Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BN0271

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
187096
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst m.b.t. woning.

Eisers vorderen terugbetaling van de waarborgsom omdat zij de woning wegens gebrek aan financiering niet hebben kunnen afnemen (zij hebben de overeenkomst niet om die reden ontbonden). Beroep op ongerechtvaardigde verrijking faalt omdat aan de waarborgsom een boeteclausule ten grondslag ligt. Geen grond voor matiging. subsidiaire grondslag (art. 6:248 lid 2 BW) faalt eveneens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 187096 / HA ZA 09-1256

Vonnis van 16 juni 2010

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. T. Bogers te Utrecht,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. R.G.M. Sleutels te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser] c.s. en [gedaagde] c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 september 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 17 december 2009

- de akte van [gedaagde] c.s..

- de akte van [eiser] c.s.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] c.s. en [gedaagde] c.s. hebben op 27 april 2008 een schriftelijke koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de aan [gedaagde] c.s. in eigendom toebehorende woning te [woonplaats] (hierna te noemen de woning). De koopprijs bedroeg EUR 630.000,00. De akte van levering zou worden gepasseerd op 1 december 2008. In de schriftelijke koopovereenkomst was verder nog opgenomen:

4.1. Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van koper zal deze uiterlijk op 3 juni 2008 een schriftelijke door een in Nederland gevestigde bankinstelling afgegeven bankgarantie doen stellen voor een bedrag van € 63.000,00 (….)

4.2. In plaats van deze bankgarantie te stellen kan koper een waarborgsom storten ter hoogte van het in artikel 4.1 genoemde bedrag in handen van de notaris via diens kwaliteitsrekening (…)

10.2. Ontbinding op grond van tekortkoming is slechts mogelijk na voorafgaande ingebrekestelling. Bij ontbinding van de overeenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van

€ 63.000,00 verbeuren, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten van verhaal. (…)

16.1. Deze overeenkomst kan door koper worden ontbonden indien uiterlijk:

b. op 27 mei 2008 koper voor de financiering van de onroerende zaak voor een bedrag van *), zegge *) geen hypothecaire geldlening of het aanbod daartoe van een erkende geldverstrekkende instelling heeft verkregen, zulks tegen geen hogere bruto jaarlast dan *) zegge *), of een rentepercentage niet hoger dan *), bij de volgende hypotheekvorm: *) volledige financiering van de koopsom + kosten tegen de thans heersende voorwaarden en tarieven (…)

2.2. [eiser] c.s. hebben voldaan aan de verplichting om een waarborgsom te storten voor een bedrag van EUR 63.000,00. [eiser] c.s. hebben echter geen financiering voor de woning gekregen voor 28 mei 2008. Zij hebben nagelaten om de koopovereenkomst om die reden te ontbinden.

2.3. De woning is niet op 1 december 2008 overgedragen aan [eiser] c.s. [gedaagde] c.s. hebben, nadat zij [eiser] c.s. eerst in gebreke hadden gesteld, de koopovereenkomst per 10 december 2008 ontbonden.

2.4. De notaris onder wie de waarborgsom was gestort heeft vervolgens op 12 december 2008 de waarborgsom uitgekeerd aan [gedaagde] c.s.

2.5. In maart 2009 hebben [eiser] c.s. aangegeven alsnog de woning te willen afnemen. [gedaagde] c.s. hebben hier echter geen gehoor aan gegeven. De woning is aan een derde verkocht voor een bedrag van EUR 600.000,00 en op 1 mei 2009 geleverd.

2.6. [eiser] c.s. hebben op 18 juni 2009 ten laste van [gedaagde] c.s. conservatoir derdenbeslag laten leggen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] c.s. vorderen samengevat - primair hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] c.s. tot betaling van EUR 65.658,14 ten titel van ongerechtvaardigde verrijking, vermeerderd met rente en kosten. Subsidiair vorderen [eiser] c.s. wijziging van de gevolgen van de koopovereenkomst op grond van redelijkheid en billijkheid en hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] c.s. tot terugbetaling van (een deel van) de waarborgsom van EUR 63.000,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde] c.s. voeren verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Met betrekking tot de primaire vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking hebben [eiser] c.s. in de dagvaarding naar voren gebracht dat [gedaagde] c.s. geen schade hebben geleden omdat zij de woning alsnog hebben kunnen verkopen, dan wel dat zij deze schade hadden kunnen beperken door alsnog per 1 april 2009 aan [eiser] c.s. te leveren. Zij zijn daardoor ongerechtvaardigd verrijkt.

