Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN1606

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
16-07-2010
Zaaknummer
202580 / 10-148
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Termijnoverschrijding indiening wrakingsverzoek verschoonbaar. Het feit dat een rechter tijdens de zitting inzicht geeft in de juridische procespositie van partijen, geeft geen blijk van vooringenomenheid. Het staat de rechter vrij vragen te stellen indien partijen afwijken van een eerder naar voren gebracht standpunt. De vrees van verzoekster dat de rechter de wederpartij kende is slechts gebaseerd op vermoedens en niet objectief gerechtvaardigd. Afwijzen wrakingsverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Wrakingskamer

Registratienummer: 202580 / 10-148

Beschikking van 13 juli 2010

inzake

[verzoekster],

wonende te Arnhem,

verzoekster tot wraking,

en

mr. [X],

in haar hoedanigheid van kantonrechter in de zaak met nummer [zaaknummer]

1. Procedure

Bij schrijven van 8 juni 2010, bij rechtbank ingekomen op 11 juni 2010, heeft verzoekster een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. [X].

Mr. [X] heeft bij schrijven van 21 juni 2010 aangegeven niet in de wraking te berusten en heeft haar zienswijze ten aanzien van het wrakingsverzoek uiteengezet.

Op 30 juni 2010 is het wrakingsverzoek tegen mr. [X] ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoekster is in persoon verschenen. Tevens is mr. [Y] verschenen. Door mr. [X] is bij eerdergenoemd schrijven van 21 juni 2010 te kennen gegeven dat zij niet in de gelegenheid is de mondelinge behandeling bij te wonen.

2. Het verzoek

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat uit het verloop van de behandeling ter zitting van 21 mei 2010 is gebleken dat mr. [X] vooringenomen was. Verzoekster stelt daartoe dat mr. [X] tijdens de behandeling ter zitting niet de door verzoekster ingediende stukken heeft besproken, doch enkel de door eiser ingediende stukken. Daarnaast werd ter zitting de procespositie en de bewijslast van verzoekster anders geschetst dan haar vooraf door de twee advocaten die verzoekster had geraadpleegd voor juridisch advies was voorgehouden. Voorts heeft mr. [X] verzoekster ter zitting medegedeeld dat zij meer moest betalen dan mr. [Y] ter zitting heeft gevorderd. Tenslotte hebben [Y] en mr. [X] de indruk gewekt elkaar te kennen door de zitting af te sluiten met de woorden ‘bedankt hè, tot morgen’ hoewel de dag volgend op de zitting een zaterdag betrof. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoekster aangegeven dat mr. [X] en [Y] elkaar mogelijk kennen via het zweefvliegen, waarbij een persoon genaamd S.J. [X] voorzitter is van een commissie.

3. Beoordeling

3.1 Gelet op artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (nader te noemen: Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2 Op grond van het eerste lid van artikel 37 Rv wordt het verzoek tot wraking gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Een later ingediend verzoek kan niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.3 De rechtbank stelt vast dat het wrakingsverzoek is ingediend op 8 juni 2010, zijnde achttien dagen nadat de behandeling ter zitting, gedurende welke de gronden tot wraking zich hebben voorgedaan, heeft plaatsgevonden.

3.4. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het wrakingsverzoek ontvankelijk is, nu zij het verzoek tijdig heeft ingediend. Verzoekster wist ten tijde van de behandeling ter zitting op 21 mei 2010 niet af van de mogelijkheid tot wraking. Pas na afloop van deze zitting is door reflectie op een aantal gebeurtenissen tijdens de zitting bij verzoekster het vermoeden van vooringenomenheid ontstaan. Vervolgens heeft verzoekster informatie ingewonnen via internet. Hieruit is haar de mogelijkheid tot wraking bekend geworden, waarna verzoekster een advocaat advies gevraagd heeft over de wijze waarop zij diende te handelen, mede omdat zij meende dat de zaak al was afgedaan. Hierop heeft verzoekster haar wrakingsverzoek op 8 juni 2010 aan de president van de rechtbank toegezonden.

