Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN0353

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-06-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
199851
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanbestedingsrecht.

De conclusie is dat Harting-Bank de grenzen van een geoorloofde strategische inschrijving heeft overschreden en de inschrijving voorshands als manipulatief moet worden gekenmerkt. De Gemeenten mochten de inschrijving van Harting-Bank als ongeldig aanmerken vanwege de miskenning van het dor de Gemeenten gestelde kader van de aanbesteding en de verstoring van de beoordelingssystematiek.

Wetsverwijzingen
Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2010/178 met annotatie van B.M.H.C. Le Haen-de Croon
JAAN 2010/106
JAAN 2011/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 199851 / KG ZA 10-289

Vonnis in kort geding van 11 juni 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HARTING-BANK B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres,

advocaten mrs. G. Verberne en M. Ottes te Amsterdam,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE MAASDRIEL,

zetelend te Kerkdriel,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ZALTBOMMEL,

zetelend te Zaltbommel,

gedaagden,

advocaat prof. mr. E. Steyger te ’s-Hertogenbosch,

waarin heeft gevorderd primair als tussenkomende, subsidiair als voegende partij toegelaten te worden:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WELZORG NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Almere,

advocaat mr. drs. T.R.M. van Helmond te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Harting-Bank, de Gemeenten en Welzorg genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot primair tussenkomst en subsidiair voeging

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van Harting-Bank

- de pleitnota van de Gemeenten

- de pleitnota van Welzorg.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De Gemeenten Buren, Geldermalsen, Lingewaal, Maasdriel, Neder-Betuwe, Neerijnen, Tiel en Zaltbommel (de deelnemende gemeenten) hebben een aanbestedingsprocedure gevoerd ter gunning van de opdracht tot levering en serviceverlening met betrekking tot Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning) hulpmiddelen. De Aankondiging van de opdracht is gepubliceerd op 18 december 2009 (PB-nummer 2009/S 244-349488) In de Aankondiging staat onder meer vermeld dat de opdracht niet in percelen is verdeeld en dat de opdracht een looptijd heeft van 36 maanden (vanaf de gunning van de opdracht). In de Aankondiging wordt Inkoopbureau Regio Rivierenland (het Inkoopbureau) als contactpunt/-adres genoemd met betrekking tot de aanbesteding.

2.2. Tot de aanbestedingsdocumenten behoort de Offerteaanvraag van 14 december 2009. Daarin is onder ‘2.1 Inhoud en doel van de opdracht’ onder meer opgenomen:

‘De gemeenten Buren (circa 25.000 inwoners), Geldermalsen (26.000), Lingewaal (11.000), Maadriel (23.000), Neder-Betuw (22000), Neerijnen (12.000), Tiel (41.000) en Zaltbommel (26.000) zijn gezamenlijk voornemens over te gaan tot de aanbesteding van koop en service van Wmo-hulpmiddelen. Een depot wordt gebruikt om voorzieningen her te verstrekken. De Gemeente Buren huurt nu Wmo-hulpmiddelen en daarom blijft de service van de huidige gehuurde hulpmiddelen nog door die leverancier verzorgd.

Onder Wmo- hulpmiddelen wordt ondermeer verstaan gebruiksklare, al dan niet elektrisch voortbewogen rolstoelen, scootmobielen, duwwandelwagens, driewielerfietsen en patiëntenliften, hierna te noemen hulpmiddelen. Alsmede het in depot nemen, onderhouden, repareren, verzekeren en transporteren van de hulpmiddelen en – waar – nodig de ondersteuning bij het selecteren van de noodzakelijke hulpmiddelen en/of aanpassing, instructie, begeleiding en nazorg ten behoeve van gebruikers (…)

De aanbesteding wordt namens de gemeenten begeleid door het Gemeenschappelijk Inkoopbureau Regio Rivierenland.’

Onder ‘2.2. uitgangspunten’ vermeldt de Offerteaanvraag per deelnemende gemeente van elk soort hulpmiddel (scootmobielen, elektrische rolstoelen, handbewogen rolstoelen, liften, fietsen en douche/toilethulpmiddelen) het aantal dat in 2009 is uitgegeven. Verder is daar onder meer bepaald:

‘Met ieder van de deelnemende gemeenten zal individueel een overeenkomst worden

Afgesloten. Er zal met één opdrachtnemer een overeenkomst worden afgesloten.’

