Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN1757

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-07-2010
Datum publicatie
20-07-2010
Zaaknummer
05/504715-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank te Arnhem veroordeelt 49-jarige man wegens het meermalen betalen van een minderjarige jongen voor het verrichten en dulden van seksuele handelingen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daarbij de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd ambulant laat behandelen. Het verweer van de raadsman dat veroordeelde niet wist dat het om een minderjarige jongen ging en dat hij dat ook niet hoefde te weten wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/504715-09

Datum zitting : 5 juli 2010

Datum uitspraak : 19 juli 2010

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : 20 maart 1961 te Zutphen,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

Raadsman : mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006

tot en met 15 december 2007 te Arnhem, althans in Nederland, een of meermalen

door giften (te weten geldbedragen) of beloften van geld of door misbruik van

uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht (te weten het grote

leeftijdsverschil), een persoon, te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat

deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft

bewogen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van verdachte

te dulden, te weten dat verdachte die [slachtoffer] heeft gepijpt en/of heeft

afgetrokken en/of zijn, verdachtes vinger in en/of tegen de anus van die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht en/of dat verdachte door die [slachtoffer] is

afgetrokken;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2006

tot en met 15 december 2007 te Arnhem, althans in Nederland, ontucht heeft

gepleegd met een persoon, genaamd [slachtoffer] (geboortedatum [x], die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen

met verdachte tegen betaling terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van zestien

jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, bestaande die

ontucht daarin, dat verdachte die [slachtoffer] heeft gepijpt en/of heeft

afgetrokken en/of zijn, verdachtes vinger in en/of tegen de anus van die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht en/of dat verdachte door die [slachtoffer] is

afgetrokken;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 5 juli 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem.

Als benadeelde heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd:

- [slachtoffer].

Namens de benadeelde partij is verschenen de heer [betrokkene].

De officier van justitie, mr. W. Gerretschen, heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met een proeftijd van drie jaren, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos of FPK De Tender, dan wel een soortgelijke instelling.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de officier van justitie verzocht deze geheel toe te wijzen en hij heeft gevorderd dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen worden de navolgende feiten, die verder ook niet ter discussie staan, vastgesteld.

Verdachte heeft in 2006 of 2007 meermalen te Arnhem ontuchtige handelingen verricht met [slachtoffer]. Verdachte heeft [slachtoffer] gepijpt, heeft hem afgetrokken en heeft zich door [slachtoffer] laten aftrekken. Verdachte heeft [slachtoffer] telkens opzettelijk bewogen tot het plegen of dulden van deze handelingen door hem daarvoor te betalen.

[slachtoffer] is geboren op [geboortedatum] en was dus op 15 december 2007 nog geen 18 jaren oud.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte de tenlastegelegde handelingen heeft gepleegd in de periode van 1 juli 2007 tot en met 15 december 2007, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] in die periode nog geen 18 jaar oud was.

Verder acht de officier van justitie, naast de bij de vaststaande feiten genoemde ontuchtige handelingen, ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn vinger in/tegen de anus van [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de handelingen pas zijn begonnen vanaf juli 2007.

Verder stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte niet wist dat [slachtoffer] jonger was dan18 jaar oud en dat hij dit ook niet redelijkerwijs hoefde te vermoeden. De raadsman heeft verzocht om verdachte daarom vrij het spreken van het primair tenlastegelegde.

Verdachte ontkent zijn vinger in/tegen de anus van [slachtoffer] te hebben geduwd of gebracht.

Beoordeling van de standpunten

Periode

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 15 december 2007 ontuchtige handelingen heeft gepleegd. Verdachte verklaart daarover dat de handelingen in juli 2007 zijn begonnen, [slachtoffer] stelt dat de handelingen zijn begonnen in 2004.

Zowel verdachte als [slachtoffer] verklaren dat zij elkaar leerden kennen toen [slachtoffer] in een band speelde. [slachtoffer] verklaarde dat deze band in die tijd [bandnaam1] “ging heten”. Andere leden van de band waren [bandlid1], [bandlid2], [bandlid3], [bandlid4]” en “[bandlid5]”. Deze band oefende in een ruimte van de stichting [naam stichting] (hierna: [naam stichting]) te Arnhem en in deze oefenruimte zouden verdachte en [slachtoffer] elkaar voor het eerst hebben ontmoet.

