Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM9734

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
640923 CV Expl. 09-7864
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BY2244, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gesubsidieerde arbeid. Arbeidsovereenkomst met stichting. Geen vergunning UWV Werkbedrijf voor opzegging nodig, nu de gemeente het beleid, waaronder het ontslagbeleid, van de stichting bepaalt. Geen kennelijk onredelijk ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2010/174
AR-Updates.nl 2010-0535
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 640923 \ CV EXPL 09-7864 \ 400djb

uitspraak van 18 juni 2010

vonnis

in de zaak van

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. S.T.W. Verhaagh

toevoegingsnummer [nummer toevoeging]

tegen

de stichting Stichting Uitzicht

gevestigd te Nijmegen

gedaagde partij

vertegenwoordigd door eerst mr. M. Pinna, thans mr. H.A.M. van Gerwen

Partijen worden hierna [werknemer] en Uitzicht genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit

- het tussenvonnis van 6 november 2009

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 31 maart 2010.

2. De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1 [werknemer] is op 1 maart 1993 in dienst van Uitzicht getreden. Op de arbeidsovereenkomst zijn ingevolge artikel 2 lid 3 ervan de bepalingen van het burgerlijk recht van toepassing, tenzij bij de Rijksbijdrageregeling Banenpools anders is bepaald of bij die overeenkomst anders is overeengekomen.

2.2 Tussen Uitzicht en het Bureau Archeologie te Nijmegen, behorende tot de dienst volkshuisvesting van de gemeente Nijmegen, is op 20 december 2003 een zogenaamde plaatsingsovereenkomst WIW gesloten.

2.3 [werknemer] is vanaf het begin van de arbeidsovereenkomst tot 19 mei 2008 gedetacheerd bij de dienst volkshuisvesting van de gemeente Nijmegen en heeft daar als veldwerker werkzaamheden verricht, waarna [werknemer] aansluitend gedetacheerd werd bij de stichting PAN (Promotie Amateurmuziek Nijmegen), waar hij tot 19 november 2008 gewerkt heeft.

2.4 Uitzicht heeft bij brief van 28 november 2008 de dienstbetrekking opgezegd tegen 1 april 2009.

2.5 Vanaf 1 januari 2009 heeft [werknemer] aangesloten tot 1 januari 2010 tijdelijke banen gehad. Met ingang van januari 2010 ontvangt [werknemer] een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.

3. De vordering en het verweer

3.1 [werknemer] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

primair voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen ook na 1 april 2009 is blijven voortbestaan, hem toe te laten tot het verrichten van de gebruikelijke werkzaamheden met betaling van het gebruikelijke salaris, het salaris vanaf 1 april 2009 te betalen met de verhoging van artikel 7:625 BW, de wettelijke rente en de proceskosten;

subsidiair voor recht te verklaren dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2009 kennelijk onredelijk is en Uitzicht te veroordelen aan [werknemer] te betalen een billijke schadevergoeding van € 35.800,00 bruto, althans een bedrag dat de kantonrechter juist acht, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, met veroordeling van Uitzicht in de proceskosten.

[werknemer] baseert zijn primaire vordering op de stelling dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst tegen 1 april 2009 vernietigbaar is vanwege het ontbreken van toestemming van het UWV Werkbedrijf. [werknemer] heeft tijdig een beroep gedaan op die vernietigbaarheid.

Voor de subsidiaire vordering baseert [werknemer] zich op het gevolgencriterium als bedoeld in artikel 7:681 BW.

3.2 Uitzicht voert verweer dat samengevat hierop neerkomt.

[werknemer] heeft niet goed gefunctioneerd bij de stichting PAN, de plaatsing daar is geëindigd en er is geen andere plaatsingsmogelijkheid meer.

Aangezien de gemeente Nijmegen als formele werkgever moet worden beschouwd was geen vergunning van het UWV Werkbedrijf nodig voor een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst. Om al die redenen moet de primaire vordering worden afgewezen.

Ook de subsidiaire vordering moet volgens Uitzicht stranden omdat niet gezegd kan worden dat de gevolgen van het beëindigen van het dienstverband voor [werknemer] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de gemeente Nijmegen (volgens Uitzicht de werkgever) bij de opzegging.

4. De beoordeling

4.1 De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de arbeidsovereenkomst door de opzegging - zonder toestemming van het UWV Werkbedrijf - geëindigd is. [werknemer] heeft tijdig de nietigheid van de opzegging ingeroepen. Immers [werknemer] heeft onweersproken gesteld dat op zijn beroep tot vernietiging van de opzegging Uitzicht op 20 mei 2009, dus binnen de vervaltermijn van zes maanden na de opzegging, heeft gereageerd met de mededeling dat Uitzicht van mening was dat een ontslagvergunning niet nodig was.