In ‘3.1 Procedure en planning’ staat in de Offerteaanvraag onder andere:

‘Opdrachtgever volgt, gelet op de aard en de omvang van de opdracht een Europese

aanbestedingsprocedure, conform het Besluit aanbestedingsregels voor

overheidsopdrachten (Bao) (…)

Gunning wordt door de opdrachtgevers gedaan op basis van het criterium “economisch

meest voordelige inschrijving”. Gunning vindt plaats aan de inschrijver welke (…) bij de

gunningscriteria de hoogste totaalscore krijgt toegerekend (…)

De opdrachtgevers behouden zich het recht voor deze aanbesteding geheel of gedeeltelijk

tijdelijk of definitief te stoppen.’

En onder ‘3.2 Informatiefase’:

‘Alle communicatie verloopt uitsluitend via het Inkoopbureau.’

Verder onder ‘3.4.5 Gunningscriteria’:

‘ Gunningscriteria Weging

G1. Prijs van de te leveren hulpmiddelen en te

leveren diensten 40%

G2. Omvang en kwaliteit van de te leveren

Hulpmiddelen en van de te leveren diensten 30%

G3. Plan van aanpak 20%

G4. MVO 10%

Uitgangspunt is dat minimaal 95% van de hulpmiddelen (zoals beschreven in het bestek bij

het onderdeel hulpmiddelen) met 100% prijsgarantie wordt verstrekt (…) Per productgroep

dienen drie middelen geoffreerd te worden (…)

Per productgroep moet u aangeven:

(…);

-de kosten van het all-in onderhoudcontract;

(…);

-de herverstrekkingskosten per productgroep. Onder deze kosten worden verstaan

handelingskosten (ophalen, schoonmaken, registreren/administreren hulpmiddelen),

depotkosten (kosten opslag hulpmiddelen) en afleveringskosten (aflevering hulpmiddelen

bij de klant thuis.)

De beoordeling van het criterium “Prijs” vindt als volgt plaats: de inschrijver met de laagste prijs krijgt een rapportcijfer 10. De overige inschrijvers krijgen een rapportcijfer naar rato van het verschil met de laagste prijs (…)

Toelichting gunningscriterium G1. Prijs

Prijsopgave dient een totaalprijs en een prijsspecificatie per onderdeel te bevatten, gesplitst in alle relevante kostencomponenten, conform bijlage.

Subcriteria Prijs:

- kosten van te leveren hulpmiddelen 60%

- kosten her verstrekking 25%

- kosten van de te leveren diensten 15%

In ‘4.1 algemeen’ wordt onder meer bepaald:

‘23. Leverancier dient de huidige uitstaande hulpmiddelen die eigendom zijn van de

gemeenten, met ingang van het contract op te nemen in een all-in

onderhoud/servicecontract tegen gelijke tarieven als vermeld in zijn aanbieding op

deze aanbesteding. Tevens vallen deze hulpmiddelen onder de terugkoopregeling.

Met uitzondering van de nu aanwezig gehuurde voorzieningen in Buren.’

In ‘4.2 Beschrijving benodigde hulpmiddelen’ worden 28 hulpmiddelen genoemd en de minimum eisen waaraan die moeten voldoen. Daaraan voorafgaand staat vermeld:

‘Hierna wordt een specificatie gegeven van de minimum eisen waaraan uw aanbieding

dient te voldoen en waarop uw prijzen gebaseerd dienen te zijn. De specificatie zal primair

dienen om tot een realistisch (prijs)vergelijk te komen tussen de ontvangen aanbiedingen.’

2.3. Tot de aanbestedingsdocumenten behoren tevens twee Nota’s van inlichtingen (NVI). In NVI 2 luidt vraag 1:

‘Kunt u bevestigen, dat u de prijzen per product met elkaar vergelijkt en hieraan

punten conform bestekopgave toekent? Telt u vervolgens de punten die per

product gescoord zijn bij elkaar op, om tot de score van de kosten van te leveren

hulpmiddelen te komen? Indien zulk niet het geval is, kunt u dan aangeven hoe de

telling wel plaatsvindt?’

en het antwoord daarop:

‘de prijzen per categorie worden vergeleken, niet de prijzen van de producten

worden vergeleken. De laagste prijs per categorie krijgt 10 punten, de andere

prijzen ‘van die categorie’ worden berekend naar rato. Bijvoorbeeld laagste ‘prijs in

die categorie is 100 en er is een ‘prijs in die categorie’ van 140. De berekening is

dan 100:140 x 10 = 7,1 punt voor de ‘prijs in die categorie’ van 140.

Inschrijven met € 0 of een negatief bedrag is niet toegestaan.’

