dit naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Belgische autoriteiten in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar [C].

Bij brief van 15 juni 2007 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat niet is aangetoond dat de in de brief genoemde goederen, waaronder de onderhavige olie, overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Wet op de Accijns (hierna: WA) in de heffing zijn betrokken. Volgens de brief levert dit een uitslag op als bedoeld in artikel 2f van de WA, zodat accijns is verschuldigd. Eiseres wordt in de brief verzocht om binnen 14 dagen aan te tonen dat de olie overeenkomstig de wettelijke bepalingen in de heffing is betrokken.

Na een reactie van gemachtigde van eiseres op dit verzoek bij brief van 12 juli 2007, waarin onder meer is opgemerkt dat eiseres alleen beschikt over de factuur van [C] en zij er verder van uit gaat dat de accijns is betaald, heeft verweerder een naheffingsaanslag en een verzuimboete van 10% aangekondigd in een brief van 5 november 2007. De naheffingsaanslag is vervolgens op 14 november 2007 opgelegd.

In het kader van het tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar heeft gemachtigde van eiseres een verklaring van [C] overgelegd, in de vorm van een brief van 4 december 2007. In deze brief staat onder meer het volgende:

“(…) Telkens is er gasolie geleverd, dat staat ook vermeld op de facturen. Het betreft hier gasolie rood, met een laag accijnstarief. (…) Ook ben ik nooit in het bezit geweest van een AGP, waardoor de gasolie (rood) nooit accijnsvrij ingekocht is kunnen worden. Over de gasolie (rood) die u heeft ontvangen is dus wel degelijk accijns betaald. (…)”

In een aanvullende verklaring van [C], neergelegd in een brief van 11 juli 2008, is het volgende vermeld:

“Naar aanleiding van het verzoek van de douane in [S], verklaar ik hierbij dat ik met “accijns” in mijn verklaring van 4 december 2007, Nederlandse accijns bedoel. (…)”

3. Geschil

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd aan eiseres. Verder is de boete in geschil.

In beroep heeft verweerder de belastingplicht van eiseres voor de onderhavige accijns primair gebaseerd op artikel 2b van de WA en subsidiair op artikel 2f van de WA.

Eiseres heeft gesteld dat zij de onderhavige minerale olie niet voorhanden heeft gehad, zodat zij hiervoor niet belastingplichtig is. Verder heeft zij onder andere aangevoerd dat verweerder moet aantonen dat de accijns niet is betaald en dat op eiseres geen andere verplichting rust dan haar leverancier bekend te maken, hetgeen zij heeft gedaan. Zij heeft voorts gesteld dat [C] de belastingplichtige is, omdat artikel 2e van de WA van toepassing is op de onderhavige transactie.

Voor het geval de rechtbank oordeelt dat eiseres wel belastingplichtig is voor de onderhavige transactie, heeft eiseres diverse subsidiaire standpunten ingenomen. Daarbij is onder meer betoogd dat het lage accijnstarief voor rode gasolie van toepassing is, zodat verweerder ten onrechte heeft nageheven met toepassing van het veel hogere tarief voor blanke gasolie.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Verweerder is er bij het opleggen van de naheffingsaanslag vanuit gegaan dat de onderhavige olie door [C] vanuit België is vervoerd naar de afnemer van eiseres in Nederland. Dit heeft verweerder kennelijk enerzijds gebaseerd op de factuur van [C], waarop is vermeld dat [C] in België is gevestigd en dat voor de omzetbelasting het 0% tarief is gehanteerd, en anderzijds op de omstandigheid dat eiseres een intracommunautaire verwerving voor de omzetbelasting heeft aangegeven.

Eiseres heeft niet bestreden dat de olie vanuit België naar Nederland is vervoerd, hoewel zij ter zitting desgevraagd niet kon bevestigen dat de olie zich in België bevond toen [C] begon met de levering van de olie aan [D]. De directeur van eiseres heeft ter zitting verklaard dat eiseres bij het aangeven van de intracommunautaire verwerving is afgegaan op de factuur van [C].

Omdat beide partijen er bij al hun stellingen van zijn uitgegaan dat de olie vanuit België naar Nederland is vervoerd, in welk geval er Nederlandse accijns verschuldigd is over de olie, zal de rechtbank hier ook van uitgaan. Beoordeeld moet daarom worden of de accijns kan worden geheven van eiseres.

Zowel artikel 2b van de WA als artikel 2f van de WA wijzen als bestanddeel van het belastbaar feit aan dat de betrokkene de goederen voorhanden heeft (gehad).

