Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN1797

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
20-07-2010
Zaaknummer
180534
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Met zijn eigen verklaring en de verklaringen van zijn zonen heeft gedaagde naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat gedaagde de leiding heeft uitgegraven dan wel daartoe opdracht heeft gegeven voldoende ontzenuwd. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat gedaagde de rioolwaterpersleiding heeft uitgegraven dan wel dat hij daartoe opdracht heeft gegeven. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat gedaagde onrechtmatig jegens het Waterschap heeft gehandeld. De vordering van het Waterschap zal worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 180534 / HA ZA 09-180

Vonnis van 2 juni 2010

in de zaak van

WATERSCHAP RIVIERENLAND,

gevestigd te Tiel,

eiser,

advocaat mr. W.J.M. Gitmans te Nijmegen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.M. Wilmink te Arnhem.

Partijen zullen hierna Waterschap Rivierenland en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 september 2009

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 11 november 2009

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 20 januari 2010

- de conclusie na getuigenverhoor

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank blijft bij hetgeen zij in haar tussenvonnis van 30 september 2009 heeft overwogen en beslist.

2.2. In rechtsoverweging 4.4 van dit tussenvonnis heeft de rechtbank op de gronden dat:

- [gedaagde] op 10 juli 2008 de toegang tot het perceel heeft geblokkeerd;

- [gedaagde] zich op het onjuiste standpunt bleef stellen dat het Waterschap niet gerechtigd was de persleiding aan te leggen;

- [gedaagde] met zijn ene zoon een loonwerkersbedrijf uitoefent, een andere zoon een aannemingsbedrijf uitoefent en deze zoon beschikt over een kraan;

voorshands bewezen geacht dat [gedaagde] de rioolwaterpersleiding heeft uitgegraven. De rechtbank heeft [gedaagde] toegelaten tot het tegenbewijs dat hij tussen 24 en 28 juli 2008 de rioolwaterpersleiding niet heeft uitgegraven uit het perceel.

2.3. Alvorens nader in te gaan op de afgelegde getuigenverklaringen merkt de rechtbank over de inhoud en formulering van de bewijsopdracht het volgende op.

2.4. De bewijsopdracht aan [gedaagde] dient aldus gelezen te worden dat deze niet alleen omvat het leveren van tegenbewijs dat [gedaagde] de rioolwaterpersleiding niet zelf heeft uitgegraven maar ook het leveren van tegenbewijs dat [gedaagde] daartoe geen opdracht heeft gegeven. Deze lezing van de bewijsopdracht volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de dagvaarding en de daarin weergeven grondslag van de vordering van het Waterschap. In paragraaf 19 van de dagvaarding stelt het Waterschap namelijk dat – hoewel het niet onomstotelijk heeft kunnen vaststellen door wie de buizen uit het perceel zijn gehaald – het gerechtvaardigde vermoeden bestaat dat dit “door of in opdracht van [gedaagde]” is gebeurd. Bovendien spreekt het naar het oordeel van de rechtbank voor zich dat [gedaagde] een dergelijk complex en omvangrijk werk niet alleen kan uitvoeren. In ieder geval geldt dat [gedaagde] door de formulering van de bewijsopdracht niet in zijn processuele belangen is geschaad. Immers, de rechtbank heeft tijdens de enquête expliciet de vraag aan de orde gesteld of [gedaagde] opdracht heeft gegeven tot het uitgraven van de rioolwaterpersleiding. [gedaagde] heeft op vragen hieromtrent ook expliciet en zonder voorbehoud geantwoord.

2.5. Op 11 november 2009 heeft [gedaagde] zijn twee zonen, de heren [zoon 1] en [zoon 2], als getuige doen horen. Vervolgens heeft [gedaagde] op 20 januari 2010 als getuige zichzelf doen horen en de heren [getuige A] en [getuige B], beiden in dienst van het loonwerkersbedrijf van zonen van [gedaagde]. Het Waterschap heeft afgezien van contra-enquête. In de kern hebben de getuigen het volgende verklaard.

2.6. [gedaagde] verklaart dat hij de rioolwaterpersleiding niet heeft opgegraven. Volgens [gedaagde] heeft hij daarvoor geen materieel en kan hij dergelijk materieel ook niet bedienen. [gedaagde] verklaart dat hij ook geen opdracht heeft gegeven tot het uitgraven van de rioolwaterpersleiding en dat hij niet weet wie de leiding wel heeft opgegraven. [gedaagde] erkent de medewerkers van het Waterschap en de aannemer de toegang tot zijn perceel te hebben geweigerd maar verklaart toen niet te hebben gezegd dat hij de rioolleiding zou weghalen als deze toch werd aangelegd.