En vraag 2:

‘In G1 is de minimale score (…) 0. Kunt u dat bevestigen? ’

met als antwoord:

‘De score van een naar rato berekening kan theoretisch inderdaad 0 worden,

bijvoorbeeld 100:100000 x 10 = afgerond op 1 decmimaal 0,0’

2.4. Onder meer Harting-Bank en Welzorg hebben ingeschreven op de opdracht.

Tot de onderhavige aanbesteding verzorgde Welzorg de (her)verstrekking en het onderhoud van hulpmiddelen aan de deelnemende gemeenten.

2.5. Harting-Bank heeft in haar offerte voor elk van de 28 productgroepen (hulpmiddelen) als nettoprijs bij koop en als herverstrekkingskosten een bedrag aangeboden van € 0,01. Voor 19 van deze productgroepen heeft Harting-Bank ook € 0,01 geoffreerd als all-in onderhoudstarief.

2.6. In reactie op de offerte van Harting-Bank heeft het Inkoopbureau bij e-mail

van 2 februari 2010 om verduidelijking gevraagd omdat volgens het Inkoopbureau € 0,01 als netto-prijs bij koop en als herverstrekkingskosten van alle productgroepen en als all-in onderhoudstarief aangeboden voor de meeste productgroepen, abnormaal laag lijkt.

In antwoord daarop heeft Harting-Bank bij e-mail van 3 februari 2010 het Inkoopbureau gegarandeerd dat zij haar offerte gestand zal doen en de opdracht gedurende de gehele contractsperiode onvoorwaardelijk en volledig conform de eisen zoals gesteld in het bestek zal uitvoeren.

2.7. Bij brief van 15 februari 2010 heeft het Inkoopbureau Harting-Bank bericht dat de deelnemende gemeenten voornemens zijn om met Harting-Bank een overeenkomst te sluiten, behalve de gemeenten Lingewaal, Maasdriel en Zaltbommel. Die gemeenten gunnen de opdracht niet, aldus het Inkoopbureau in zijn brief. Vervolgens hebben Harting-Bank en het Inkoopbureau daarover gecorrespondeerd, met als sluitstuk de brief van 14 april 2010 van het Inkoopbureau. In die brief meldt het Inkoopbureau aan Harting-Bank dat de gemeenten Maasdriel en Zaltbommel (de Gemeenten) voornemens zijn om de opdracht te gunnen aan Welzorg en dat die gemeenten de offerte van Harting-Bank hebben uitgesloten. In de brief staat daartoe onder meer:

‘Bovengenoemde gemeenten sluiten uw offerte van aanbesteding uit, omdat de

inschrijving van € 0,01 op de onderdelen herverstrekking, levering en onderhoud

een objectieve vergelijking van uw offerte met die van de overige inschrijvers

onmogelijk maakt. Dit kan er toe leiden dat afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit

van die specifieke diensten ten opzichte van hetgeen de overige inschrijvers hebben

aangeboden. De gemeenten hebben u tot twee maal toe in de gelegenheid gesteld

uw offerte op deze punten toe te lichten zodat genoemde objectieve vergelijking

wel mogelijk zou worden. U heeft ons echter beide malen geen duidelijkheid

verschaft met betrekking tot de geboden prijzen op genoemde punten, zodat ons

niet is gebleken dat de aangeboden prijzen voor levering, herverstrekking en

onderhoud realistisch zijn. De gewenste vergelijking is dus niet mogelijk,

hetgeen impliceert dat uw aanbieding niet in de beoordeling is betrokken.’

3. Het geschil

3.1. Harting-Bank vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de Gemeenten in de proceskosten,

1) de Gemeenten te gebieden geen uitvoering te geven aan hun voornemen tot gunning aan Welzorg, zoals bekend gemaakt bij brief van 14 april 2010, althans geen overeenkomst ter zake met Welzorg te sluiten, althans geen uitvoering te geven aan een ter zake met Welzorg gesloten overeenkomst en deze overeenkomst te ontbinden,

2) de Gemeenten, nu zij de aanbesteding willen voltooien en tot gunning van de opdracht over willen gaan, te gebieden de opdracht te gunnen aan de winnaar van de aanbesteding: Harting-Bank,

3) althans zodanige maatregelen te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht en die recht doen aan de belangen van Harting-Bank in het kader van de onderhavige aanbesteding,

3.2. Harting-Bank legt daaraan ten grondslag dat het feit dat zij veelal een prijs/tarief van € 0,01 heeft aangeboden, niet maakt dat haar inschrijving ongeldig is.