Artikel 2b luidt immers:

“1. Als uitslag wordt mede aangemerkt het door een ondernemer of een publiekrechtelijk lichaam voor commerciële doeleinden voorhanden hebben van een accijnsgoed dat in een andere lid-staat is uitgeslagen dan wel ingevoerd en waarvan in Nederland de accijns niet is geheven. (…)”

En artikel 2f luidt:

“Als uitslag wordt mede aangemerkt het in strijd met artikel 5 vervaardigen van een accijnsgoed alsmede het voorhanden hebben van een accijnsgoed dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken.”

In artikel 51a van de WA wordt voor de toepassing van de artikelen 2b en 2f bepaald dat de accijns wordt geheven van degene die het accijnsgoed voorhanden heeft.

De Hoge Raad heeft het begrip “voorhanden hebben” in de zin van artikel 2f van de WA uitgelegd als het hebben van feitelijke beschikkingsmacht. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat het begrip voorhanden hebben feitelijk en beperkt moet worden uitgelegd. Volgens de jurisprudentie is voor het aannemen van feitelijke beschikkingsmacht namelijk nodig dat de betrokkene daadwerkelijk de fysieke mogelijkheid heeft om bij de goederen te komen, bijvoorbeeld doordat hij over een sleutel van de opslagplaats beschikt. Eigendom en het doen vervoeren van goederen is daartoe niet voldoende. Ook het hebben van de juridische beschikkingsmacht is niet voldoende. Zie in dit kader HR 12 april 2002, nr. 35.458, BNB 2002/229, LJN AE1439; HR 9 juli 2004, nr. 39.624, BNB 2004/353, LJN AQ0069 en HR 15 april 2005, nr. 39.488, BNB 2005/199, LJN AO4322.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiseres de feitelijke beschikkingsmacht over de olie heeft gehad, aangezien uit de vaststaande feiten volgt dat de levering geheel buiten haar om heeft plaatsgevonden. Het feit dat zij het initiatief heeft genomen tot de transactie of het feit dat zij in juridische zin de beschikkingsmacht had, maakt – anders dan verweerder heeft aangevoerd - niet dat eiseres de feitelijke beschikkingsmacht heeft gehad over de olie. Niet gesteld of gebleken is dat er omstandigheden waren waaruit kan worden afgeleid dat eiseres wel de feitelijke beschikkingsmacht heeft gehad over de olie, ondanks het feit dat de olie door of namens [C] rechtstreeks is vervoerd naar de afnemer van eiseres.

De stelling van verweerder dat het begrip voorhanden hebben in artikel 2b anders moet worden uitgelegd dan in artikel 2f wordt door de rechtbank verworpen. De Hoge Raad heeft zijn diverse oordelen over feitelijke beschikkingsmacht algemeen geformuleerd; er is geen aanleiding om aan te nemen dat deze uitleg alleen is bedoeld voor artikel 2f. Ook op basis van de wetsystematiek is er geen reden om hetzelfde begrip in dezelfde wet bij verschillende artikelen op verschillende manier uit te leggen. De Accijnsrichtlijn, die hetzelfde begrip kent en die is geïmplementeerd in de WA, biedt hiervoor evenmin aanknopingspunten.

Ook valt niet in te zien dat de beperking in artikel 2b dat het moet gaan om voorhanden hebben voor commerciële doeleinden meebrengt dat het in die bepaling gaat om een ander begrip voorhanden hebben dan in artikel 2f, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd. Het enige verschil zit in de doeleinden van het voorhanden hebben, maar dat is voor deze zaak niet van belang.

Nu eiseres geen feitelijke beschikkingsmacht heeft gehad over de onderhavige partij olie, kan de daarvoor verschuldigde accijns niet van haar worden geheven, zodat de naheffingsaanslag ten onrechte aan haar is opgelegd. De naheffingsaanslag moet dus worden vernietigd. De boetebeschikking en de beschikking heffingsrente delen dit lot en zullen eveneens worden vernietigd. De overige standpunten van partijen kunnen daarom onbesproken blijven.

Gelet op het bovenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het bezwaar en het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.690,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1,5 in verband met de zwaarte van de zaak).

Voor de overige door eiseres genoemde proceskosten, te weten reis- en verletkosten wordt verweerder veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 235,62. Dit bedrag bestaat uit € 212,12 voor verletkosten (4 uur verlet tegen het maximale tarief van € 53,03 per uur in verband met de functie van de directeur van eiseres) en € 23,50 voor reiskosten [Q]-Arnhem en terug (op basis van openbaar vervoer met trein tweede klas en bus).

Het totale bedrag aan proceskosten komt derhalve uit op € 1.926,12. Aangezien ten opzichte van de tegelijk behandelde zaak met nummer 08/5713 sprake is van samenhangende zaken, zal in elk van de zaken de helft van de vergoeding worden toegekend, ofwel € 963,06.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente en bepaalt dat deze uitspraak in zo verre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 963,06;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 288 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, mr. J.J. Catsburg en mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M.J. Sangster, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 20 juli 2010

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.