Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN1978

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-02-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
195327 / BZ RK 10-52
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Verzoek ex artikel 14e Wet Bopz

Betrokkene, ten aanzien van wie een voorwaardelijke machtiging was verleend, is op 30 december 2009 opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene betwist dat er redenen voor opneming waren en stelt voorts dat de opneming onrechtmatig is nu zij niet voorafgaand aan de opneming is gehoord of gezien door de geneesheer-directeur, zij niet over haar rechtspositie is geïnformeerd en haar in strijd met de wet geen exemplaar van de omzetting ter hand is gesteld, aldus betrokkene.

Rechtbank: ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 17 februari 2006 (BJ 2006, 7) dient de rechter bij een verzoek ex art. 14e van de wet Bopz te onderzoeken of, beoordeeld naar de ten tijde van de beslissing van de rechter geldende omstandigheden, (een van) de in de eerste twee volzinnen van het eerste lid van art. 14d genoemde gronden voor de vrijheidsbeneming, die de gedwongen opneming in een psychiatrisch ziekenhuis met zich brengt, aanwezig zijn. Dit brengt volgens de Hoge Raad mee dat niet de beslissing van de geneesheer-directeur ter toetsing voorligt. Nu aan betrokkene op 14 januari 2010 (voorwaardelijk) ontslag is verleend en van vrijheidsbeneming geen sprake (meer) is, kan dit tot geen andere conclusie leiden dan dat het gevaar buiten de inrichting kennelijk (weer) kan worden afgewend door naleving van voorwaarden. De slotsom is, dat op dit moment geen van de gronden genoemd in het eerste lid van artikel 14d Bopz zich nog langer voordoen. Het bezwaar is daarom gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector Familie en Jeugd

Zaakgegevens: 195327 / BZ RK 10-52

Datum uitspraak: 8 februari 2010

Beschikking op een verzoek ex artikel 14e Wet Bopz

in de zaak van

de officier van justitie

betreffende

[betrokkene]

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats

Het verzoek en de procedure

De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, ingekomen op 14 januari 2010, verzocht om een rechterlijke beslissing op de op 30 december 2009 gegeven beslissing tot opneming van betrokkene in psychiatrisch ziekenhuis [adres] te Arnhem. Bij het verzoek is overgelegd het verzoek ex artikel 14e van de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) van betrokkene van 13 januari 2010 met bijlagen.

De rechter heeft op 25 januari 2010 gehoord de betrokkene, de advocaat van de betrokkene mr. E. Klijn en de (waarnemer van de) behandelaar de psychiater [naam] en mevrouw [naam 2] van [instelling] te Arnhem.

Conform ter zitting gemaakte afspraken hebben de behandelaars van betrokkene de rechtbank nadere informatie toegezonden. Op 25 januari 2010 is ontvangen een fax met bijlagen van de heer [naam] en mevrouw [naam 2] voornoemd. Bij fax van 29 januari heeft de raadsman van betrokkene op de inhoud van de fax van de heer [naam] en mevrouw [naam 2] voornoemd gereageerd.

De beoordeling

Op grond van de overgelegde stukken en de door haar verkregen inlichtingen stelt de rechtbank het volgende vast.

Bij beschikking van 28 september 2009 is ten aanzien van betrokkene een voorwaardelijke machtiging verleend met als voorwaarde dat betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het aan de genoemde beschikking aangehechte behandelingsplan, zulks voor de duur van zes maanden.

In de hiervoor genoemde beschikking van 28 september 2009 overweegt de rechtbank over het gevaar: "Zonder machtiging bestaat grote kans dat betrokkene zich niet langer aan de afspraken met hulpverleners zal houden waarna naast gevaar voor haar lichamelijke en geestelijke gezondheid verdere maatschappelijke teloorgang dreigt".

Blijkens de in kopie aan het verzoek van betrokkene als bijlage gevoegde "Geneeskundige verklaring omzetting" van 30 december 2009, getekend door de psychiater [psychiater], is betrokkene op 30 december 2009 opgenomen in psychiatrisch ziekenhuis [adres] te Arnhem. De geneeskundige verklaring vermeldt onder het kopje "actuele psychopathologie": "psychotisch, pte weigert depot medicatie en komen op afspraken" en onder het kopje "psychiatrische diagnose": "schizofrenie".