In het dossier bevindt zich een ‘gebruikersovereenkomst huur oefenruimte’ (hierna huurcontract) waaruit blijkt dat de band “[bandnaam2]” vanaf 16 september 2006 gebruik is gaan maken van de oefenruimte van de [naam stichting]. Eén van de toenmalige leden van de band,[bandlid5] ([bandlid5]), verklaart dat hij met een band genaamd “[bandnaam3]” gebruik is gaan maken van de oefenruimte van de [naam stichting]. Uit zijn verklaring volgt dat deze band uit dezelfde, hiervoor genoemde, leden bestond als de band waarin [slachtoffer] toen speelde. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [slachtoffer] en [bandlid5] het over dezelfde band hebben en dat deze band op enig moment - voor of nadat de band “[bandnaam1]” ging heten - “[bandnaam3]”of “[bandnaam2]” heette (waarbij zij ervan uitgaat dat, hoewel de naam van deze band in het proces-verbaal van verhoor en in het huurcontract verschillend is gespeld, dezelfde band wordt bedoeld). Nu uit het huurcontract volgt dat deze band in september 2006 is gaan oefenen in de [naam stichting] en verdachte en [slachtoffer] elkaar hebben leren kennen in de [naam stichting], acht de rechtbank in ieder geval aannemelijk dat verdachte en [slachtoffer] elkaar hebben leren kennen ná september 2006. Dit maakt dat de verklaring van [slachtoffer] op dit punt niet kan worden gevolgd en de rechtbank daarom wat betreft de datum waarop de handelingen zijn begonnen uitgaat van de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 5 juli 2010.

Gelet op die verklaring acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in juli 2007 is begonnen met het plegen van ontuchtige handelingen, terwijl de tenlastegelegde periode eindigt op 16 december 2007 (namelijk op het moment dat [slachtoffer] 18 jaar oud werd en daarmee het strafbare karakter van verdachtes handelen kwam te vervallen).

Leeftijd

Voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde is noodzakelijk dat wordt bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] in de periode van 1 juli 2007 tot en met 15 december 2007 nog geen 18 jaar oud was.

Verdachte stelt dat [slachtoffer] tegen hem heeft gezegd dat hij op het moment dat de ontuchtige handelingen een aanvang namen 18 jaar oud was, [slachtoffer] ontkent dit. Nu de rechtbank geen aanleiding ziet om [slachtoffer] op dit punt ongeloofwaardig te achtte, gaat zij ervan uit dat [slachtoffer] helemaal niet tegen verdachte over zijn leeftijd heeft gelogen door te zeggen dat hij 18 jaar oud was.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] in juli 2007 nog op school zat, dat hij nog thuis woonde, dat hij nog op bepaalde tijdstippen thuis moest zijn en dat zijn moeder nog regelmatig belde waar hij was. Verdachte was van deze feiten op de hoogte. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat niet kan worden gezegd dat [slachtoffer] een levensstijl had die erg afwijkt van de gemiddelde jongen van 17 jaar oud.

Ook de overige leden van de band waren jonge jongens: zo was [bandlid1] op 1 juli 2007 18 jaar oud , was [bandlid5] 16 jaar oud en was [bandlid2] 17 jaar oud. Het was dus ook niet zo dat de omgeving van [slachtoffer] bestond uit jongens die veel ouder waren dan hij zelf was.

Verdachte heeft bovendien verklaard dat [slachtoffer] eruit zag als een jongen van 18 jaar oud. Hieruit leidt de rechtbank af dat [slachtoffer] er ook niet veel ouder uitzag dan hij in werkelijkheid was.

[slachtoffer] oogde dus als iemand van zijn leeftijd, gedroeg zich als iemand van zijn leeftijd en had vrienden van zijn eigen leeftijd. Daaruit volgt dat er voor verdachte geen enkele aanleiding is geweest om [slachtoffer] ouder te schatten dan hij daadwerkelijk was.

Daarbij komt dat verdachte in 1999 eerder is veroordeeld voor een zedendelict. Verdachte wist vanaf 1999 al dat er een leeftijdsgrens is wat betreft het plegen van seksuele handelingen met een ander persoon. Verdachte was dus een gewaarschuwd man.

De vraag is nu of verdachte, gelet op het bovenstaande, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] jonger was dan 18 jaar.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “weten” is voldoende dat wettig en overtuigend wordt bewezen dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] jonger was dan 18 jaar, dat verdachte zich bewust was van die aanmerkelijke kans en dat verdachte vervolgens het risico dat [slachtoffer] jonger was maar op de koop toe heeft genomen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de omschrijving van de levensstijl, vrienden en het uiterlijk van [slachtoffer] volgt dat er naar algemene maatstaven een aanmerkelijke kans bestond dat een jongen die aan die omschrijving voldoet, jonger was dan 18 jaar oud.