Harting-Bank stelt daartoe dat zij met haar aanbieding van € 0,01 binnen de door de aanbestedende dienst opgestelde beoordelings- en gunningsmethodiek is gebleven. Zij voert daarvoor aan dat in de aanbestedingsstukken slechts van € 0,00 en negatieve bedragen is bepaald dat die niet aangeboden mogen worden. Volgens Harting-Bank is dat bepaald omdat de beoordelingssystematiek een breuk bevat die dan niet toepasbaar is.

Nu € 0,01 wel in een breuk kan worden toegepast, stelt Harting-Bank dan ook dat haar offerte kon worden vergeleken met die van de andere inschrijvers. Harting-Bank stelt verder dat de vraag of € 0,01 als prijs/onderhoudstarief realistisch is, niet relevant is, omdat in de aanbestedingsdocumenten een realistische prijs niet als eis wordt gesteld. Daarbij voert Harting-Bank aan dat uit het antwoord op vraag 2 in de NVI 2 volgt dat de aanbestedende dienst rekening hield met extreme prijsverschillen. Ook voert zij aan dat zij de garantie heeft gegeven dat zij de opdracht gedurende de gehele contractsperiode onvoorwaardelijk en volledig conform de bestekseisen zal uitvoeren. Bij dit alles neemt Harting-Bank het standpunt in dat het aanbieders is toegestaan om strategisch of slim in te schrijven.

Als grondslag van de vorderingen voert Harting-Bank tevens aan dat, nu de deelnemende gemeenten samen optrokken in één aanbestedingsprocedure en inschrijvers hun aanbiedingen hebben gebaseerd op de aanbesteding van één opdracht voor het geheel,

er slechts één winnaar kan zijn en niet twee. Volgens Harting-Bank hadden de Gemeenten dan ook niet mogen gunnen aan Welzorg, maar aan haar. Harting-Bank doet in dat verband een beroep op het bepaalde onder 2.2. in de Offerteaanvraag, waar onder meer is bepaald dat er met één opdrachtnemer een overeenkomst zal worden gesloten.

3.3. De Gemeenten voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.4. Welzorg vordert – samengevat – primair toelating als tussenkomende partij en subsidiair als voegende partij aan de zijde van de Gemeenten, en voorts bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van Harting-Bank of de Gemeenten in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente,

1) Harting-Bank niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans haar vorderingen af te wijzen;

2) De Gemeenten te verbieden de opdracht te gunnen aan Harting-Bank;

3) primair: De Gemeenten te gebieden de opdracht te gunnen aan Welzorg;

subsidiair: de Gemeenten te gebieden een heraanbesteding te organiseren, voor zover zij de opdracht nog altijd wensen te gunnen;

meer subsidiair: in goede justitie een andere maatregel op te leggen aan de Gemeenten die passend is en recht doet aan de belangen van Welzorg.

3.5. Welzorg legt daaraan ten grondslag dat de inschrijving van Harting-Bank als manipulatieve inschrijving ongeldig is. Zij voert daarvoor aan dat de aanbieding van € 0,01 maakt dat de inschrijving van Harting-Bank niet vergelijkbaar is met die van de overige inschrijvers. Welzorg stelt daartoe dat Harting-Bank in feite alle kosten voor levering, herverstrekking en onderhoud heeft verwerkt in een exorbitant hoog all-in onderhoudstarief van enkele hulpmiddelen, omdat het subgunningscriterium ‘kosten van te leveren diensten’ een zeer lage weegfactor heeft (15%) dit in tegenstelling tot die voor ‘kosten van te leveren hulpmiddelen’ (60%) en – iets minder – ‘kosten her verstrekking’ (25%).

4. De beoordeling

In het incident tot tussenkomst dan wel voeging

4.1. Harting-Bank en de Gemeenten hebben geen verweer gevoerd tegen tussenkomst door Welzorg. Om die reden en omdat Welzorg een rechtstreeks en in rechte te erkennen belang heeft om als tussenkomende partij in het geding te komen nu zij de inschrijver is aan wie door de Gemeenten de opdracht is gegund, zal zij als tussenkomende partij worden toegelaten.

4.2. Om het hierna volgende zal Harting-Bank in de kosten van het incident worden veroordeeld. Deze kosten – in het incident – zullen daarbij worden begroot op nihil.