4.2 Uitzicht heeft met [werknemer] op 1 maart 1993 een arbeidsovereenkomst in het kader van de Rijksbijdrageregeling banenpools gesloten. Anders dan Uitzicht meent volgt uit artikel 24 Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw), die de voornoemde regeling heeft vervangen, niet dat deze arbeidsovereenkomst “van rechtswege (is) overgegaan naar een arbeidsovereenkomst met de gemeente Nijmegen.” Ook artikel 78d van de Wet werk en bijstand (Wwb) als opvolger van de Wiw heeft dit gevolg niet gehad. Dit betekent dat ervan uitgegaan moet worden dat Uitzicht en dus niet de gemeente Nijmegen als werkgever van [werknemer] heeft te gelden.

4.3 Uitzicht is een privaatrechtelijke rechtspersoon. Zij is echter nauw verbonden met de gemeente Nijmegen. Blijkens haar briefpapier maakt zij onderdeel uit van de Directie Inwoners van de gemeente Nijmegen en is zij op hetzelfde adres als de gemeente Nijmegen gevestigd.

Voorts volgt uit de brief van 22 augustus 2008 van de gemeente Nijmegen aan [werknemer] (productie 14 bij de dagvaarding) dat Uitzicht wordt gefinancierd door de gemeente Nijmegen.

Bovendien is de wethouder van Ruimte en Bouwen, Sport, Werk en Inkomen van de gemeente Nijmegen voorzitter van Uitzicht (productie 5 bij de dagvaarding in verbinding met productie 10 bij de conclusie van antwoord)

Gelet op een en ander, in onderling verband en samenhang beschouwd, wordt als vaststaand aangenomen dat de gemeente Nijmegen het beleid, waaronder het ontslagbeleid, bepaalt bij Uitzicht. Dit brengt met zich mee dat ingevolge artikel 2 lid 1 onder a van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 geen voorafgaande toestemming voor de opzegging door Uitzicht van de arbeidsovereenkomst met [werknemer] van het UWV Werkbedrijf vereist is (zie HR 15 januari 1971, NJ 1971, 305).

4.4 De conclusie van het bovenstaande is dat de arbeidsovereenkomst op 1 april 2009 is geëindigd.

De primaire vordering van [werknemer] om voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst na 1 april 2009 is blijven voortbestaan en Uitzicht te veroordelen tot toelating van [werknemer] tot het verrichten van de gebruikelijke werkzaamheden en tot doorbetaling van zijn salaris, wordt daarom afgewezen.

4.5 De subsidiaire vordering van [werknemer] voor recht te verklaren dat het ontslag kennelijk onredelijk is en hem een billijke schadevergoeding toe te kennen wordt eveneens afgewezen.

[werknemer] heeft van 19 mei 2008 tot 19 november 2008 werkzaamheden verricht voor PAN. Dat de werkzaamheden voor PAN beëindigd werden, werd mede veroorzaakt door de opstelling van [werknemer], die, zoals ter zitting erkend, heeft aangevoerd daar niet verder te willen. Onweersproken is verder dat Uitzicht tevergeefs pogingen heeft ondernomen [werknemer] een vaste aanstelling bij PAN te bezorgen en dat na onderzoek gebleken is dat er geen andere plaatsingsmogelijkheid in het kader van de opdracht en doelstelling van Uitzicht voor [werknemer] was.

Het enkele feit dat voor [werknemer] geen financiële voorziening is getroffen maakt dat oordeel niet anders. Daartoe wordt nog het volgende overwogen.

[werknemer] heeft vanaf 1 januari 2009 tot 1 januari 2010 werk verricht op reguliere banen en daarmee inkomen verworven. De werkervaring die hij als werknemer van Uitzicht heeft opgedaan heeft hem kennelijk in staat gesteld een plaats op de reguliere arbeidsmarkt te veroveren, zij het op tijdelijke basis. Verder staat tussen partijen vast dat [werknemer] gedurende een periode van januari tot en met maart 2010 dubbel loon heeft ontvangen.

De arbeidsovereenkomst is bovendien eerst ruim vier maanden na beëindiging van het werk voor PAN door Uitzicht door opzegging geëindigd.

Gelet op bovenstaande overwegingen is het gegeven ontslag niet in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeversschap. Het ontslag is gelet op een en ander niet kennelijk onredelijk.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de gevolgen van de opzegging voor [werknemer] niet te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Uitzicht bij de opzegging.

4.6 [werknemer] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Aangezien de vertegenwoordiger van Uitzicht niet als gemachtigde in de zin van artikel 80 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan worden beschouwd, wordt Uitzicht echter geen gemachtigdensalaris toegekend.

5. De beslissing

De kantonrechter

wijst de primaire en subsidiaire vordering af;

veroordeelt [werknemer] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de kant van Uitzicht begroot op nihil aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. D.J. Bender en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2010.