Bewezen is verklaard dat de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden gedurende een periode van ruim vijf maanden. Gelet op de lengte van deze periode én gelet op het feit dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten (en dus een gewaarschuwd man was), acht de rechtbank het onaannemelijk dat verdachte zich in die hele periode niet één keer heeft afgevraagd of [slachtoffer] wel 18 jaar oud was.

Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte op enig moment wist dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] jonger was dan 18 jaar. Op het moment dat [slachtoffer] 18 jaar werd, hebben de seksuele handelingen nog enige tijd plaatsgevonden. Verdachte heeft dus ergens in de tenlastegelegde periode geweten van de aanmerkelijke kans én heeft zijn handelen toen niet gestaakt. Daarmee heeft verdachte het risico dat de aanmerkelijke kans intrad ook aanvaard.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist dat [slachtoffer] in de tenlastegelegde periode jonger was dan 18 jaar oud.

Welke ontuchtige handelingen zijn gepleegd?.

[slachtoffer] heeft, naast de bij de vaststaande feiten genoemde ontuchtige handelingen, ook aangifte gedaan van het feit dat verdachte meermalen zijn vinger in zijn anus heeft gebracht. Verdachte bekent de overige tenlastegelegde handelingen te hebben gepleegd, maar ontkent stellig zijn vinger in, dan wel tegen de anus van [slachtoffer] te hebben gebracht.

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer] op sommige punten onaannemelijk verklaart. Zo verklaart hij bijvoorbeeld dat de ontuchtige handelingen in 2004 zijn begonnen, terwijl uit het dossier volgt dat verdachte en [slachtoffer] elkaar pas in 2006 hebben leren kennen. Dit maakt dat de rechtbank, bezien de stellige ontkenning van verdachte, alleen de verklaring van aangever omtrent het binnendringen met de vinger onvoldoende vindt om tot een bewezenverklaring hiervan te komen. Weliswaar verklaart [slachtoffer] ook over een fles massageolie die zou zijn gebruikt bij het binnendringen en weet hij die fles te omschrijven, maar de rechtbank acht dit niet doorslaggevend. Immers, die fles bevond zich in de badkamer van verdachte en [slachtoffer] is vele malen bij verdachte thuis geweest. [slachtoffer] kan die fles dus ook gewoon een keer in de badkamer hebben zien staan.

Nu er zich in het dossier geen overige bewijsmiddelen bevinden die ondersteunen dat verdachte zijn vinger in, dan wel tegen de anus van [slachtoffer] heeft gebracht, acht de rechtbank deze handeling(en) niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom van die handeling(en) worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij (op meerdere tijdstippen) in de periode van 1 juli 2007

tot en met 15 december 2007 te Arnhem, meermalen door giften (te weten geldbedragen) een persoon, te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], waarvan verdachte wist dat

deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft

bewogen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van verdachte

te dulden, te weten dat verdachte die [slachtoffer] heeft gepijpt en/of heeft

afgetrokken en/of dat verdachte door die [slachtoffer] is afgetrokken;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

door giften een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen of van hem te dulden, meermalen gepleegd

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 26 mei 2010;

• een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 8 december 2009, betreffende verdachte;

• een reclasseringsadvies (beknopt) van Reclassering Nederland, gedateerd 9 juni 2010, betreffende verdachte;

• een psychiatrisch onderzoek van het NIFP, gedateerd 7 juni 2010, betreffende verdachte;

• een psychologisch onderzoek van het NIFP, gedateerd 27 juni 2010, betreffende verdachte.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van drie jaren met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos of FPK De Tender, dan wel een soortgelijke instelling.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich (indien het tot een bewezenverklaring zou komen) op het standpunt dat verdachte zijn vrijwillige behandeling bij Kairos wil en moet voortzetten en verzoekt de rechtbank daarom om aan verdachte op te leggen een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich laat behandelen door Kairos.

Beoordeling van de standpunten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een jongen van 17 jaar oud. Verdachte heeft deze jongen hiervoor betaald en daarmee bewogen deze handelingen te plegen en toe te staan. Dit is een ernstig feit en het slachtoffer heeft door het handelen van verdachte psychische schade opgelopen. Daarbij komt dat verdachte in 1999 ook al is veroordeeld voor zedendelicten. Verdachte wist dus dat hij geen seksuele handelingen mocht verrichten met minderjarigen, ook niet wanneer zij (tegen betaling) in zouden stemmen met deze handelingen. Verdachte wist dus ook dat dit soort delicten feiten betreffen waarvan de slachtoffers nog lange tijd last houden. Ondanks dat verdachte dit allemaal wist, heeft hij toch zijn eigen lustgevoelens de boventoon laten voeren en geen rekening gehouden met de gevolgen voor [slachtoffer].