In de hoofdzaak

4.3. Van belang is in de eerste plaats dat uit de aanbestedingsstukken volgt dat gunning van de opdracht in hoge mate afhankelijk is van de prijs waarvoor een inschrijver de hulpmiddelen wil leveren, herverstrekken en onderhouden. Blijkens artikel 3.4.5 van de Offerteaanvraag, weegt Gunningscriterium 1 (G.1) immers voor 40% mee ter vaststelling van de economisch meest voordelig inschrijving. Uit de toelichting op G.1 die gegeven wordt in artikel 3.4.5 Offerteaanvraag blijkt verder dat binnen G.1 de prijs die aangeboden wordt voor levering van de hulpmiddelen voor 60% meeweegt, de aangeboden prijs voor herverstrekking voor 25% en de onderhoudskosten (kosten van de te leveren diensten) voor 15%. Dit betekent dat een zo laag mogelijk prijs voor levering en herverstrekking de meeste kans biedt op gunning van de opdracht en dat een hoog onderhoudstarief veel minder van invloed is op de gunningskansen.

4.4. Op zichzelf mogen inschrijvers hun biedingen zo structureren dat daardoor een maximaal aantal punten wordt gescoord. De bedoeling van gunningscriteria is immers om aan te geven op welke wijze de aanbestedingsprocedure kan worden gewonnen. Het is toegestaan om een strategische inschrijving te doen. Dat moet worden onderscheiden van manipulatief biedgedrag. Daarvan kan sprake zijn wanneer, als gevolg van miskenning door de inschrijver van bepaalde aannames van de aanbestedende dienst, zoals bijvoorbeeld dat er realistische prijzen zullen worden aangeboden, de beoordelingssystematiek zo wordt gemanipuleerd dat het daarmee beoogde doel wordt verstoord.

4.5. Zoals onder 2.5 reeds is vermeld, moet worden geconstateerd dat Harting-Bank voor levering en herverstrekking van hulpmiddelen voor alle productgroepen een bedrag van € 0,01 heeft geoffreerd. Hoewel discussie mogelijk is over de vraag wat in abstracto onder een realistische prijs moet worden verstaan, is duidelijk dat € 0,01 niet een realistische prijs is voor levering en herverstrekking van hulpmiddelen waarom het hier gaat, zoals scootmobielen en (electrische) rolstoelen. Aangenomen moet worden dat Harting-Bank de (realistische) bedragen die met levering en herverstrekking van deze hulpmiddelen zijn gemoeid, heeft verdisconteerd in de door haar geboden prijzen voor onderhoud.

Harting-Bank heeft dat niet betwist. Het volgt ook daaruit dat de totale prijs van haar bieding (levering, herverstrekking en onderhoud) iets lager, maar wel in de orde van grootte ligt van de prijs die de Gemeenten aan de huidige contractant – Welzorg – betalen, zoals namens Harting-Bank bij de mondelinge behandeling is verklaard. Het is duidelijk waarom

Harting-Bank dat zo heeft gedaan. De geboden prijs is onderverdeeld in 3 subgunnings-criteria voor levering, herverstrekking en onderhoud met een weging in het totaal van respectievelijk 60%, 25% en 15%. Op de wijze waarop Harting-Bank heeft ingeschreven vallen de door haar geboden prijzen op de paar centen na die zij voor levering en herverstrekking heeft geboden volledig in de subcategorie 3 voor onderhoud met een wegingsfactor van slechts 15% van de totale prijs. Ook dat heeft Harting-Bank niet betwist. Zij stelt zich op het standpunt dat haar dat vrijstond. Zij beroept zich erop dat op grond van de nota van inlichtingen alleen prijzen van € 0,00 en negatieve prijzen niet waren toegestaan.

4.6. Dat standpunt ziet eraan voorbij dat in het bestek de prijs als gunningscriterium is onderverdeeld in de 3 hiervoor genoemde subgunningscriteria voor de prijzen voor levering, herverstrekking en onderhoud met verschillende wegingsfactoren binnen het gunningscriterium prijs. Het moet voor iedere normaal oplettende inschrijver duidelijk zijn geweest dat deze systematiek van aanbesteding meebrengt dat per product(groep) per onderdeel – levering, herverstrekking en onderhoud – een op zichzelf beschouwd realistische prijs – wat best een scherpe concurrerende prijs zou mogen zijn – zou worden geboden. Door op de wijze waarop zij dat heeft gedaan nagenoeg haar totale prijs op te voeren in het onderdeel onderhoud doet Harting-Bank deze systematiek geweld aan.