Na de indiening van, althans op dag van ontvangst door de rechtbank van het onderhavige verzoek, doch voorafgaand aan de mondelinge behandeling daarvan, is betrokkene uit [adres] ontslagen en in vrijheid gesteld op 14 januari 2010. Het betreft, zo blijkt uit de overgelegde "decursus" een ontslag onder voorwaarden met de navolgende voorwaarden:

Medicatiegebruik volgens voorschrift;

Nakomen afspraken met ambulante behandelaar

Bij duidelijke verslechtering (toename psychose) toestandsbeeld kan tot opname worden besloten.

Betrokkene heeft haar verzoek (dat naar de rechtbank opvat als een bezwaar tegen de opneming van 30 december 2010) als volgt onderbouwd:

Zij betwist dat er redenen voor opneming waren, immers, zo stelt zij, de voorwaarden zijn nageleefd, er is geen gevaar, althans er is geen gevaar dat niet buiten de inrichting kan worden afgewend en betrokkene heeft niet zelf om opneming verzocht.

Voorts stelt betrokkene dat de opneming onrechtmatig is nu zij niet voorafgaand aan de opneming is gehoord of gezien door de geneesheer-directeur, zij niet over haar rechtspositie is geïnformeerd en haar in strijd met de wet geen exemplaar van de omzetting ter hand is gesteld, aldus betrokkene.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 17 februari 2006 (BJ 2006, 7) dient de rechter bij een verzoek als het onderhavige, in volle omvang de vraag te onderzoeken of, beoordeeld naar de ten tijde van de beslissing van de rechter geldende omstandigheden, (een van) de in de eerste twee volzinnen van het eerste lid van art. 14d genoemde gronden voor de vrijheidsbeneming, die de gedwongen opneming in een psychiatrisch ziekenhuis met zich brengt, aanwezig zijn. Dit brengt volgens de Hoge Raad mee dat niet de beslissing van de geneesheer-directeur ter toetsing voorligt.

Nu aan betrokkene op 14 januari 2010 (voorwaardelijk) ontslag is verleend en van vrijheidsbeneming geen sprake (meer) is, kan dit naar het oordeel van de rechtbank tot geen andere conclusie leiden dan dat het gevaar buiten de inrichting kennelijk (weer) kan worden afgewend door naleving van voorwaarden. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat de bestreden opneming op 30 december 2009 heeft plaatsgevonden omdat betrokkene zich niet aan de afspraken zou hebben gehouden en dat zij haar medicatie niet zou hebben ingenomen volgens voorschrift. De huidige voorwaarden verbonden aan het op 14 januari 2010 verleende ontslag zijn nagenoeg gelijkluidend aan de voorwaarden gesteld bij de voorwaardelijke machtiging. Nu het tegendeel is gesteld noch gebleken, gaat de rechtbank ervan uit dat betrokkene zich sinds dat ontslag aan die voorwaarden heeft gehouden, temeer nu de instelling tot nu toe kennelijk geen aanleiding heeft gezien het ontslag wegens overtreding van de huidige voorwaarden in te trekken en betrokkene opnieuw op te nemen. Evenmin is gebleken dat betrokkene zelf heeft verzocht om opneming.

De slotsom is, dat op dit moment geen van de gronden genoemd in het eerste lid van artikel 14d Bopz zich nog langer voordoen. Het bezwaar is daarom gegrond.

Wat betrokkene naar voren heeft gebracht over de door haar gestelde formele onjuistheden bij de totstandkoming van de beslissing en de daaruit volgens haar voortvloeiende onrechtmatigheid daarvan zal de rechtbank, gelet op de hiervoor omschreven toetsingscriteria en de hierna te geven beslissing, verder onbesproken laten. Voor vernietiging van de beslissing van 30 december 2010 bestaat geen grond aangezien de rechtmatigheid van deze beslissing niet ter beoordeling staat en niet is beoordeeld in deze procedure. Voor het bevelen van de invrijheidsstelling bestaat evenmin grond, nu aan betrokkene inmiddels (voorwaardelijk) ontslag is verleend.

Op grond van de toepasselijke bepalingen van de Wet Bopz wordt daarom als volgt beslist.

De beslissing

De rechtbank

Verklaart het bezwaar tegen de bestreden beslissing van 30 december 2010 gegrond

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Tegelaar, in tegenwoordigheid van C.W. Coljee als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2010