4.2. [eiser] c.s. hebben hun standpunt ter zake niet nader toegelicht. Klaarblijkelijk zijn zij van mening dat de ontvangst van de koopsom tezamen met het bedrag van de waarborgsom een verrijking oplevert. Hierin kunnen zij echter niet worden gevolgd. Nog daargelaten dat, gelet op de nadere onderbouwing van de schade door [gedaagde] c.s. bij akte, niet zonder meer kan worden aangenomen dat [gedaagde] c.s. daadwerkelijk zijn verrijkt, is een eventuele verrijking ook niet zonder meer ongerechtvaardigd. Aan de betaling van de waarborgsom van EUR 63.000,00 ligt ten grondslag een boeteclausule in de overeenkomst. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom het ontvangen van een boete op een wijze en in een omvang zoals door partijen juist met het oog op de onderhavige situatie is overeengekomen, een redelijke grond ontbeert.

4.3. Overigens lijken [eiser] c.s. dit zelf ook te hebben ingezien want ter comparitie hebben zij niet vastgehouden aan de eerder genoemde stelling dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Zij hebben aldaar aangegeven de primaire grondslag van de vordering te willen wijzigen en in plaats daarvan matiging te vorderen in de zin van artikel 6:94 Burgerlijk Wetboek (BW).

4.4. Een wijziging van eis is evenwel alleen schriftelijk mogelijk. [eiser] c.s. hebben echter nagelaten hun (aangekondigde) eiswijziging op schrift te stellen. Dat brengt mee dat in deze procedure wordt uitgegaan van de ongewijzigde primaire eis. Voor toewijzing daarvan is, zoals hiervoor reeds is overwogen, geen plaats.

4.5. Ten overvloede wordt overwogen dat er voor matiging op grond van artikel 6:94 BW ook geen grond zou zijn geweest. Uitgangspunt bij de beoordeling daarvan is de in artikel 6: 94 lid 1 BW neergelegde maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dit brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (HR 27 april 2007, NJ 2007, 262).

4.6. De terughoudendheid die de rechter toe moet passen hangt samen met de afschrikwekkende werking die van een contractuele boete moet uitgaan. De contractuele boete dient als krachtige prikkel tot nakoming van een contractuele verplichting. Als er geen terughoudendheid wordt betracht bij de rechterlijke matigingsbevoegdheid, wordt de prikkel weggenomen.

4.7. In het onderhavige geval is er onvoldoende grond om die terughoudendheid te laten varen. Bij akte hebben [gedaagde] c.s. de omvang van hun schade nader toegelicht. Daaruit blijkt dat zij in elk geval schade hebben geleden ter hoogte van het verschil in koopsom van EUR 30.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 december 2008. Weliswaar hebben [eiser] c.s. betoogd dat dit geen schade is omdat [gedaagde] c.s. de woning alsnog aan [eiser] c.s. hadden kunnen verkopen voor de oorspronkelijke koopsom maar zij gaan er aldus aan voorbij dat [gedaagde] c.s. niet gehouden was om gebruik te maken van dit aanbod, te minder nu, gelet op de eerdere ontbinding, het vertrouwen ontbrak dat [eiser] c.s. de op hen rustende verplichtingen dan alsnog na zouden komen. In dat verband speelt mede een rol dat als niet betwist vaststaat dat [eiser] c.s. in de periode tot na de ontbinding niets meer van zich hebben laten horen en [gedaagde] c.s. voor het eerst pas weer in maart 2009 zijn geïnformeerd door [eiser] c.s.