Deze wijze van inschrijving maakt het mogelijk dat Harting-Bank met een relatief hoge totaal prijs ten opzichte van andere inschrijvers volgens de berekeningsmethodiek in punten een veel hogere score kan behalen dan andere inschrijvers die per categorie realistische prijzen hebben geboden. Daardoor wordt ook een behoorlijke vergelijking tussen de inschrijvers onmogelijk gemaakt, terwijl uit de Offerteaanvraag onder 4.2 duidelijk blijkt dat de deelnemende gemeenten juist ook die vergelijking mogelijk wilden maken.

Ook bestaat daardoor de mogelijkheid – die zich volgens de Gemeenten ook heeft gerealiseerd – dat Harting-Bank met de hoogste puntenscore eindigt, hoewel zij bepaald niet de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan. Als dan aan Harting-Bank zou worden gegund, dan zou het er bovendien toe kunnen leiden – zoals Welzorg aannemelijk heeft gedemonstreerd – dat Harting-Bank van de door haar aangeboden alternatieven per productgroep steeds de goedkoopste levert, ongeacht de behoefte van de gebruiker, terwijl daarmee ook de op dit punt in de Offerteaanvraag onder 3.4.5 opgenomen verrekeningsmethode wordt gefrustreerd.

4.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat met deze wijze van inschrijving de grenzen van een geoorloofde strategische inschrijving zijn overschreden en de inschrijving voorshands als manipulatief moet worden gekenmerkt. De Gemeenten mochten de inschrijving van Harting-Bank als ongeldig aanmerken vanwege de miskenning van het door de Gemeenten gestelde kader van de aanbesteding en de verstoring van de beoordelingssystematiek.

4.8. Als grondslag voor haar vorderingen voert Harting-Bank nog aan dat er sprake was van één aanbesteding en dat er daarom geen twee winnaars kunnen zijn. Dat lijkt op zichzelf juist. De deelnemende gemeenten trokken immers samen op in deze aanbestedings-procedure, de opdracht is niet in percelen verdeeld, het Inkoopbureau was het enig contactpunt en in artikel 2.2 Offerteaanvraag staan de aantallen van alle in 2009 uitgegeven hulpmiddelen in de deelnemende gemeenten en voorts dat er met één opdrachtnemer een overeenkomst wordt gesloten. Daarbij lijkt het beroep van de Gemeenten op artikel 3.1 Offerteaanvraag waarin staat: ‘De opdrachtgevers behouden zich het recht voor deze aanbesteding geheel of gedeeltelijk tijdelijk of definitief te stoppen’ niet te kunnen slagen, nu de Gemeenten niet zijn gestopt met de aanbesteding, maar de opdracht hebben gegund aan een andere inschrijver, Welzorg. Evenwel kan dit er niet toe leiden dat de Gemeenten de opdracht alsnog aan Harting-Bank moeten gunnen of dat de opdracht opnieuw moet worden aanbesteed, nu in dit kort geding de inschrijving van Harting-Bank als ongeldig moet worden gezien en dus buiten beschouwing had moeten blijven.

4.9. De slotsom is dan ook dat de vorderingen van Harting-Bank zullen worden afgewezen. Dat houdt mede toewijzing in van de vordering sub 1 van Welzorg.

De vordering sub 2 van Welzorg zal worden afgewezen omdat Welzorg, als gevolg van de toewijzing van haar vordering onder 1 daar geen belang meer bij heeft, nu ter zitting is gebleken dat de Gemeenten de opdracht inmiddels definitief hebben gegund aan Welzorg. Om die reden heeft Welzorg evenmin belang bij toewijzing van haar vorderingen onder 3.

4.10. Harting-Bank zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld en voor wat betreft de proceskosten van Welzorg zulks te vermeerderen met de wettelijke rente daarover nu dat door Welzorg is gevorderd, evenwel op de navolgende wijze. De kosten worden aan de zijde van de Gemeenten en ook aan de zijde van Welzorg begroot op:

- vast recht € 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.079,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident

5.1. laat Welzorg toe als tussenkomende partij in het kort geding van Harting-Bank tegen de Gemeenten,

5.2. veroordeelt Harting-Bank in de kosten van het incident, aan de zijde van de Gemeenten en Welzorg te begroten op nihil,

in de hoofdzaak

5.3. wijst de vorderingen van Harting-Bank af,

5.4. veroordeelt Harting-Bank in de proceskosten, aan de zijde van Welzorg tot op heden begroot op € 1.079,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag of het restant ervan vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening,

en aan de zijde van de Gemeenten begroot op € 1.079,00,

5.5. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde op 11 juni 2010.