Gelet op de ernst van het feit en gelet op de documentatie van verdachte is de rechtbank van oordeel dat hiervoor geen andere straf passend is dan een gevangenisstraf. Afdoening met een werkstraf, ook indien die zou worden opgelegd in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zou hier geen recht doen aan de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. De rechtbank zal wel bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf rekening houden met de omstandigheid dat verdachte, blijkens de NIFP-rapportages, ten tijde van het bewezenverklaarde licht verminderd toerekeningsvatbaar was te achten. De ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden daarbij afwegend, komt de rechtbank op een minder lang onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist.

Uit de bovengenoemde rapportages volgt eveneens dat behandeling van verdachte noodzakelijk is, teneinde te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst wederom schuldig zal maken aan soortgelijke feiten. Verdachte heeft deze behandeling inmiddels vrijwillig in gang gezet bij Kairos, maar de rechtbank acht het, gelet op verdachtes strafrechtelijke verleden, van belang dat verdachte deze (of een andere noodzakelijke) behandeling voortzet binnen een verplicht juridisch kader. De rechtbank zal daarom een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en daaraan de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat mocht inhouden het volgen van een poliklinische behandeling bij Kairos, De Tender of een soortgelijke instelling, voor zover en zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht en ook als dat mocht inhouden een meldingsgebod bij de reclassering.

Door de officier van justitie is gevorderd de aan voornoemde bijzondere voorwaarde verbonden proeftijd te stellen op drie jaren.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 oktober 2007 (NJ 2008, 146) geoordeeld dat de wettelijke maximale duur van de aan het opleggen van bijzondere voorwaarden verbonden proeftijd, voor zover deze het gedrag van de veroordeelde betreffen, slechts twee jaren dient te beslaan. De rechtbank zal dan ook aan verdachte een proeftijd opleggen voor de duur van twee jaren.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal van het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf de tijd door verdachte reeds in verzekering doorgebracht worden afgetrokken.

6.a De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van de geleden schade.

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een bedrag van € 9.823,23 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit. Dit bedrag bestaat uit de volgende posten:

- € 5262,15 materiële schade (prestatiebeurs en OV-jaarkaart)

- € 2500,- immateriële schade

Materiële schade

De benadeelde stelt dat hij door het bewezenverklaarde feit genoodzaakt was zijn studie te stoppen, waardoor hij nu verplicht is zijn prestatiebeurs en een vergoeding voor de OV-jaarkaart terug te betalen. De rechtbank is van oordeel dat het causaal verband tussen de gevorderde schade en het bewezenverklaarde feit niet eenvoudig is vast te stellen. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van de vordering. Wellicht dat de benadeelde de gevorderde schade kan verhalen via de burgerlijke rechter.

Immateriële schade

Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. De benadeelde partij heeft als gevolg van de ontuchtige handelingen psychische schade geleden en dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten voor toewijzing van schadevergoeding, waaronder de vereisten bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet mogelijk om in deze strafprocedure de exacte omvang van de immateriële schade vast te stellen. De rechtbank acht wel aannemelijk gemaakt dat de immateriële schade van de benadeelde voor dit moment, naar maatstaven van billijkheid, in ieder geval moet worden geschat op € 1.000, -, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2007. De rechtbank zal dit bedrag dus toewijzen. Voor het niet toewijsbare deel verklaart de rechtbank benadeelde niet-ontvankelijk.

Voor het toe te wijzen schadebedrag zal de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57 en 248a van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens Reclassering Nederland zullen worden gegeven, ook indien dit inhoudt:

- een ambulante behandeling bij Kairos en/of De Tender, of een soortgelijke instelling, voor zolang dat door deze instelling noodzakelijk wordt geacht.

- de verplichting dat veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij Reclassering Arnhem en zich verder blijft melden, zo vaak en zo lang als dit door de reclassering nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, op het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen € 1.000, - (zegge: duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2007.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Maatregel van schadevergoeding ad € 1.000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen € 1.000, - (zegge: duizend euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 (twintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2007.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. H.T. Wagenaar (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. E. de Boer, in tegenwoordigheid van mr. S.C.A.M. Janssen en N. van de Pol (griffiers),

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juli 2010.