[gedaagde] c.s. hebben voorts schade geleden omdat zij maanden lang dubbele woonlasten hebben gehad. [eiser] c.s. hebben dit erkend al hebben zij de gestelde omvang van deze schade wel betwist. In elk geval staat, na erkenning, wel vast dat de schade in dit verband in elk geval EUR 5.780,24 bedraagt.

In het midden kan blijven of [gedaagde] c.s. hiernaast nog meer of andere schade hebben geleden zoals zij stellen en [eiser] c.s. betwisten. Reeds uit het voorgaande volgt dat er niet zonder meer sprake is van een wanverhouding tussen de hiervoor genoemde vaststaande schade en de door [eiser] c.s. betaalde boete.

4.8. Van belang zijn verder de omstandigheden waaronder het boetebeding is ingeroepen. De stellingen van [eiser] c.s. op dit punt lijken er toe te strekken dat zij zich tot het uiterste hebben ingespannen om financiering te verkrijgen. Zij hebben dit echter niet onderbouwd. Er is niets waaruit kan worden afgeleid dat het niet aan [eiser] c.s. te wijten is geweest dat de financiering niet (tijdig) is verkregen en/of dat het niet aan hen te wijten is dat het beroep op het financieringsvoorbehoud niet tijdig is ingeroepen. Dat brengt mee dat er op die grond ook geen reden is om het boetebedrag te matigen.

[eiser] c.s. hebben verder ter comparitie nog naar voren gebracht dat moet worden gekeken naar hun huidige financiële positie. Zij zouden al hun spaargeld kwijt zijn en dat hadden zij nodig om te verhuizen. Dit argument kan hen echter niet baten. Bij de beoordeling van het beroep op matiging gaat het niet zozeer om de huidige financiële positie van [eiser] c.s. als wel om die ten tijde van het inroepen van het boetebeding. Er is niet gesteld en ook is niet gebleken dat er ook op dat moment financiële problemen bestonden.

Ten slotte is nog van belang dat [gedaagde] c.s. onbetwist hebben gesteld dat zij in de genoemde periode veel onzekerheid hebben gehad. Dit vormt een reden te meer om vast te houden aan de eerder genoemde terughoudendheid.

4.9. Het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, leidt tot de conclusie dat matiging in het onderhavige geval niet aan de orde kan zijn.

4.10. Subsidiair hebben [eiser] c.s. aan hun vordering ten grondslag gelegd een beroep op artikel 6:248 BW en meer in het bijzonder, zo begrijpt de rechtbank, op de in lid 2 van dat artikel geformuleerde beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Volgens [eiser] c.s. zijn de omstandigheden in dit geval zodanig dat uitvoering van de overeenkomst naar haar letter een evident onredelijke uitkomst tot gevolg heeft. Zij hebben in dit verband echter niet meer of anders aangevoerd dan reeds hiervoor in het kader van het beroep op matiging aan de orde is gekomen, te weten de verhouding tussen de omvang van de betaalde waarborgsom en de schade van [gedaagde] c.s. Zoals hiervoor echter al is overwogen is de verhouding tussen de omvang van de boete en de schade van [gedaagde] c.s., niet zodanig dat sprake is van een wanverhouding. Nu er verder ook geen andere, bijzondere omstandigheden naar voren zijn gebracht, is er geen grond om aan te nemen dat de onverkorte uitvoering van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

4.12. [eiser] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld alsmede in de nakosten. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] c.s. worden begroot op:

- vast recht EUR 1.185,00

- salaris advocaat 2.235,00 (2,5 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 3.420,00

4.13. Voor de door [gedaagde] c.s. gevorderde hoofdelijke veroordeling in de proceskosten ontbreekt een grond. Nu het gaat om een deelbare prestatie zijn [eiser] c.s. ieder voor een gelijk deel verbonden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] c.s. tot op heden begroot op EUR 3.420,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [eiser] c.s. in de nakosten, aan de zijde van [gedaagde] c.s. bepaald op EUR 131,00 voor (na)salaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met EUR 68,00 voor (na)salaris advocaat en de daadwerkelijke betekeningskosten,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2010.