2.7. [zoon 2] verklaart dat noch hij noch zijn vader de rioolwaterpersleiding heeft uitgegraven. Hij verklaart niet te weten niet wie dat wel gedaan

heeft. [zoon 2] verklaart voorts dat zijn vader geen kraan kan bedienen. Zijn bedrijf beschikt niet over een kraan waarmee een persleiding kan worden uitgegraven.

2.8. Ook [zoon 1] verklaart niet te weten wie de rioolwaterpersleiding heeft uitgegraven. [zoon 1] verklaart dat hijzelf voor zijn bedrijf weliswaar graafmachines en kranen met rupsbanden heeft maar dat deze niet over de openbare weg mogen. Deze machines moeten vervoerd worden met een dieplader. [zoon 1] heeft zelf één dieplader maar die zou te klein zijn voor het vervoer van deze machines; de enige kraan met rubberbanden staat op het bedrijf van [zoon 1] in [woonplaats Z]. Volgens [zoon 1] kan zijn vader niet overweg met graafmachines en kan hij deze niet op een dieplader plaatsen. Ten slotte verklaart [zoon 1] dat het loonbedrijf van zijn twee broers niet beschikt over graafmachines.

2.9. Tot slot hebben ook Van Hoeflaken en Paulussen verklaard niet te weten wie de rioolwaterpersleiding heeft uitgegraven.

2.10. Naar aanleiding van deze getuigenverklaringen overweegt de rechtbank als volgt.

2.11. Voor de rechtbank staat voorop de verklaring van [gedaagde] dat hij de rioolwaterpersleiding niet heeft opgegraven en daartoe ook geen opdracht heeft gegeven. Deze verklaring, die – zo merkt de rechtbank ten overvloede op – niet geldt als verklaring van een partijgetuige als bedoeld in artikel 164 Rv nu het om tegenbewijslevering gaat, wordt bevestigd door de verklaringen van zijn beide zonen. Van de zijde van het Waterschap is hier niets tegenover gesteld. Weliswaar heeft het Waterschap in zijn dagvaarding en ter comparitie gesteld dat [gedaagde] had gedreigd de persleiding weer op te zullen graven, maar dit is niet bevestigd in een onder ede afgelegde verklaring in een contra-enquête. Bovendien heeft [gedaagde] zelf onder ede verklaard zich niet zo te hebben uitgelaten tegenover medewerkers van het Waterschap.

2.12. [gedaagde] heeft verklaard – en wordt ook daarin door zijn zonen bevestigd – dat hij geen graafmachines kan bedienen en zelf bovendien geen geschikt materieel voorhanden had. Daarnaast hebben de beide zonen verklaard dat ook zij (ter plaatse) niet over het juiste materieel (konden) beschikken. De door het Waterschap bij conclusie na enquête overgelegde informatie van de website van het loonwerkersbedrijf van [gedaagde] over het machinepark van dit bedrijf doet aan deze verklaringen onvoldoende afbreuk. Daarmee is immers nog niet gegeven dat – zoals [zoon 1] heeft bestreden als getuige – het voor het uitgraven van de persleiding geschikte zware materieel in het bewuste weekend ter plaatse was (zie overweging 2.8). Gelet op de verklaringen van [gedaagde] c.s. had het op de weg van het Waterschap gelegen om in ieder geval meer helderheid te geven over de mogelijkheden van dit machinepark in relatie tot het uitgraven van de persleiding.

2.13. Met zijn eigen verklaring en de verklaringen van zijn zonen heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat [gedaagde] de leiding heeft uitgegraven dan wel daartoe opdracht heeft gegeven voldoende ontzenuwd. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] de rioolwaterpersleiding heeft uitgegraven dan wel dat hij daartoe opdracht heeft gegeven. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagde] onrechtmatig jegens het Waterschap heeft gehandeld. De vordering van het Waterschap zal worden afgewezen.

2.14. Als de in het ongelijk gesteld partij zal het Waterschap worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten worden tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op:

- vast recht EUR 545,00

- salaris advocaat EUR 2.316,00 (4 punten x tarief EUR 579,00)

- taxe getuigen EUR 2.140,60

EUR 5.001,60

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vordering van het Waterschap af,

3.2. veroordeelt het Waterschap in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde] begroot op EUR 5.001,60,

3.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. F.J. de Vries, S.C.P. Giesen en D.R. Sonneveldt en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2010.