3.5. De rechtbank overweegt omtrent de ontvankelijkheid van het verzoek het volgende. Door een opeenstapeling van omstandigheden die zich ter zitting hebben voorgedaan is het vermoeden van vooringenomenheid bij verzoekster pas na afloop van de zitting ingetreden. Verzoekster wist op dat moment nog niet van de mogelijkheid tot wraking. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verzoekster ter zitting geen bijstand had van een advocaat en dat zij niet eerder een procedure bij de rechtbank heeft meegemaakt. Nadat het vermoeden bij verzoekster was ingetreden, heeft zij besloten informatie in te winnen en de openstaande mogelijkheden te onderzoeken. Verzoekster is vervolgens tot de ontdekking gekomen dat zij de mogelijkheid heeft tot wraking, alvorens het eindoordeel is gegeven. Hoewel verzoekster dacht dat ter zitting reeds uitspraak was gedaan en derhalve de termijn voor wraking was verstreken, heeft verzoekster toch besloten een advocaat te consulteren. De advisering door de advocaat, alsmede daarna het opstellen van het wrakingsverzoek, heeft enkele dagen in beslag genomen.

Hoewel een relatief lange periode is verstreken tussen de behandeling ter zitting en het indienen van het wrakingsverzoek, acht de rechtbank de overschrijding van de termijn door verzoekster gelet op het hiervoor overwogene verschoonbaar, waardoor het verzoek geacht wordt tijdig te zijn ingediend. De rechtbank acht het verzoek dan ook ontvankelijk.

3.6 Met betrekking tot de vraag of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, overweegt de rechtbank als volgt.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid bij de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM (en artikel 14 lid 1 IVBPR) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3.7 Uit het schrijven van mr. [X] alsmede het verhandelde ter zitting van de wrakingskamer is gebleken dat mr. [X] tijdens de behandeling ter zitting van 21 mei 2010 heeft geverifieerd of partijen beide over de (nagekomen) stukken beschikten. Nadien is onder meer gesproken over de brief met bijlagen van 14 mei 2010 van [Y], waaronder zich tevens emailberichten van verzoekster

bevinden. Blijkens het schrijven van mr. [X] is onder meer verzoekster nadien in de gelegenheid gesteld op voornoemde brief met bijlagen van 14 mei 2010 te reageren.

De rechtbank overweegt dat partijen ter zitting de gelegenheid dienen te krijgen hun standpunt gemotiveerd naar voren te brengen. Een en ander maakt echter niet dat alle stukken die zich in het dossier bevinden ter zitting inhoudelijk besproken dienen te worden. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk geworden dat verzoekster voldoende in de gelegenheid is gesteld haar standpunt ter zitting naar voren te brengen. Het feit dat een rechter vervolgens tijdens de zitting inzicht geeft in de juridische procespositie van partijen, geeft naar het oordeel van de rechtbank geen blijk van vooringenomenheid. Dit geldt eveneens ten aanzien van hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht over de kosten en de factuur van [Y]. De beslissing ten aanzien van de door verzoekster eventueel te betalen kosten is een inhoudelijke beslissing, waar nog geen eindoordeel over is gegeven. Ter zitting heeft mr. [X], blijkens de stukken, [Y] voorgehouden dat zijn factuur verschilde van de vordering die hij ter zitting deed. Het staat de rechter vrij vragen te stellen indien partijen afwijken van een eerder naar voren gebracht standpunt. Het wrakingsverzoek kan op deze gronden derhalve niet slagen.

3.8 Tenslotte overweegt de rechtbank ten aanzien van de stelling van verzoekster dat mr. [X] en [Y] de indruk hebben gewekt dat zij kennissen van elkaar zijn, het volgende.

Mr. [X] heeft in haar schrijven aangegeven dat het onjuist is dat zij en [Y] elkaar in de privé-sfeer kennen. Daarnaast heeft [Y] ter zitting van de wrakingskamer verklaard dat hij voorafgaand aan de zitting van 21 mei 2010 nimmer contact heeft gehad met mr. [X] en dat hij mr. [X] niet in de privé-sfeer kent, ook geen persoon genaamd S.J. [X]. Daarnaast heeft [Y] verklaard dat hij bij het verlaten van de zaal enkel heeft gezegd ‘goedemorgen mevrouw de griffier en mevrouw de rechter’ en niet ‘bedankt hè, tot morgen’. De vrees van verzoekster is, gelet op het hiervoor overwogene, slechts gebaseerd op vermoedens en niet objectief gerechtvaardigd. Deze wrakingsgrond kan derhalve evenmin slagen.

3.9 Het voorgaande leidt ertoe dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C.G.J. van Well (voorzitter), G. Noordraven en D.S.M. Bak, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Baaziz op 13 juli 2010.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.